Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6130

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
13-093454-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 HandvestArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over heropening en schorsing in executie Europees aanhoudingsbevel uit Roemenië

De rechtbank Amsterdam behandelt een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank Onești, Roemenië, voor de overlevering van een persoon die veroordeeld is tot een gevangenisstraf van drie jaar en acht maanden, waarvan nog één jaar en acht maanden resteert. De opgeëiste persoon was niet op alle zittingen aanwezig, waardoor sprake is van een verstekvonnis. De rechtbank constateert onduidelijkheden over de uitoefening van verdedigingsrechten en besluit het onderzoek te heropenen en te schorsen om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit.

De verdediging voerde aan dat het EAB niet genoegzaam is vanwege onduidelijkheid over de resterende strafduur, maar dit verweer wordt verworpen. De rechtbank oordeelt dat het EAB voldoende duidelijkheid biedt en dat reststraffen in de uitvaardigende lidstaat moeten worden aangevochten. Tevens is onderzocht of detentieomstandigheden in Roemenië een beletsel vormen voor overlevering. Ondanks structurele problemen in Roemeense gevangenissen, is een individuele detentiegarantie afgegeven die voldoende zekerheid biedt dat geen onmenselijke of vernederende behandeling zal plaatsvinden.

De rechtbank beveelt de officier van justitie aan om aanvullende vragen te stellen over de verdedigingsrechten en stelt een nieuwe zitting binnen de beslistermijn. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel.

Uitkomst: De rechtbank heropent en schorst het onderzoek om aanvullende vragen te stellen over verdedigingsrechten en detentiegaranties, waarbij genoegzaamheidsverweer en verweer detentieomstandigheden worden verworpen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-093454-26
Datum uitspraak: 10 juni 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 7 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 oktober 2025 door de rechtbank Onești, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [J.C.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 27 mei 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.C. Fleskens, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt als grondslag een vonnis van de Rechtbank Onești van 5 september 2025 met kenmerk 639.
Uit rubriek E van het EAB volgt dat de opgeëiste persoon in dit vonnis is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten en dat de opgelegde straf een “verzamelstraf” betreft, waarin ook twee eerder opgelegde straffen zijn verdisconteerd.
Uit de aanvullende informatie van 22 april 2026 blijkt dat die eerdere straffen in de volgende vonnissen aan de opgeëiste persoon zijn opgelegd:
  • een vonnis van de Rechtbank Onești, van 15 september 2023, met kenmerk 523, dat onherroepelijk is geworden door een arrest van Gerechtshof Bacău, van 12 december 2023, met kenmerk 1064;
  • een vonnis van de Rechtbank Onești, van 19 december 2024, met kenmerk 1028, dat onherroepelijk is geworden door een arrest van Gerechtshof Bacău, van 5 mei 2025, met kenmerk 396.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar en acht maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van de Rechtbank Onești van 5 september 2025 met kenmerk 639 en bij de onderliggende vonnissen.
De vonnissen en arresten betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Het standpunt van de raadsvrouw
De grondslag van het EAB betreft een verzamelvonnis van de Rechtbank Onești van
5 september 2025 met kenmerk 639. In sectie D van het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot dit vonnis. Echter, uit de aanvullende informatie van 22 april 2026 blijkt dat hij slechts aanwezig is geweest bij de zittingen tot en met 10 maart 2025, terwijl het vonnis pas op 5 september 2025 gewezen is. De uitvaardigende autoriteit spreekt zichzelf hier tegen. Dit vonnis is daarom bij verstek gewezen terwijl niet duidelijk is of en hoe de opgeëiste persoon zijn verdediging heeft kunnen uitoefenen.
Uit de aanvullende informatie van 22 april 2026 blijkt verder dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat heeft geleid tot het arrest van het Gerechtshof Bacău, van 5 mei 2025, met kenmerk 396. De vragen die het Internationaal rechtshulpcentrum (IRC) aan de uitvaardigende autoriteit heeft gesteld met betrekking tot dit arrest dat bij verstek is gewezen, zijn niet volledig beantwoord. Onduidelijk is of de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard en of het vonnis in persoon is betekend. In ieder geval kan niet worden vastgesteld dat hij zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.
Vooralsnog is niet aangetoond dat zich ten aanzien van het vonnis met kenmerk 639 en het arrest met kenmerk 396 één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Ook is er geen reden om van weigering af te zien. Daarom wordt primair verzocht om de overlevering te weigeren. Subsidiair wordt verzocht om de zaak aan te houden zodat het IRC de gelegenheid heeft om aanvullende vragen te stellen over de beide verstekbeslissingen.
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van artikel 12 OLW Pro dienen de volgende beslissingen getoetst te worden: het arrest van Gerechtshof Bacău, van 12 december 2023, met kenmerk 1064, het arrest van Gerechtshof Bacău, van 5 mei 2025, met kenmerk 396, en het verzamelvonnis van Rechtbank Onești, van 5 september 2025, met kenmerk 639.
Uit de aanvullende informatie van 22 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon bij alle zittingen aanwezig is geweest die hebben geleid tot het arrest met kenmerk 1064. Voor dit arrest is artikel 12 OLW Pro dus niet relevant.
Voor het arrest met kenmerk 396 geldt dat uit de aanvullende informatie van 22 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig is geweest bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, maar dat hij wel in persoon is gedagvaard op 31 januari 2025 voor de zitting van 20 maart 2025. In de toelichting onder het D-formulier in de aanvullende informatie van 22 april 2026, staat ook nog vermeld dat hij op zitting vertegenwoordigd is door een advocaat. Ten aanzien van deze is de situatie van artikel 12, sub a, OLW van toepassing.
Wat betreft het vonnis met kenmerk 639 blijkt uit het EAB dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op alle zittingen tot en met 10 maart 2025. Voor een latere zitting is de opgeëiste persoon – terwijl hij nog in detentie zat – gedagvaard in persoon. Voor de overige zittingen na 20 maart verzoekt de officier van justitie de rechtbank subsidiair af te zien van weigeren, nu de opgeëiste persoon zelf geen navraag heeft gedaan naar het verloop van de procedure en hiermee stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het vonnis van de Rechtbank Onești van 5 september 2025 met kenmerk 639.
Volgens het EAB is de opgeëiste persoon in persoon aanwezig geweest op het proces dat tot dit vonnis heeft geleid.
Uit de aanvullende informatie van 22 april 2026, van de
Onești Court of Lawstaat onder meer het volgende:
With regard to the judgement of the Court of Onesti no. 639, on 05.09.2025 (…).
1.
We confirm that section “D” of the European Arrest Warrant was completed in relation to Criminal Sentence no. 639/05.09.2025 of Onesti Court of Law, the convict, [de opgeëiste persoon] , having been present at all the court hearing dates up to and including 10.03.2025, during which time he was incarcerated in a penitentiary, serving a custodial sentence. On 26.02.2025, he was released on parole from Gáesti Penitentiary. Following this date, the convict did not appear in court, being absent including at the hearing on 12.05.2025, when the case remained pending. Furthermore, throughout the criminal proceedings, he was also represented by a legal counsellor appointed by the State.
Uit de aanvullende informatie blijkt dus dat er meerdere zittingsdagen zijn geweest en dat de opgeëiste persoon niet op al die zittingsdagen aanwezig is geweest. Daarbij merkt de rechtbank op dat het vonnis is gewezen op 5 september 2025 en ook de straf die is opgelegd in het (onderliggende) arrest met kenmerk 396, dat pas op 5 mei 2025 gewezen is, hierbij is meegenomen. Dit betekent dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest op alle inhoudelijke zittingsdagen die tot het vonnis hebben geleid en dit vonnis als verstekvonnis wordt gezien.
Gesteld wordt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op alle zittingsdagen tot en met 10 maart 2025. Vervolgens blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon, die gedetineerd was, op 26 februari 2025 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld en dat hij na 26 februari 2025 niet meer is verschenen op een zitting. Expliciet wordt benoemd dat de opgeëiste persoon ook niet is verschenen op de zitting van 12 mei 2025. Dit betekent dat de opgeëiste persoon niet op de zitting van 10 maart 2025 aanwezig was, wat niet overeenkomt met de informatie die in hetzelfde stuk is verstrekt. Evenmin wordt uit de verstrekte informatie duidelijk
en of de opgeëiste persoon, nadat hij voorwaardelijk in vrijheid is gesteld of eerder, een adres heeft opgegeven waarop hij bereikbaar moest zijn voor de Roemeense justitiële autoriteiten en, zo ja, of de oproepingen voor de zittingen naar dat adres zijn gezonden.
Gelet op het voornoemde ziet de rechtbank aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen en de officier van justitie te verzoeken om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen nogmaals onderdeel D) van het EAB in te vullen ten aanzien van het vonnis van
de Rechtbank Onești van 5 september 2025 met kenmerk 639 nu de rechtbank geconstateerd heeft dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de zitting(en) die tot dit vonnis hebben geleid.
Voorts verzoekt de rechtbank aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van dit vonnis ookde volgende vragen stellen:
Heeft de opgeëiste persoon bij zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling op 26 februari 2025, of eerder, een adres opgegeven waarop hij voor de Roemeense justitiële autoriteiten bereikbaar was of moest zijn?
Zo ja, is hem meegedeeld dat hij gedurende de procedure op dit adres bereikbaar diende te zijn en dat hij iedere adreswijziging moest doorgeven?
Naar welk(e) adres(sen) zijn de oproepingen voor de zittingen gezonden vanaf 26 februari 2026?
Ten aanzien van het arrest van het Gerechtshof Bacău, van 12 december 2023, met kenmerk 1064
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Om die reden valt het arrest van het Gerechtshof met kenmerk 1064 onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro.
In de aanvullende informatie van 22 april 2026 is in het D-formulier ten aanzien van deze procedure vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.
Ten aanzien van het arrest van het Gerechtshof Bacău, van 5 mei 2025, met kenmerk 396
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Om die reden valt het arrest van het Gerechtshof onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro.
In de aanvullende informatie van 22 april 2026 is in het D-formulier ten aanzien van deze procedure vermeld dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest met kenmerk 396 heeft geleid. Op grond van diezelfde aanvullende informatie stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 31 januari 2025 in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gesteld van tijd en plaats van de zitting (op 20 maart 2025) en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. In de toelichting staat nog bevestigd dat de opgeëiste persoon de dagvaarding persoonlijk ontvangen heeft (“
he personally received the summons”). De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.

5.Genoegzaamheid

Het standpunt van de raadsvrouw
De verdediging stelt dat het EAB niet genoegzaam is omdat de duur van de resterende vrijheidsstraf onduidelijk is. De verdediging wenst opheldering over de vraag of de voorlopige hechtenis nog in mindering wordt gebracht op de in het EAB genoemde vrijheidsstraf van drie jaar en acht maanden of op de resterende vrijheidsstraf van één jaar en acht maanden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzaam EAB. Het restant van de vrijheidsstraf waarvoor de overlevering wordt verzocht is voldoende duidelijk omschreven in het EAB gelezen in samenhang met het A-formulier. Daarnaast dient een verweer inzake de reststraf volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank in de uitvaardigende lidstaat te worden gevoerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet de duur van het (nog) te executeren deel van de vrijheidsstraf, maar de duur van de opgelegde vrijheidsstraf doorslaggevend is bij de beoordeling van het overleveringsverzoek [5] en dat niet is aangevoerd noch aannemelijk is gemaakt dat, na aftrek van overleveringsdetentie, geen strafrestant overblijft. Het verweer slaagt daarom niet.

6.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten waar de drie veroordelingen op zien, niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hier voor 11 van de 12 feiten aan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen
diefstal, meermalen gepleegd
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd
schennis van de eerbaarheid op een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd
Het toevertrouwen van een voertuig aan een persoon die niet in het bezit is van een rijbewijs levert naar Nederlands recht geen strafbaar feit op. Dat betekent dat de overlevering ten aanzien van dit feit geweigerd kan worden op grond van artikel 7, eerste lid onder b, OLW.
De rechtbank ziet echter aanleiding om van de weigering af te zien. De rechtbank weegt daarbij mee dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft. Het feit is immers begaan in Roemenië, door een onderdaan van Roemenië. Evenmin is sprake van een situatie waarin de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, waardoor de straf door de Nederlandse autoriteiten overgenomen zou kunnen worden. Daarnaast is de overlevering al toelaatbaar voor de overige feiten in het EAB.

