ECLI:NL:RBAMS:2026:5659

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
12060116 \ EA VERZ 26-39
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen door niet-nakoming re-integratieverplichtingen

De werknemer trad in februari 2022 in dienst bij Ketjen Netherlands B.V. en meldde zich in november 2023 ziek. Een Plan van Aanpak voor re-integratie werd opgesteld, maar de werknemer traineerde het proces door afspraken niet na te komen en niet mee te werken aan mediation, ondanks schriftelijke aanmaningen en een loonstop. De bedrijfsarts adviseerde mediation als voorwaarde voor werkhervatting.

Ketjen verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond wegens verwijtbaar handelen, onderbouwd met een deskundigenoordeel van het UWV. De werknemer voerde verweer over het onrechtmatig gebruik van zijn werktelefoon, geblokkeerde toegang tot werk en communicatieproblemen, maar kon geen geldige reden geven voor het niet meewerken aan mediation.

De kantonrechter oordeelde dat de werknemer verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende medewerking aan re-integratie, met name het niet meewerken aan mediation. Er was echter geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen, mede omdat de werknemer het bestaan van een 40-urige werkweek voor zijn eigen onderneming betwistte en de loonstop geen belemmering voor re-integratie vormde.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 juli 2026, de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij reguliere opzegging zou eindigen. De werknemer heeft recht op transitievergoeding. De proceskosten worden aan de werknemer opgelegd wegens overwegend ongelijk.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juli 2026 wegens verwijtbaar handelen van de werknemer die zijn re-integratieverplichtingen niet nakwam.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12060116 \ EA VERZ 26-39
Beschikking van 6 mei 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KETJEN NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Ketjen,
gemachtigden: mr. J. Niezen en mr. M. Lammers,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties van 13 januari 2025,
- de e-mail van 8 februari 2026 van [verweerder] waarin hij verzoekt de mondelinge behadeling met twee maanden uit te stellen,
- de e-mail van 9 februari 2026 van mr. Lammers waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het uitstelverzoek van [verweerder] ,
- de e-mail van 10 februari 2026 van [verweerder] waarin hij reageert op de e-mail van mr. Lammers,
- de e-mail van 10 februari 2026 van deze rechtbank waarin het uitstelverzoek van [verweerder] wordt afgewezen,
- de mondelinge behandeling van 7 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op 7 april 2026 is de mondelinge behandeling gehouden. Namens Ketjen zijn verschenen [naam 1] , [functie 1] , en [naam 2] , [functie 2] , bijgestaan door mr. Lammers. [verweerder] is verschenen en stond zichzelf bij. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten toegelicht, [verweerder] mede aan de hand van (vooraf toegestuurde) spreekaantekeningen.
1.3.
Ter zitting heeft [verweerder] opnieuw verzocht om de procedure aan te houden. Dit verzoek is afgewezen. Daarvoor was redengevend dat [verweerder] voldoende tijd heeft gehad om een advocaat te benaderen.
1.4.
Na verder debat is beschikking gevraagd en is de datum voor beschikking bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verweerder] is op 14 februari 2022 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Ketjen in de functie van [functie 3] . Op basis van een 40-urige werkweek bedroeg zijn laatstverdiende salaris € 3.671,00 bruto per maand vermeerderd met een gemiddelde toeslag van € 591,03 bruto per maand, 8% vakantietoeslag en 7,5% eindejaarsuitkering. Daarvoor – onduidelijk is hoe lang precies – was [verweerder] werkzaam voor (de rechtsvoorganger van) Ketjen op detacheringsbasis.
2.2.
[verweerder] heeft zich op 27 november 2023 ziekgemeld.
2.3.
Op 29 januari 2024 is een Plan van Aanpak opgesteld, dat door partijen is getekend. Daarin staat van [verweerder] met ingang van 5 februari 2024 zal starten met aangepaste werkzaamheden.
2.4.
Enige dagen daarna, op 4 februari 2024, heeft [verweerder] een e-mail gestuurd aan [naam 3] , [functie 4] , waarin hij schrijft over het gebruik van zijn bedrijfstelefoon door zijn leidinggevende, althans dat die leidinggevende een audiobestand op zijn telefoon heeft beluisterd.
2.5.
De dag erna, 5 februari 2024, is [verweerder] niet op het werk verschenen. Hij heeft zich die dag met een Whatsapp-bericht bij zijn leidinggevende afgemeld.
2.6.
