Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5524

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
13-071622-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 Grondrechten Handvest EUArt. 284 SrArt. 311 SrArt. 312 SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor meervoudige strafbare feiten in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 mei 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteit voor de overlevering van een persoon geboren in 1992 zonder vaste verblijfplaats in Nederland. Het EAB betreft een vrijheidsstraf van drie jaar en één maand, waarvan nog ruim twee jaar resteren, opgelegd door het gerechtshof in Katowice.

De feiten omvatten medeplegen van geweld en bedreiging, diefstal met geweld en bedreiging, en overtredingen van de Opiumwet. De rechtbank stelde vast dat aan de voorwaarden van de Overleveringswet is voldaan, inclusief de vereiste van dubbele strafbaarheid. Hoewel er structurele gebreken zijn in het Poolse rechtssysteem die het recht op een eerlijk proces kunnen bedreigen, was er geen concreet bewijs dat deze gebreken de zaak van de opgeëiste persoon hebben beïnvloed.

De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De uitspraak werd gedaan door voorzitter M. Westerman en rechters L. Baroud en C.M.S. Loven op 2 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-071622-26
Datum uitspraak: 2 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 20 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 december 2025 door
the Circuit Court in Katowice,
V Penal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Polen)
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [de penitentiaire inrichting]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 mei 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor het sluiten van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Circuit Court in Katowicevan 26 juni 2024 met het kenmerk XVI K 215/23.
Blijkens onderdeel F van het EAB is sprake geweest van een procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van
the Court of Appealin Katowice van 2 april 2025 met kenmerk II AKa 546/24.
Onderdeel F maakt verder melding van beslissingen van
the Court of Appealin Katowice van 2 februari 2024 met kenmerk II AKa 103/23 en van
the Circuit Courtin Katowice met kenmerk XVI 255/21. Door de uitvaardigende justitiële autoriteit is desgevraagd in de aanvullende informatie van 15 april 2026 medegedeeld dat laatstgenoemde zaken met kenmerken II AKa 103/23 en XVI 255/21 per abuis in het EAB zijn vermeld. De overlevering wordt enkel verzocht voor het vonnis van
the Circuit Courtin Katowice van 26 juni 2024, met het kenmerk XVI K 215/23, met bijbehorend arrest van
the Court of Appealin Katowice van 2 april 2025 met kenmerk II AKa 546/24.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest van 2 april 2025 heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en één maand, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, vier maanden en 23 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten naar Nederlands recht op:
medeplegen van een ander, door geweld en door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen en te dulden;
meerdaadse samenloop van:diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47, 284, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Katowice,
V Penal Division,Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger griffiers.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (