Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the District Court in Koszalin, II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
the Local Court in Koszalinvan 5 april 2016 met kenmerk X K 561/15. Uit onderdeel f) van het EAB blijkt dat bij arrest van
the Supreme Courtvan 21 juni 2017 met kenmerk I KZP 3/17 de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf voorwaardelijk is opgeschort met een proeftijd van vijf jaar. Bij beslissing van
the Local Court in Koszalinvan 20 mei 2021 is de tenuitvoerlegging van de straf bevolen.
4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
the Supreme Courtvan 21 juni 2017 de “
final decision in this case as to its substance”was, zal de rechtbank deze beslissing toetsten aan artikel 12 OLW Pro.
the Supreme Courtis gestuurd naar het correspondentieadres van de opgeëiste persoon. Daarnaast is de opgeëiste persoon blijkens de aanvullende informatie op 19 juni 2017 door zijn advocaat Angelika Burzyńska op de hoogte gebracht van die zitting en heeft hij bij de advocaat te kennen gegeven niet op de zitting aanwezig te zullen zijn. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon ter zitting dat hij op de hoogte was van de procedure is dan ook onvoldoende. Op grond van de deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon uit eigen beweging afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.
the Supreme Courtvoorwaardelijk opgeschort met een proeftijd van vijf jaar. Bij beslissing van
the Local Court in Koszalinvan 20 mei 2021 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
the Supreme Courtvan 21 juni 2017.
5.Strafbaarheid
6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
the Supreme Court, sprake is van verjaring. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. Op grond van artikel 6:1:23, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet immers de datum van de tenuitvoerleggingsbeslissing van 20 mei 2021 als uitgangspunt worden genomen. Gelet op de verjaringstermijn van acht jaar [7] , betekent dit dat verjaring niet aan de orde is.
C.J. [9] , toestemming vereist van de Poolse bevoegde autoriteit. Hiervoor is toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van
the Supreme Courtvan 21 juni 2017 nodig. Ondanks het verzoek van het openbaar ministerie zijn deze stukken nog niet door de rechtbank ontvangen. Wel heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 8 mei 2026 de volgende informatie verstrekt:
C.J.dateert van acht maanden geleden en is daarom niet nieuw meer en de praktijk moet inmiddels zijn ingericht op de nieuwe situatie die naar aanleiding van dit arrest is ontstaan. Na zoveel maanden kan geen sprake meer zijn van een uitzonderlijke situatie. Aangezien de 90-dagentermijn enkele dagen na de uitspraakdatum zal verstrijken, is er geen ruimte meer om de toestemming van de uitvaardigende justitiële autoriteit in de voor van het certificaat en het vonnis af te wachten. De officier van justitie heeft hieraan de conclusie verbonden dat de overlevering moet worden toegestaan.
C.J.Die ervaring leert dat het in veel gevallen niet mogelijk blijkt tijdig voor het verstrijken van de (tot 90 dagen verlengde) beslistermijn het certificaat en een kopie van het vonnis of arrest te ontvangen van de bevoegde autoriteit. Overleveringszaken worden in de praktijk immers pas na zes tot acht weken op zitting gepland, waarna de uitspraak (over onder meer het gelijkstellingsverweer en het resocialisatiebelang van de opgeëiste persoon) pas twee weken later volgt. Bij toepassing van artikel 6a OLW staat het belang van resocialisatie in de lidstaat waar de opgeëiste persoon het centrum van zijn gezinsleven en/of belangen heeft centraal. Dit belang ligt immers ten grondslag aan zowel de weigeringsgrond van artikel 4, punt 6, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ als aan het Kaderbesluit 2008/909/JBZ. Dit belang komt in het gedrang als de rechtbank, nadat zij heeft geoordeeld dat het resocialisatiebelang van de opgeëiste persoon beter wordt gediend met tenuitvoerlegging van de straf in Nederland, de overlevering toestaat zonder de toestemming voor de overname van de straf in de vorm van toezending van het certificaat en vonnis of arrest af te wachten. Het kan niet de bedoeling van de Uniewetgever zijn geweest dat het resocialisatiebelang van de opgeëiste persoon moet wijken enkel vanwege het verstrijken van de in het Kaderbesluit 2002/584 genoemde termijnen (des te meer in het onderhavige geval waarin de bevoegde autoriteit al heeft toegezegd akkoord te zullen gaan met strafovername in Nederland).
7.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
8.Beslissing
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest.
eindigend op 6 augustus 2026), onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
14 dagen vóór 6 augustus 2026(einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland.