Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6233

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
13-289407-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 3 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 10 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks adresinstructiegeschil

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 juni 2026 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De verdachte werd verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder ontvoering, gijzeling, georganiseerde diefstal en drugshandel. De straf die nog restte bedroeg vier jaar, negen maanden en negen dagen.

Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de verdachte niet altijd persoonlijk aanwezig was bij alle procedures in Polen en dat hij niet altijd bereikbaar was voor oproepen, ondanks dat hij een adresinstructie had ontvangen. De raadsman voerde aan dat de adresinstructie niet voldeed aan de vereisten en dat de verdachte niet voldoende was geïnformeerd over de gevolgen van het niet doorgeven van adreswijzigingen. De officier van justitie stelde dat de verdachte wel degelijk was geïnformeerd en dat de oproepen naar het opgegeven adres waren gestuurd.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de verdachte niet altijd persoonlijk aanwezig was, hij wel was geïnformeerd over zijn verplichtingen en dat de oproepen naar het juiste adres waren gestuurd. De rechtbank achtte dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten oplevert en dat de verdachte kennelijk onzorgvuldig was geweest in zijn bereikbaarheid. Er was geen sprake van een concreet gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks discussie over adresinstructies en afwezigheid bij procedures.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-289407-25
Datum uitspraak: 18 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 26 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 april 2025 door
the District Court in Krakow, Third Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 21 mei 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. V.G. Kraal, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De behandeling van de zaak is aangehouden voor onbepaalde tijd om het antwoord op de op 8 mei 2025 door het Internationale Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) gestelde vragen af te wachten en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen twee aanvullende, door de rechtbank, geformuleerde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Zitting 9 juni 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 9 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. V.G. Kraal en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
consolidated judgmentvan
the District Court in Krakow, Sixth Criminal Division,van 26 juni 2024 (VI K 34/24), in stand gelaten bij verzamelarrest van
the Appellate Court in Krakówvan 20 november 2024 (II AKa 315/24) met de volgende onderliggende vonnissen:
1. onderliggend vonnis van
the District Court in Krakow, Sixth Criminal Division, van 26 mei 2020, gewijzigd bij arrest van
the Appellate Court in Krakówvan 26 april 2022. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 28 mei 2026 blijkt dat hier sprake is van een foutieve datum en dat de juiste datum 28 april 2022 is.
2. onderliggend vonnis van
the District Court in Krakow, Sixth Criminal Divisionvan 26 mei 2020, gewijzigd bij arrest van
the Appellate Court in Krakówvan 25 januari 2024.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier jaar, negen maanden en negen dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelarrest van 20 november 2024.
Dit verzamelarrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3] Op basis van de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 3 juni 2026 stelt de rechtbank vast dat de overlevering niet meer wordt gevraagd voor het in het EAB genoemde feit 6, omdat dat feit niet langer deel uitmaakt van de cumulatieve straf zoals opgelegd bij het verzamelarrest.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Inleiding
De rechtbank stelt op basis van de EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende vast.
De opgeëiste persoon is in eerste aanleg bij vonnis van 26 mei 2020 veroordeeld. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep heeft geleid tot het arrest van 28 april 2022 (onderliggend arrest 1). Vervolgens is daartegen cassatie ingesteld en is het arrest van 28 april 2022 deels vernietigd en is de zaak terugverwezen. Dat heeft geresulteerd in het arrest van 25 januari 2024 (onderliggend arrest 2). Tenslotte is op 26 juni 2024 een verzamelvonnis en op 20 november 2024 een verzamelarrest gewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd. Er is in deze zaak veel aanvullende informatie ontvangen. In de aanvullende informatie wordt steeds verwezen naar de adresinstructie die de opgeëiste persoon heeft gehad. De adresinstructie die de opgeëiste persoon heeft gehad voldoet echter niet aan de eisen die de rechtbank daar doorgaans aan stelt. Uit de stukken blijkt niet dat de opgeëiste persoon erop is gewezen dat hij bij verstek kan worden veroordeeld als hij zich niet houdt aan de verplichting om een adreswijziging door te geven. De opgeëiste persoon heeft op 18 juni 2021 een adres doorgegeven. Daarna is hij tot drie keer toe vrijgelaten. Nadat hij is vrijgelaten zijn er nog vier uitspraken in de zaak gekomen, namelijk twee keer een hoger beroep en een verzamelvonnis in twee instanties. De oproepen voor deze zittingen lijken naar verschillende adressen te zijn gestuurd. Bij de verzamelprocedure ging het bovendien om een
ex officioprocedure en is de opgeëiste persoon vertegenwoordigd door een door de rechtbank toegewezen advocaat. De opgeëiste persoon heeft nooit contact gehad met deze advocaat. Bovendien is het onduidelijk of de advocaat ook daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd namens de opgeëiste persoon. Het kan de opgeëiste persoon niet worden verweten dat de zaak geheel buiten hem om verwikkeld is geraakt in deze hoger beroep- en verzamelprocedures die bovendien tot zes jaar na het plegen van de feiten en vier jaar na de eerste veroordeling hebben geduurd. De raadsman heeft de rechtbank dan ook verzocht niet af te zien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat rechtbank af kan zien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Beide hoger beroepsprocedures en de hoger beroepsprocedure van het verzamelvonnis dienen aan artikel 12 OLW Pro te worden getoetst.