Bij e-mail van 15 februari 2024 heeft [verweerder] aan Ketjen gevraagd om zijn persoonsgegevens te delen. Bij e-mail van 19 februari bevestigt Ketjen de ontvangst van het verzoek van [verweerder] te hebben en deelt hem mee de procedure daaromtrent te zullen volgen. Verder nodigt Ketjen hem uit voor een gesprek op het kantoor van Ketjen om te praten over de re-integratie en zijn persoonlijke omstandigheden.
2.7.
Op 22 februari 2024 laat [verweerder] weten eerst met de bedrijfsarts te willen praten. Ketjen laat daarop aan hem weten dat een nieuwe afspraak bij de bedrijfsarts zal worden gepland en ook dat zij nog steeds een gesprek wil.
2.8.
Op 27 februari 2024 heeft [verweerder] een gesprek gehad met [naam 1] , [functie 1] , en [naam 2] , [functie 2] . [verweerder] heeft in dat gesprek verteld dat hij niet kan starten met re-integreren vanwege een gebrek aan vertrouwen in zijn leidinggevende. Hij heeft toegelicht dat hij zijn werktelefoon een keer heeft gebruikt om een privégesprek met een derde over zijn dochter op te nemen en dat zijn telefoon na zijn ziekmelding door zijn leidinggevende is gebruikt. [naam 1] en [naam 2] hebben in dit gesprek aan [verweerder] voorgesteld om in mediation te gaan.
2.9.
In maart 2024 heeft Ketjen aan [verweerder] verzocht zijn verzoek om persoonsgegevens te delen nader te specificeren. Nadat een reactie van [verweerder] uitbleef, heeft Ketjen antwoord gegeven op het verzoek van [verweerder] .
2.10.
Op 13 maart 2024 is [verweerder] niet op een afspraak bij de bedrijfsarts verschenen. Pas na het tijdstip van de afspraak heeft [verweerder] aan [naam 1] en [naam 2] een e-mail gestuurd waarin hij schrijft dat hij vertraging had en heeft nagedacht over mediation.
2.11.
Bij e-mail van 15 maart 2024 heeft Ketjen [verweerder] gewezen op zijn re-integratieverplichtingen en hem opgeroepen voor een consult bij de bedrijfsarts op 27 maart 2024. Verder heeft Ketjen [verweerder] gewaarschuwd dat zijn loon kan worden opgeschort als hij zijn re-integratieverplichtingen niet nakomt.
2.12.
In april 2024 zijn partijen het eens geworden over een mediator.
2.13.
Op 22 mei 2024 heeft [verweerder] een gesprek met de bedrijfsarts gehad. Die heeft geadviseerd dat partijen met de mediator in gesprek moeten en er daarna gestart kan worden met de re-integratie.
2.14.
Bij brief van 28 mei 2024 heeft Ketjen aan [verweerder] uitleg gegeven over het gebruik van zijn zakelijke telefoon door zijn leidinggevende en geschreven dat het onderzoek met deze uitleg is afgerond.
2.15.
Op 28 juni 2024 heeft Ketjen aan [verweerder] laten weten dat aan hem geen integrale kopie van zijn personeelsdossier zal worden verstrekt, maar dat hij een afspraak kan maken om op kantoor zijn dossier in te zien. [verweerder] heeft meegedeeld dat hij van die mogelijkheid gebruik wil maken. Ketjen heeft daarop een aantal data voorgesteld, maar tot een afspraak is het niet gekomen.
2.16.
Op 22 juli 2024 hebben partijen afgesproken dat het eerste mediationgesprek zal plaatsvinden op 11 september 2024.
2.17.
Op 13 augustus 2024 had [verweerder] een gesprek met de bedrijfsarts die bevestigde dat werkhervatting pas mogelijk is na mediation.
2.18.
Het mediationgesprek op 11 september 2024 is niet doorgegaan, omdat [verweerder] de mediationovereekomst niet wilde tekenen. Daarop heeft de mediator laten weten de mediation te beëindigen.
2.19.
Bij e-mail van 25 september 2024 heeft Ketjen aan [verweerder] een officiële waarschuwing gegeven. Ketjen schrijft dat [verweerder] zijn re-integratieverplichtingen schendt door niet mee te werken aan mediation. [verweerder] wordt verzocht te bevestigen dat hij zich aan zijn re-integratieverplichtingen zal houden en dat hij beschikbaar is voor mediation bij gebreke waarvan zijn loon wordt stopgezet.
2.20.
