Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5984

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
13-099105-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks betwisting aanwezigheid bij zitting

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 juni 2026 een verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Kielce, Polen. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar en tien maanden, waarvan nog bijna twee jaar resteren.

De verdediging betwistte dat de verdachte in eerste aanleg persoonlijk aanwezig was bij de zitting en stelde dat hoger beroep namens hem was ingesteld zonder zijn aanwezigheid, waardoor mogelijk zijn verdedigingsrechten zijn geschonden. De officier van justitie stelde dat de verdachte op 7 maart 2024 wel degelijk persoonlijk was gedagvaard en dat het EAB geen aanwijzingen bevat voor een procedure in hoger beroep.

De rechtbank ging uit van de juistheid van de door de uitvaardigende autoriteit verstrekte informatie en vond onvoldoende bewijs om de behandeling aan te houden. Er werd vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is. Ook werd voldaan aan de dubbele strafbaarheidsvereiste voor zware mishandeling. Gezien het ontbreken van concrete aanwijzingen voor schending van het recht op een eerlijk proces werd de overlevering toegestaan.

De uitspraak werd gedaan door drie rechters en is onherroepelijk. De verdachte zal worden overgeleverd aan Polen voor de uitvoering van de resterende straf.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe voor de uitvoering van de resterende straf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-099105-26
Datum uitspraak: 10 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 7 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 september 2025 door de
Regional Court in Kielce (Sąd Okręgowy w Kielcach), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 2000,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.T. Stoof, als waarnemer voor mr. F.T.J. Stoof, beiden advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Local Court in Kielcevan 11 april 2024, met kenmerk IX K 1302/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, negen maanden en 25 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over het procesverloop in Polen. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard, maar dat hij niet bij de zitting aanwezig is geweest. De opgeëiste persoon heeft echter verklaard dat hij in eerste aanleg in persoon wel bij de zittingen aanwezig is geweest en dat vervolgens namens hem hoger beroep is ingesteld, waarbij hij inderdaad niet aanwezig was. Het is onduidelijk of de opgeëiste persoon in eerste aanleg aanwezig is geweest bij de zitting. Voorts is het onduidelijk of namens de opgeëiste persoon hoger beroep is ingesteld en op welke wijze hij op de hoogte is gebracht van de procedure in hoger beroep. Daardoor kan ook niet worden vastgesteld of de opgeëiste persoon bewust en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro moet worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW van toepassing is, aangezien de opgeëiste persoon op 7 maart 2024 in persoon is gedagvaard. Het EAB biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake is geweest van een procedure in hoger beroep. Het is vaste jurisprudentie van de rechtbank dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De enkele verklaring van de opgeëiste persoon dat de informatie niet klopt, is onvoldoende om daarvan af te wijken. Er bestaat dan ook geen reden om de zaak aan te houden om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over een eventuele procedure in hoger beroep.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. In onderdeel D) van het EAB is aangegeven dat de opgeëiste persoon op 7 maart 2024 in persoon is gedagvaard, daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid en in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt.
Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van de voornoemde informatie. Er zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat de in het EAB verstrekte informatie niet juist is. De enkele verklaring van de opgeëiste persoon dat hij in eerste aanleg bij de zitting aanwezig zou zijn geweest en dat hij hoger beroep zou hebben ingesteld, is daartoe niet voldoende. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De rechtbank stelt daarom vast dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Dat betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is.

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
zware mishandeling.

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 302 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Regional Court in Kielce (Sąd Okręgowy w Kielcach)(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (