ECLI:NL:RBAMS:2026:5076

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
25/6758
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 BWArt. 6:265 BWAlgemene OuderdomswetAlgemene nabestaandenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verrekening volledige AOW-uitkering met openstaande vordering gegrond verklaard

Eiser, woonachtig in Turkije en voormalig werknemer in Nederland, kreeg vanaf december 2024 een AOW-pensioen toegekend. Verweerder, de Sociale verzekeringsbank, verrekende dit pensioen volledig met een openstaande vordering wegens onterecht ontvangen ANW-uitkeringen en een opgelegde boete. Eiser betwistte deze verrekening en stelde dat de betalingsregeling onder dwaling en dwang tot stand was gekomen en dat rekening gehouden moest worden met de beslagvrije voet.

De rechtbank oordeelde dat partijen een geldige betalingsregeling hadden getroffen waarbij eiser instemde met volledige verrekening van zijn AOW-uitkering. Civielrechtelijke aspecten zoals dwaling en dwang konden in deze bestuursrechtelijke procedure niet worden beoordeeld. Eiser had onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie en kon niet aantonen dat hij onder het bestaansminimum kwam.

Verweerder had daarom terecht geen rekening gehouden met de beslagvrije voet. Ook was er geen sprake van onzorgvuldig handelen of een onevenredig besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de volledige verrekening van de AOW-uitkering met de openstaande vordering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/6758

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Turkije, eiser

(gemachtigde: mr. A. Karacelik),
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigden: mr. P.C. van der Voorn en mr. P.C.A. Buskens).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de volledige verrekening van een openstaande vordering op zijn AOW-pensioen [1] .
Met het primaire besluit van 17 maart 2025 heeft verweerder aan eiser vanaf 1 december 2024 een AOW-pensioen toegekend ter hoogte van 76% van een volledig pensioen voor een gehuwde. Aangezien eiser een openstaande vordering heeft bij verweerder, verrekent verweerder dit bedrag met het volledige pensioen van eiser. Eiser zal geen AOW-pensioen ontvangen, zolang de vordering nog niet is voldaan. Met het bestreden besluit van 7 november 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2026. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Totstandkoming van de besluiten