Bij e-mail van 17 oktober 2024 heeft Ketjen aan [verweerder] verzocht om met een voorstel voor een mediator te komen. Bij e-mail van 23 oktober2024 heeft Ketjen aan [verweerder] verzocht uiterlijk 30 oktober 2024 te laten weten wie hij als geschikte mediator voorstelt, bij gebreke waarvan zijn loon zal worden stopgezet.
2.21.
Bij e-mail van 30 oktober 2024 heeft [verweerder] aan Ketjen meegedeeld dat hij meer tijd nodig heeft.
2.22.
Bij e-mail van 31 oktober 2024 heeft Ketjen aan [verweerder] geschreven dat met ingang van 1 november 2024 de betaling van zijn loon zal worden stopgezet. Verder wordt [verweerder] erop gewezen dat hij op 8 november 2024 een afspraak bij de bedrijfsarts heeft.
2.23.
[verweerder] is op 8 november 2024 niet bij de bedrijfsarts verschenen. 42 minuten na aanvang van het consult heeft [verweerder] een e-mail geschreven aan de bedrijfsarts waarin staat dat hij dacht dat het consult op locatie zou plaatsvinden en hij daarom niet in de online meeting was verschenen.
2.24.
Op 12 december 2024 stuurt Ketjen een brief aan [verweerder] met daarin een tweede officiële waarschuwing, een uitbreiding van de loonstop en de aankondiging dat bij het UWV een deskundigenoordeel over de re-integratie-inspanningen van [verweerder] zal worden aangevraagd.
2.25.
Bij brief van 14 december 2024 heeft [verweerder] betwist dat de loonstop terecht is opgelegd.
2.26.
Op 20 december 2024 heeft [verweerder] een consult gehad bij de bedrijfsarts. Naar aanleiding daarvan adviseert de bedrijfsarts, voor zover van belang, de communicatie tussen partijen zoveel mogelijk te laten verlopen via tussenpersonen. Verder bevestigt de bedrijfsarts dat mediation nog steeds moet worden ingezet.
2.27.
Ketjen heeft daarop aan [verweerder] laten weten dat de communicatie in het vervolg via haar gemachtigde (mr. Lammers) zal gaan.
2.28.
Bij e-mail van 19 januari 2025 aan mr. Lammers schrijft [verweerder] dat hij openstaat voor mediation, maar dat hij daar geen toegevoegde waarde in ziet zolang er geen duidelijkheid is over de huidige situatie en hij nog aanvullende informatie moet ontvangen. Ook vraagt hij wat het doel van de mediation is en verzoek hij om overlegging van zijn personeelsdossier. [verweerder] sluit deze e-mail af met de mededeling dat hij de betrokken personen binnen Ketjen persoonlijk aansprakelijk houdt.
2.29.
Bij e-mail van 27 januari 2025 heeft mr. Lammers aan [verweerder] geschreven dat mediation door de bedrijfsarts is geadviseerd en wat het doel daarvan is. [verweerder] wordt verzocht mee te werken aan het opstarten van mediation, zodat alle onderwerpen besproken kunnen worden. Verder wordt meegedeeld dat het voor Ketjen onacceptabel is dat [verweerder] werknemers persoonlijk aansprakelijk houdt.
2.30.
Bij e-mail van 24 februari 2025 heeft mr. Lammers aan [verweerder] geschreven dat van hem verwacht wordt dat hij meewerkt aan mediation. Verder wordt aan hem gevraagd of het klopt dat hij werkzaamheden verricht voor zijn eigen onderneming [bedrijf] .
2.31.
Bij e-mail van 6 maart 2025 heeft [verweerder] bevestigd dat [bedrijf] bestaat en dat hij daarvoor werkzaamheden verricht.
2.32.
Op 29 maart 2025 is het tweede-spoortraject gestart.
2.33.
In een deskundigenoordeel van 9 mei 2025 heeft het UWV geoordeeld dat [verweerder] onvoldoende meewerkt aan zijn re-integratie door, samengevat, mediation of andere vormen van een gesprek met Ketjen te weigeren.
2.34.
Op 22 mei 2025 heeft [verweerder] [naam 4] als mediator voorgesteld. Ketjen laat de volgende dag weten dat zij kan instemmen met [naam 4] als mediator.
2.35.
Op 11 juli 2025 heeft [verweerder] een bericht van [naam 4] van 9 juli 2025, waarin zij haar werkwijze beschrijft, doorgestuurd aan Ketjen. Op 14 juli 2025 heeft Ketjen aan [verweerder] gevraagd of hij de mediationgesprekken als vertrouwelijk beschouwd, in die zin dat hij deze niet zal opnemen. Op 29 juli 2025 heeft [verweerder] bevestigd dat hij de gesprekken niet zal opnemen. Op 1 augustus 2025 heeft mr. Lammers namens Ketjen akkoord gegeven op de werkwijze van [naam 4] en aan [verweerder] verzocht dit te bevestigen aan [naam 4] en haar te verzoeken contact op te nemen met Ketjen.
2.36.
Bij e-mail van 11 augustus 2025 heeft mr. Lammers aan [verweerder] bericht dat Ketjen nog niet heeft vernomen van [naam 4] . Verder staat in die e-mail dat Ketjen van de bedrijfsarts heeft vernomen dat [verweerder] 40 uur per week voor zijn eigen onderneming werkt en wordt aan hem gevraagd of dit klopt. [verweerder] antwoordt daarop dat hij dit graag in een gesprek met [naam 4] wil bespreken.
2.37.
Op 18 augustus, 2 en 15 september 2025 heeft Ketjen aan [verweerder] gevraagd te reageren op de eindevaluatie die is opgesteld ten behoeve van het UWV.
2.38.
Op 30 oktober 2025 heeft [verweerder] gesproken met de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft geadviseerd niet tot werkhervatting bij Ketjen te komen. Daarna is geen vervolgafspraak ingepland, omdat de periode van 104 weken arbeidsongeschiktheid was verstreken.
2.39.
Tot een mediationtraject bij [naam 4] is het niet gekomen. Partijen hebben nog gesproken over een beëindigingsovereenkomst maar zijn tot een oplossing gekomen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Ketjen verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op het eerste daarvoor rechtens mogelijke moment, primair vanwege verwijtbaar handelen (e-grond), subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond, meer subsidiair vanwege andere omstandigheden (h-grond) en uiterst subsidiair vanwege een combinatie van voormelde gronden (i-grond) en daarbij te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding, met veroordeling van [verweerder] in de proces- en nakosten.
3.2.
Ketjen stelt hiertoe, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende. [verweerder] handelt verwijtbaar door zonder deugdelijke grond niet mee te werken aan zijn re-integratieverplichtingen, meer in het bijzonder het niet willen meewerken aan het oplossen van het geschil door dit geschil niet in mediation bespreekbaar te maken. [verweerder] is schriftelijk aangemaand tot nakoming van zijn re-integratieverplichtingen, zijn loon is stopgezet en het UWV heeft een deskundigenoordeel afgegeven waarin wordt bevestigd dat [verweerder] niet voldoende heeft gedaan aan zijn re-integratie. [verweerder] heeft het re-integratieproces continue getraineerd door afspraken niet na te komen, het niet naleven van controlevoorschriften, laat te reageren op vragen van Ketjen en niet mee te werken aan mediation. Omdat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, maakt hij geen aanspraak op de transitievergoeding.
3.3.
[verweerder] heeft, voor zover voor de beoordeling van belang, als volgt verweer gevoerd. Zijn werktelefoon, waarop een privégesprek over zijn dochter stond opgeslagen, is tijdens zijn ziekte zonder zijn toestemming gebruikt door derden. Intern onderzoeken naar het gebruik van zijn werktelefoon zijn tegenstrijdig en onvolledig. De toegang tot de werkplek en de werksystemen zijn tijdens de re-integratie geblokkeerd. Door de loonstop en de geblokkeerde werktoegang ontstond aanzienlijke stress, financiële druk waardoor het re-integratieproces werd belemmerd. Verzoeken om inzage in persoonsgegevens werden niet correct uitgevoerd. Mediation moest plaatsvinden zonder toegang tot WhatsApp, e-mail en ander communicatie, waardoor [verweerder] zijn kant van het verhaal niet volledig kon onderbouwen. Tijdens het gesprek bij de mediator gaf de leidinggevende van [verweerder] aan geen voorstel te hebben, terwijl hij ondertussen bezig was met een exit strategie. [verweerder] wilde daarom geen zwijgcontract tekenen.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Ketjen verzoekt primair ontbinding op de e-grond. Daaronder wordt verstaan het verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Als hiervan sprake is, heeft de werkgever geen herplaatsingsplicht. Achtergrond hiervan is dat een ontslag op deze grond een sanctie is op ontoelaatbaar gedrag van de werknemer.
4.3.
Verwijtbaar handelen kan onder meer bestaan uit het niet nakomen van re-integratieverplichtingen. Voor ontbinding wegens verwijtbaar handelen omdat de werknemer de re-integratieverplichtingen niet nakomt is vereist dat de werkgever de werknemer eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming en een loonsanctie heeft opgelegd en bij het verzoek een deskundigenoordeel van het UWV in het geding brengt. Aan deze vereisten heeft Ketjen voldaan.
4.4.
De kantonrechter oordeelt dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.5.
Geoordeeld wordt namelijk dat [verweerder] onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn re-integratie. Uit het dossier volgt een patroon van het op het laatste moment afzeggen van afspraken en daarmee het traineren van de re-integratie. [verweerder] zou op 5 februari 2024 starten met aangepaste werkzaamheden, maar die dag heeft hij zich met een Whatsappbericht afgemeld bij zijn leidinggevende. Verder is [verweerder] twee keer zonder voorafgaande afmelding en zonder daarvoor een plausibele verklaring te geven niet verschenen op een consult bij de bedrijfsarts. Op enig moment heeft de bedrijfsarts geadviseerd dat partijen met een mediator in gesprek te gaan en dat [verweerder] pas daarna kan starten met re-integreren. Het meewerken aan mediation kan ook tot de re-integratieverplichtingen behoren (Gerechtshof Den Haag 14 februari 2023, r.o. 4.3., ECLI:NL:GHDHA:2023:250). Gelet op het advies van de bedrijfsarts – eerst mediation en pas daarna starten met re-integreren – behoorde het meewerken aan mediation tot de re-integratieverplichtingen van [verweerder] . [verweerder] heeft niet meegewerkt aan mediation. De eerste keer is de mediation op het laatste moment niet doorgegaan, omdat [verweerder] de mediationovereenkomst niet wilde tekenen. De tweede keer is het, terwijl [verweerder] zelf [naam 4] had voorgedragen en Ketjen akkoord was met [naam 4] , ook niet tot mediation gekomen. [verweerder] heeft daarmee de mogelijkheid belet dat het arbeidsgeschil kon worden weggenomen en hij vervolgens kon werken aan zijn herstel. [verweerder] was het kennelijk niet eens met de afhandeling van zijn klacht over het gebruik van zijn werktelefoon door een leidinggevende en zijn verzoek tot inzage in zijn personeelsdossier, maar dit vormt geen geldige reden om niet in mediation te gaan. Hij had deze zaken juist in de mediationgesprekken aan de orde kunnen stellen.
4.6.
De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op de e-grond. In de wet is bepaald dat herplaatsing bij ontbinding op de e-grond niet in de rede ligt. Daarom hoeft niet beoordeeld te worden of Ketjen voldoende aan herplaatsing heeft gedaan.
4.7.
Vervolgens zal beoordeeld worden of het handelen van [verweerder] ook als ernstig verwijtbaar kan worden gekwalificeerd. Indien daarvan sprake is, dan kan kantonrechter het einde van de arbeidsovereenkomst bepalen op een eerder tijdstip dan – kort gezegd – met inachtneming van de opzegtermijn zou gelden. Verder is de transitievergoeding in een dergelijk geval niet verschuldigd, zij het dat de transitievergoeding geheel of gedeeltelijk kan worden toegekend indien het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
4.8.
Geoordeeld wordt dat [verweerder] wel verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Weliswaar is hij op enig moment werkzaamheden gaan verrichten voor zijn eigen onderneming, maar dat hij zich hier 40 uur per week mee bezighield heeft hij gemotiveerd betwist, zodat het in deze procedure niet is komen vast te staan. Gelet op de loonstop die toen al was opgelegd en het feit dat noch gesteld noch gebleken is dat dit de re-integratie van [verweerder] heeft belemmerd, heeft Ketjen hiervan geen grote (financiële) hinder ondervonden.
4.9.
Dat [verweerder] heeft geschreven dat hij Ketjen en een aantal van haar medewerkers aansprakelijk houdt, verdient zeker niet de schoonheidsprijs, maar dit was ook niet dusdanig intimiderend dat kan worden geconcludeerd dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
4.10.
De conclusie is dat [verweerder] wel verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 juli 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.
4.11.
Hoewel niet door [verweerder] verzocht, betekent bovenstaande dat Ketjen gehouden is tot betaling van de transitievergoeding aan [verweerder] nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
4.12.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van Ketjen worden begroot op € 1.076,00 (€ 139,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 72,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2026,
5.2.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.076,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Otten, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
57170