7.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden in Roemenië

De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). [6]
Bij brief van 22 april 2026 is door
the Director General of the National Administration of Penitentiaries(Roemenië) ten behoeve van de opgeëiste persoon een detentiegarantie verstrekt waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“Taking into account your request communicated in the file (…) referring to the request of the Dutch authorities, with regard to the detention conditions from which the person[de opgeëiste persoon](date of birth: [geboortedag] .1989 (…)) is to benefit, in the event of his surrender to the Romanian Authorities, we inform you of the following:
In case the person deprived of liberty is surrendered to the Romanian authorities on Bucharest Henri Coandă International Airport, he will be initially handed over to Bucharest — Rahova Penitentiary for the purpose of performing the quarantine period, for 21 days, in a room that shall provide a minimum space of 3 square meters. (…)
After the quarantine period ends, the National Administration of Penitentiaries establishes the penitentiary where he is to serve the custodial sentence, taking into account to be situated as closely as possible to the convict's home place also considering the enforcement regime. (…)
Taking into account the amount of the punishment, most probably he will initially serve the custodial sentence inclosed regime. At the same time, taking into account the person's home place, at the beginning, he is likely to serve the custodial sentence inBacău Penitentiary. (…)
Mr. [de opgeëiste persoon] will benefit from a minimum individual space of 3 square meters, throughout the service of the sentence, (…), including the bed and the afferent furniture,without including the space for the bathroom(…)
(…)”
Het oordeel van de raadsvrouw
In Roemenië is sprake van structurele problemen omtrent de detentieomstandigheden. De uitvaardigende autoriteit heeft een detentiegarantie gegeven voor de opgeëiste persoon, maar deze volstaat niet om het individuele gevaar voor hem weg te nemen. De uitvaardigende autoriteit geeft aan dat hij in eerste instantie in
Bucharest — Rahova Penitentiarygeplaatst zal worden, waarbij een minimale leefruimte van drie vierkante meter wordt gegarandeerd, exclusief sanitair. Er worden ruimtes genoemd met het aantal meters dat in die ruimtes beschikbaar is, maar het is onduidelijk hoeveel mensen er in die ruimte verblijven. De uitvaardigende autoriteit spreekt van niet meer mensen dan het aantal bedden, maar het aantal bedden wordt niet gespecificeerd. Het is onvoldoende zeker dat de ondergrens van drie vierkante meter kan worden gegarandeerd. Bovendien is drie vierkante meter een ondergrens. De uitvaardigende autoriteit benoemt daarbij enkele compenserende factoren: de opgeëiste persoon heeft recht op twee uur wandelen per dag en deelname aan sport en vrijwillige activiteiten. Deze compenserende factoren zijn echter onvoldoende, aangezien deze afhankelijk worden gesteld van de gedragingen van mijn cliënt en een commissie in de penitentiaire inrichting. Na zijn verblijf in
Bucharest — Rahova Penitentiarywordt de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid geplaatst in
Bacău Penitentiary. Hier speelt tevens de voornoemde problematiek. Gewezen wordt ook op de slechte gezondheid van de opgeëiste persoon, die met stukken is onderbouwd. Er bestaat aldus een risico op schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. Om deze reden wordt verzocht om de overlevering te weigeren op grond van artikel 11 OLW Pro.
Het standpunt van de officier van justitie
Er is op 22 april 2026 door de uitvaardigende autoriteit een detentiegarantie voor de opgeëiste persoon afgegeven. Deze detentiegarantie neemt het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon weg. De gezondheidsklachten van de opgeëiste persoon doen hier niet aan af. De uitvaardigende autoriteit garandeert dat gedetineerden te allen tijde toegang hebben tot medische voorzieningen. Artikel 11 OLW Pro staat niet aan de overlevering in de weg.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat zij gelet op het arrest ML van het Hof van Justitie van de Europese
Unie [7] uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken van penitentiaire inrichtingen waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Uit de hierboven vermelde informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste instantie in
Bucharest-Rahova Penitentiaryzal worden geplaatst en daarna naar alle waarschijnlijkheid in
Bacău Penitentiary.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [8] De rechtbank is, gelet op deze individuele detentiegarantie van de Roemeense autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Zowel in de quarantaineperiode van 21 dagen in
Bucharest — Rahova Penitentiaryals in
Bacău Penitentiarywordt immers een persoonlijke ruimte van ten minste 3 m2 gegarandeerd
Voor zover de raadsvrouw met haar verwijzing naar de gezondheid van de opgeëiste persoon heeft willen betogen dat de medische zorg voor gedetineerden in de genoemde penitentiaire instellingen zo slecht is dat voor zieke gedetineerden een reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling worden onderworpen, slaagt haar verweer niet. Zij heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens verstrekt die een dergelijk gevaar in Roemeense gevangenissen onderbouwen. Ambtshalve is de rechtbank niet met zulke gegevens bekend.
In het licht van het vorenstaande vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor het toestaan van de overlevering.

7.Beslissing

HEROPENThet onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in paragraaf 4.1 vermelde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk 7 dagen vóór 25 juni 2026 (einde van de beslistermijn) weer op zitting wordt gepland.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Roemeense taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (
6.Zie o.a. Rb. Amsterdam, 4 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2513.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 87.
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.