De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 juni 2026 het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De verdachte wordt verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder afpersing en verboden handelen volgens de Opiumwet, waarvoor nog een reststraf van ruim twee jaar openstaat.
De verdediging voerde onder meer aan dat de detentieomstandigheden in Polen ontoereikend zijn en dat de overlevering onevenredig zou zijn, mede omdat de verdachte zijn leven in Nederland heeft opgebouwd en een van de feiten niet strafbaar is in Nederland. De rechtbank oordeelde dat er geen objectief en actueel bewijs is voor onmenselijke detentieomstandigheden in Polen en dat de structurele gebreken in de Poolse rechtsorde geen concreet individueel gevaar voor de verdachte opleveren.
Verder verwierp de rechtbank het beroep op onevenredigheid, omdat de verdachte niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van alternatieve kaderbesluiten en er geen bijzondere omstandigheden waren die overlevering zouden moeten verhinderen. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn, waardoor de overlevering wordt toegestaan.
De rechtbank nam tevens expliciet op dat de dagen die de verdachte in Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht, van de reststraf in Polen zullen worden afgetrokken conform het toepasselijke kaderbesluit. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.