1. Eiser heeft van 23 juli 1976 tot en met 24 januari 2014 in Nederland gewerkt en was gedurende die periode verzekerd voor de Nederlandse sociale verzekeringen. Met ingang van 25 januari 2014 woont eiser in Turkije.
2. In de periode van 1 april 2004 tot en met februari 2016 heeft eiser een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW) ontvangen, zijnde een uitkering voor nabestaanden van een overleden partner. Nadien heeft eiser gemeld dat hij sinds september 2010 opnieuw is gehuwd. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de over de periode van september 2010 tot en met februari 2016 ten onrechte ontvangen ANW-uitkering van eiser teruggevorderd tot een bedrag van € 79.302,58. Daarnaast heeft verweerder eiser wegens schending van de inlichtingenplicht een boete opgelegd van € 8.100,-. Eiser heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte onaantastbaar zijn geworden.
3. Vanaf 2018 heeft verweerder getracht in contact te treden met eiser om het onverschuldigd betaalde bedrag te innen. Omdat eiser niet reageerde, heeft verweerder een gerechtsdeurwaarder in Nederland ingeschakeld. Dit heeft echter niet tot invordering geleid, nu eiser geen inkomen of vermogen in Nederland had. Vervolgens is verweerder, met inschakeling van een Turkse advocaat, een invorderingsprocedure in Turkije gestart en heeft verweerder getracht beslag te leggen op een half aandeel in een onroerende zaak van eiser. Bij deze poging is gebleken dat dit halve aandeel op dezelfde dag was verkocht voor 7.000 Turkse lira, terwijl de marktwaarde van dat aandeel op dat moment 332.563,50 Turkse lira bedroeg. Het aandeel was overgedragen aan de partner van eiser, waardoor beslaglegging niet meer mogelijk was. Daarop heeft verweerder de zaak voorgelegd aan de civiele rechter in Turkije, die de koopovereenkomst vervolgens nietig heeft verklaard.
4. Onder druk van een dreigende executieverkoop van een woning heeft eiser contact opgenomen met een Turks beslagbureau. Op 22 april 2021 heeft hij een verklaring ondertekend waarin hij toezegt de schuld te zullen aflossen met zijn toekomstige AOW-pensioen. Met de in de inleiding genoemde besluitvorming heeft verweerder, gelet op deze verklaring, het volledige AOW-pensioen van eiser verrekend met de openstaande vordering. Volgens verweerder is in feite een betalingsregeling getroffen, waarbij eiser toestemming heeft gegeven om zijn gehele AOW-pensioen te verrekenen met de openstaande schuld. Omdat deze afspraak is gemaakt, ziet verweerder geen reden om eiser verdere uitstel van betaling te geven of de beslagvrije voet toe te passen.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden heeft besloten het AOW-pensioen van eiser volledig te verrekenen met de openstaande vordering, zolang deze nog niet is voldaan. De rechtbank ziet zich daarbij in het bijzonder voor de vraag gesteld of verweerder eiser aan de gemaakte betalingsregeling mocht houden.
6.1.
Eiser heeft gesteld dat de betalingsregeling tot stand is gekomen op basis van een onjuiste feitelijke grondslag. Volgens eiser was verweerder slechts bevoegd beslag te leggen op een perceel grond waarvan hij mede-eigenaar is, en niet op de woning waarvan hij geen eigenaar is. Onder de dreiging van beslaglegging heeft eiser, naar hij aanvoert, de betalingsregeling onder invloed van dwaling en dwang gesloten. Om die reden kan de betalingsregeling hem niet worden tegengeworpen.
6.2.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser aan de betalingsregeling kan worden gehouden. Volgens verweerder bevindt zich op het betreffende perceel wel degelijk een woning. Ter onderbouwing heeft verweerder op de zitting fotomateriaal getoond waaruit volgens hem blijkt dat op het perceel een woning staat. Hoewel verweerder bereid is een nieuw voorstel van eiser voor een betalingsregeling te overwegen, stelt hij dat zijn vertrouwen in eiser aanzienlijk is afgenomen. Volgens verweerder heeft eiser zich herhaaldelijk onwaarachtig uitgelaten en geprobeerd handelingen te verrichten die nadelig zouden zijn voor verweerder. Aangezien eiser op dit moment nog steeds geen volledige openheid van zaken heeft gegeven, houdt verweerder hem aan de gemaakte afspraak.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat de terugvordering van eiser volledig wordt verrekend met zijn AOW-pensioen. Partijen staat het in beginsel vrij dergelijke afspraken te maken en de inhoud van die afspraken mag afwijken van de wet. [2] In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan het bestaan van deze afspraak te twijfelen. Voor zover eiser heeft betoogd dat deze overeenkomst wegens dwaling of dwang vernietigbaar is, overweegt de rechtbank dat dit civielrechtelijke aspecten betreffen, die in deze bestuursrechtelijke procedure niet ter beoordeling staan. Eiser heeft desgevraagd ter zitting aangegeven zich nog niet tot de civiele rechter te hebben gewend met een verzoek tot vernietiging van deze overeenkomst. De rechtbank gaat daarom uit van de tussen partijen gemaakte afspraak. Verweerder mag eiser in beginsel aan deze afspraak houden. Dit kan slechts anders zijn indien de inhoud van de afspraak in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde, wat inhoudt dat de afspraak zozeer in strijd is met hetgeen de wettelijke regeling – over het geheel bezien – ter zake bepaalt, dat partijen niet op nakoming daarvan mochten rekenen.
7.1.
Eiser stelt dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. Door het AOW-pensioen volledig in te houden, wordt eiser ontnomen van zijn enige bron van inkomen en onder het sociaal minimum gebracht. De opvatting van verweerder dat het treffen van een betalingsregeling de toepassing van de beslagvrije voet uitsluit, acht eiser onhoudbaar. Volgens eiser heeft verweerder voorts onzorgvuldig gehandeld door na te laten hiernaar onderzoek te doen.
7.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder in dit geval niet zonder meer gehouden was rekening te houden met de beslagvrije voet. Eiser heeft met verweerder een overeenkomst gesloten op grond waarvan zijn volledige AOW-pensioen wordt verrekend. Verweerder mocht er daarom in beginsel van uitgaan dat eiser voor deze periode maatregelen had getroffen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Voor zover eiser stelt dat bij de afspraak tussen partijen wel rekening moest worden gehouden worden met de beslagvrije voet en dat de inhoud van de afspraak hierdoor in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde, ligt het op de weg van eiser om dit aannemelijk te maken.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd, geen aanleiding hoefde te zien rekening te houden met de beslagvrije voet. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geen inzicht heeft verschaft in zijn inkomenspositie, noch in die van zijn echtgenote. De stelling dat eiser onder het bestaansminimum leeft is niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Zo heeft eiser bijvoorbeeld niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij en zijn partner reeds geruime tijd in hun levensonderhoud voorzien zonder enige vorm van inkomen. Voorts betrekt de rechtbank dat sprake is van nog meer onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in de door eiser verstrekte informatie, onder meer nu eiser heeft gesteld dat zich geen woning op zijn perceel bevindt, terwijl verweerder over informatie beschikt die hiermee niet strookt. Het is onduidelijk of eiser inkomsten uit deze woning ontvangt, aangezien hij samen met zijn echtgenote in een andere woning verblijft. Bovendien heeft eiser een bankrekeningoverzicht overgelegd, maar in zijn AOW-aanvraag heeft hij verzocht om uitbetaling op een andere bankrekening waarover geen gegevens bekend zijn, wat de onduidelijkheid over zijn financiële situatie vergroot. Tegen deze achtergrond heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat onvoldoende inzicht is verkregen in de financiële omstandigheden van eiser. De rechtbank volgt verweerder hierin. Het ligt op de weg van eiser om zijn standpunten te onderbouwen en in dit kader voldoende openheid van zaken te geven. Daar is eiser niet in geslaagd. Van onzorgvuldig handelen van verweerder is niet gebleken.
8. De rechtbank ziet tot slot geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit onevenredig is. Daarbij houdt de rechtbank er rekening mee dat verweerder heeft gehandeld binnen de grenzen van zijn bevoegdheid en overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraak. Verder heeft eiser onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële omstandigheden. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de nadelige gevolgen van het besluit voor eiser onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft onder deze omstandigheden de openstaande vordering mogen verrekenen met het volledige AOW-pensioen van eiser.
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van hoger beroep kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet.
2.Zie het arrest van de Hoge Raad van 9 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7728 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:372.