Uit de aanvullende informatie van 28 april 2026, als antwoord op de door het IRC gestelde vragen 9 en 17, blijkt dat de opgeëiste persoon ook is gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan de hem verstrekte adresinstructie en dat de adresinstructie geldt voor de gehele procedure, dus inclusief de hoger beroepen en de verzamelprocedure. De oproepingen voor de procedures zijn naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het verzamelarrest vanthe Appellate Court in Krakówvan 20 november 2024Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de stukken volgt dat de opgeëiste persoon tijdens de onderliggende procedure als verdachte is verhoord en in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Op 18 juni 2021 is de opgeëiste persoon vrijgelaten en toen heeft hij een adres opgegeven. De opgeëiste persoon heeft daarnaast een adresinstructie ontvangen. Het IRC heeft daarover op 17 april 2026, onder meer, de volgende vraag gesteld:
“Was [de opgeëiste persoon] thereby explicitly informed that these rights and obligations would apply to the entire proceedings (including a possible cumulative judgment and appeal)?”
Op 28 april 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op deze vraag het volgende geantwoord:
“Yes, the instructions regarding the right to attend the hearing and the
consequences of failure to appear are the same throughout the criminal
proceedings, including proceedings for an aggregate sentence. However, the
situation is different at the appellate stage, where, as noted above, the defendant's
presence is not mandatory but option.”
Op 28 mei 2026 heeft het IRC nogmaals een vraag van vergelijkbare strekking gesteld. Op 1 juni 2026 is daarop het volgende antwoord gekomen:
“Yes. In each case against [de opgeëiste persoon] , he was provided with information regarding his obligation to notify the authorities of any change of address. This instruction applies to all criminal proceedings, including proceedings for the consolidation of prior judgements.”
Uit deze antwoorden in onderlinge samenhang gelezen met de vragen van het IRC en de overige stukken maakt de rechtbank op dat de opgeëiste persoon is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven, op de gevolgen van het nalaten daarvan en dat de adresinstructie gold voor de gehele procedure, inclusief eventueel hoger beroep en/of verzamelprocedures. De oproep voor de zitting die tot de beslissing heeft geleid is gezonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Blijkens de aanvullende informatie van 1 juni 2026 heeft de politie gedurende de verzamelprocedure nog onderzoek gedaan naar het adres van de opgeëiste persoon. Daaruit is gebleken dat de ouders van de opgeëiste persoon woonden op het opgegeven adres. Zij zouden hebben geweigerd om de oproep in ontvangst te nemen en hebben gezegd dat ze geen contact hebben met hun zoon en niet weten wanneer hij terugkeert naar Polen. De opgeëiste persoon heeft bij zijn voorgeleiding opmerkingen gemaakt over verklaringen van twee getuigen. Hij heeft toen ook verklaard dat hij voor zijn vertrek naar Nederland contact heeft gehad met de advocaat en dat die advocaat cassatie zou instellen. Na zijn vertrek naar Nederland heeft hij geen contact meer gehad met zijn advocaat. De rechtbank stelt dan ook vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Het had op de weg van de opgeëiste persoon gelegen om op de hoogte te blijven van de voortgang van de procedure, nu hij wist dat er een procedure liep. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit verzamelarrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Ten aanzien van het onderliggende arrest (1) vanthe Appellate Court in Krakówvan 28 april 2022 en ten aanzien van het onderliggende arrest (2) vanthe Appellate Court in Krakówvan 25 januari 2024Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [5]
Voor beide arresten geldt het volgende. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de stukken volgt dat de opgeëiste persoon door de politie is verhoord als verdachte en in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Toen hij in voorlopige hechtenis zat is hij naar de zittingen in eerste aanleg gebracht. Op 18 juni 2021, ruim een jaar na het vonnis in eerste aanleg, is de opgeëiste persoon vrijgelaten en toen heeft hij een adres opgegeven. De opgeëiste persoon heeft daarnaast een adresinstructie ontvangen. Voor deze adresinstructie geldt dezelfde informatie van 28 april 2026 zoals die hierboven bij het verzamelarrest is weergegeven.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven, op de gevolgen van het nalaten daarvan en dat de adresinstructie gold voor de gehele procedure, inclusief eventueel hoger beroep en/of verzamelprocedures. De oproepen voor de zittingen die tot de beslissingen hebben geleid zijn gezonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. De opgeëiste persoon heeft geen adreswijziging doorgegeven. De rechtbank stelt dan ook vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de processen die tot deze arresten hebben geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

5.Strafbaarheid

5.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst een deel van de strafbare feiten, te weten de feiten 1, 2, 4 en 5 aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling;
georganiseerde of gewapende diefstal;
racketeering en afpersing.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten 1, 2, 4 en 5 achterwege moet blijven.
5.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten, te weten de feiten 3, 7, 8 en 9 [6] niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
medeplegen van zware mishandeling;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [8]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47 en 302 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the District Court in Krakow, Third Criminal Division, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. L. Sanders en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (
5.HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (
6.Voor feit 6 verwijst de rechtbank naar de overweging onder 3.
7.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
8.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (