Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5906

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
13-382530-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 27 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en verlenging beslistermijn in overleveringsprocedure

De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 mei 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen voor de overlevering van een Poolse onderdaan ter uitvoering van een resterende vrijheidsstraf van vijf maanden en 25 dagen. De opgeëiste persoon betwistte kennisgeving en aanwezigheid bij het hoger beroep, waarop de rechtbank oordeelde dat hij uit eigen beweging afstand had gedaan van zijn recht op persoonlijke verschijning.

De rechtbank beoordeelde de dubbele strafbaarheid van de feiten en concludeerde dat één feit niet aan het Nederlandse strafrecht voldeed, maar zag aanleiding om toch overlevering toe te staan vanwege het ontbreken van aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde en de toelaatbaarheid van het andere feit.

Op grond van artikel 6a OLW werd vastgesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander vanwege langdurig rechtmatig verblijf en het ontbreken van verlies van verblijfsrecht. De rechtbank achtte overname van de strafuitvoering in Nederland passend vanwege het resocialisatiebelang en de banden van de opgeëiste persoon met Nederland.

Omdat het benodigde certificaat en arrest nog niet waren ontvangen, besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen en de beslistermijn met 60 dagen te verlengen, waarbij de geschorste gevangenhouding werd verlengd. Dit gebeurde ondanks het standpunt van het Openbaar Ministerie dat geen uitzonderlijke situatie meer bestond om te verlengen.

De uitspraak werd gedaan door drie rechters en griffier, en is onherroepelijk. De rechtbank benadrukte het belang van het resocialisatiebelang en het vertrouwen in de informatie van de advocaat over kennisgeving en aanwezigheid.

Uitkomst: De rechtbank heropent het onderzoek en verlengt de beslistermijn met 60 dagen in afwachting van ontbrekende documenten voor de overlevering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-382530-24
Datum uitspraak: 4 juni 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 13 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 oktober 2024 door
the District Court in Koszalin, II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van
the Local Court in Koszalinvan 5 april 2016 met kenmerk X K 561/15. Uit onderdeel f) van het EAB blijkt dat bij arrest van
the Supreme Courtvan 21 juni 2017 met kenmerk I KZP 3/17 de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf voorwaardelijk is opgeschort met een proeftijd van vijf jaar. Bij beslissing van
the Local Court in Koszalinvan 20 mei 2021 is de tenuitvoerlegging van de straf bevolen.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vijf maanden en 25 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon is namelijk niet aanwezig geweest bij het proces in hoger beroep. Hoewel een advocaat de verdediging heeft gevoerd, blijkt uit het EAB en de aanvullende informatie niet duidelijk of deze advocaat ook gemachtigd is door de opgeëiste persoon. Daarnaast betwist de opgeëiste persoon zelf dat hij in kennis is gesteld over de procedure. Ook is ten aanzien van de adresinstructie onvoldoende duidelijk of deze ook zag op de procedure in hoger beroep.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Uit de aanvullende informatie van 14 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en dat hij met zijn advocaat heeft besproken dat zij hem ter zitting zou vertegenwoordigen.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het arrest vanthe Supreme Courtvan 21 juni 2017 met kenmerk I KZP 3/17
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Gelet op de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 7 april 2026, waarin staat vermeld dat het arrest van
the Supreme Courtvan 21 juni 2017 de “
final decision in this case as to its substance”was, zal de rechtbank deze beslissing toetsten aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd is een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub b, OLW hier niet aan de orde. Op basis van het dossier kan niet met zekerheid worden vastgesteld of de opgeëiste persoon de advocaat gemachtigd heeft, nog los van de overige voorwaarden waar voor de toepassing van artikel 12, sub b, OLW aan moet zijn voldaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het feit dat een strafrechtelijke procedure tegen hem liep en dat hij in persoon is verschenen bij de zitting in eerste aanleg. Verder blijkt uit de aanvullende informatie dat de oproep voor de zitting bij
the Supreme Courtis gestuurd naar het correspondentieadres van de opgeëiste persoon. Daarnaast is de opgeëiste persoon blijkens de aanvullende informatie op 19 juni 2017 door zijn advocaat Angelika Burzyńska op de hoogte gebracht van die zitting en heeft hij bij de advocaat te kennen gegeven niet op de zitting aanwezig te zullen zijn. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon ter zitting dat hij op de hoogte was van de procedure is dan ook onvoldoende. Op grond van de deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon uit eigen beweging afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.
Ten aanzien van de omzettingsbeslissing vanthe Local Court in Koszalinvan 20 mei 2021
De tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf is door
the Supreme Courtvoorwaardelijk opgeschort met een proeftijd van vijf jaar. Bij beslissing van
the Local Court in Koszalinvan 20 mei 2021 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [5] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro.
Uit onderdeel f) van het EAB blijkt dat de tenuitvoerlegging van de straf is bevolen omdat de opgeëiste persoon zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden die hem waren opgelegd, namelijk het voldoen aan een meldplicht bij de reclasseringsambtenaar en het ondergaan van een behandeling tegen drugsverslaving. Aan de tenuitvoerleggingsbeslissing ligt dus geen nieuw strafbaar feit ten grondslag.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 20 mei 2021 is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [6] Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW Pro hoeft te toetsen dan het arrest van
the Supreme Courtvan 21 juni 2017.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dat de weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro van toepassing is voor feit 2, maar dat kan worden afgezien van toepassing van deze weigeringsgrond omdat de overlevering wel kan worden toegestaan voor feit 1 en het feit geen aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtsorde.
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
Feit 1 levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Ten aanzien van feit 1 is daarom aan het vereiste van dubbele strafbaarheid voldaan.
Voor feit 2 geldt het volgende. Uit de in het EAB vermelde bloedwaarde van de opgeëiste persoon tijdens het rijden onder invloed van drugs blijkt dat deze waarde onder de Nederlandse grenswaarde ligt zoals opgenomen in artikel 3 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Hierdoor levert feit 2 geen strafbaar feit op naar Nederlands recht. Dit brengt mee dat de overlevering op grond van artikel 7, tweede lid onder b geweigerd kan worden.
Artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, OLW betreft een facultatieve weigeringsgrond. Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering, ook als niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om van de weigering af te zien. De rechtbank vindt daarbij redengevend dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft. Het feit is immers begaan in Polen, door een onderdaan van Polen. Daar komt bij dat de overlevering voor een ander (vergelijkbaar) feit wordt toegestaan.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Uit de brief van 1 april 2026 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 25 maart 2025 een duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen na een ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaren. Niet is gebleken dat hij dit verblijfsrecht nadien heeft verloren. Daarmee voldoet de opgeëiste persoon aan de voorwaarde van ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 1 april 2026 volgt dat niet de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn rechtmatig verblijf zal verliezen.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan. Dit betekent dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. Verjaring van het recht op tenuitvoerlegging behoort tot deze weigeringsgronden. De raadsman heeft in dit kader naar voren gebracht dat, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat moet worden uitgegaan van de datum (21 juni 2017) van het arrest van
the Supreme Court, sprake is van verjaring. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. Op grond van artikel 6:1:23, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet immers de datum van de tenuitvoerleggingsbeslissing van 20 mei 2021 als uitgangspunt worden genomen. Gelet op de verjaringstermijn van acht jaar [7] , betekent dit dat verjaring niet aan de orde is.
Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale, culturele en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve zijn belangen in Nederland gevestigd. [8] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Om de straf te kunnen overnemen is, gelet op het arrest
C.J. [9] , toestemming vereist van de Poolse bevoegde autoriteit. Hiervoor is toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van
the Supreme Courtvan 21 juni 2017 nodig. Ondanks het verzoek van het openbaar ministerie zijn deze stukken nog niet door de rechtbank ontvangen. Wel heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 8 mei 2026 de volgende informatie verstrekt:
“(…) we will soon request you to take over the execution of the penalty of 5 (five) months and 25 (twenty five) days of imprisonment adjudged by the judgment of the Local Court in Koszalin in case reference number X K 561/15. Due to the above, it is impossible to provide the requested information within the deadline you indicated.”
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de zaak te heropenen om de toezending van het voornoemde certificaat en een kopie van het arrest af te wachten.
Verlenging van de beslistermijn
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake meer is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW waardoor de beslistermijn niet verder kan worden verlengd. Het arrest
C.J.dateert van acht maanden geleden en is daarom niet nieuw meer en de praktijk moet inmiddels zijn ingericht op de nieuwe situatie die naar aanleiding van dit arrest is ontstaan. Na zoveel maanden kan geen sprake meer zijn van een uitzonderlijke situatie. Aangezien de 90-dagentermijn enkele dagen na de uitspraakdatum zal verstrijken, is er geen ruimte meer om de toestemming van de uitvaardigende justitiële autoriteit in de voor van het certificaat en het vonnis af te wachten. De officier van justitie heeft hieraan de conclusie verbonden dat de overlevering moet worden toegestaan.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat deze zaak bij uitstek geschikt is om de beslistermijn te verlengen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW om toezending van het certificaat en een kopie van arrest af te wachten. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft immers al duidelijk aangegeven dat de straf door Nederland kan worden overgenomen. Het is bijzonder cru om de opgeëiste persoon naar Polen over te leveren enkel en alleen omdat de beslistermijn afloopt, terwijl het resocialisatie belang van de opgeëiste persoon in Nederland ligt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het moeten afwachten van het certificaat en een kopie van het vonnis of arrest in beginsel een uitzonderlijke situatie oplevert in de zin van artikel 22, vierde lid, OLW. De rechtbank heeft inmiddels ruim een half jaar ervaring met de nieuwe praktijk als gevolg van het arrest
C.J.Die ervaring leert dat het in veel gevallen niet mogelijk blijkt tijdig voor het verstrijken van de (tot 90 dagen verlengde) beslistermijn het certificaat en een kopie van het vonnis of arrest te ontvangen van de bevoegde autoriteit. Overleveringszaken worden in de praktijk immers pas na zes tot acht weken op zitting gepland, waarna de uitspraak (over onder meer het gelijkstellingsverweer en het resocialisatiebelang van de opgeëiste persoon) pas twee weken later volgt. Bij toepassing van artikel 6a OLW staat het belang van resocialisatie in de lidstaat waar de opgeëiste persoon het centrum van zijn gezinsleven en/of belangen heeft centraal. Dit belang ligt immers ten grondslag aan zowel de weigeringsgrond van artikel 4, punt 6, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ als aan het Kaderbesluit 2008/909/JBZ. Dit belang komt in het gedrang als de rechtbank, nadat zij heeft geoordeeld dat het resocialisatiebelang van de opgeëiste persoon beter wordt gediend met tenuitvoerlegging van de straf in Nederland, de overlevering toestaat zonder de toestemming voor de overname van de straf in de vorm van toezending van het certificaat en vonnis of arrest af te wachten. Het kan niet de bedoeling van de Uniewetgever zijn geweest dat het resocialisatiebelang van de opgeëiste persoon moet wijken enkel vanwege het verstrijken van de in het Kaderbesluit 2002/584 genoemde termijnen (des te meer in het onderhavige geval waarin de bevoegde autoriteit al heeft toegezegd akkoord te zullen gaan met strafovername in Nederland).
De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en de beslistermijn verlengen met 60 dagen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW onder gelijktijdige verlenging van de – geschorste – gevangenhouding om het certificaat en een kopie van het arrest af te wachten.

7.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [10]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [11]

8.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (
eindigend op 6 augustus 2026), onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk
14 dagen vóór 6 augustus 2026(einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman, en van een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
6.HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 77.
7.Artikel 8 en Pro artikel 176, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 in combinatie met artikel 70, eerste lid onder 2, Wetboek van Strafrecht en artikel 6:1:22, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (
9.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (
10.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
11.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (