Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4944

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
13-071013-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederland-België ondanks detentieomstandigheden en genoegzaam Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 mei 2026 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 17 oktober 2025. De verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij het opzetten en exploiteren van een drugslab in België waar 300 kilo MDMA werd aangetroffen.

De verdediging voerde een genoegzaamheidsverweer aan, stellende dat het EAB onvoldoende concreet was om het specialiteitsbeginsel te waarborgen, en betoogde dat de detentieomstandigheden in België, met name in de gevangenis van Ieper, onmenselijk zouden zijn. De rechtbank verwierp het genoegzaamheidsverweer, oordelend dat het EAB voldoende concreet was en het specialiteitsbeginsel gewaarborgd.

Met betrekking tot de detentieomstandigheden stelde de rechtbank vast dat er een algemeen gevaar bestaat voor onmenselijke behandeling in Belgische gevangenissen, maar dat de door België verstrekte garanties, waaronder voldoende leefruimte, sanitaire voorzieningen en dagactiviteiten, dit gevaar voor de verdachte wegnemen. De rechtbank verwierp het verweer dat de situatie vergelijkbaar is met die in Polen en zag geen aanleiding tot nadere vragen aan de Belgische autoriteiten.

De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan België toe ondanks bezwaren over detentieomstandigheden en genoegzaamheid van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-071013-26
Datum uitspraak: 21 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 oktober 2025 door de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB, gelezen in combinatie met het A-formulier, vermeldt een aanhoudingsmandaat bij verstek, afgeleverd door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, op 17 oktober 2025, met kenmerk 2025/086.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is. Uit het EAB blijkt de verdenking tegen de opgeëiste persoon en zijn betrokkenheid daarbij onvoldoende om het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. De behandeling van de zaak moet daarom worden aangehouden, om hierover nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te kunnen stellen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. De feiten, de periode waarin de feiten gepleegd zouden zijn, de plaats en de mate van betrokkenheid zijn voldoende concreet omschreven om het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. Daarbij komt dat het een vervolgings-EAB betreft, zodat de precieze gang van zaken nog niet volledig uitgekristalliseerd hoeft te zijn.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzaam EAB. Uit de feitenomschrijving volgen de pleegplaatsen, pleegperiode, de rol van de opgeëiste persoon – in het A-formulier, behorende bij het EAB staat nogmaals nadrukkelijk vermeld dat de opgeëiste persoon als dader wordt aangemerkt – en de beschrijving van de feiten. De opgeëiste persoon wordt er kort gezegd van verdacht dat hij in de periode van 11 november 2024 tot en met 12 april 2025 in Zedelgem en elders in België zich zou hebben ingelaten met het opzetten en exploiteren van een drugslab waar (op dan wel kort na 12 april 2025) onder meer 300 kilo MDMA is aangetroffen. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd.
De rechtbank verwerpt het verweer en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.
Wel ziet de rechtbank aanleiding met betrekking tot het specialiteitsbeginsel nog het volgende op te merken. In onderdeel e) van het EAB staat vermeld:
“Dit bevel heeft betrekking op in totaal nog nader te bepalen strafbare feiten.”
Verder staat in het A-formulier als pleegperiode vermeld:
“In a non time-barred period to date”
Dit wekt de indruk dat de Belgische autoriteiten niet uitsluiten dat verder onderzoek nog de verdenking van andere feiten aan het licht zou kunnen brengen. De overlevering wordt echter slecht toegestaan voor het thans in het EAB omschreven feitencomplex, zoals dat hiervoor is samengevat. Op eventuele andere vóór de overlevering begane feiten is in beginsel [4] het bepaalde in artikel 27 Kaderbesluit Pro 2002/584/JBZ van toepassing.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon is een Nederlander, maar heeft geen beroep gedaan op artikel 6 OLW Pro. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie.

6.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [5]
De rechtbank stelt vast dat er bij brief van 23 maart 2026, afkomstig van de Administratief expert voor de Minister bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, te Brussel, de volgende garantie voor de opgeëiste persoon is gegeven.
"1.In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Ieper indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2.Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of schermo Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandighedenAls algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren."

Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich – onder overlegging van het Jaarverslag 2025 van de commissie van toezicht Ieper – op het standpunt gesteld dat overlevering van de opgeëiste persoon tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) zal leiden. Onder meer heeft zij er op gewezen dat in dat rapport beschreven staat dat door de overbevolking de toegang tot activiteiten in 2025 is afgebouwd.
De raadsvrouw heeft een vergelijking gemaakt tussen het gebrek aan activiteiten buiten de cel in België en het algemeen gevaar van schending van grondrechten dat de rechtbank voor
remand prisonsin Polen heeft aangenomen [6] , waar voorlopig gehechten structureel drieëntwintig uren per dag op cel doorbrengen en in welke zaken daarom sindsdien garanties worden gevraagd over hoeveel uur voorlopig gehechten per dag buiten de cel kunnen doorbrengen.
Gelet op de mate van overbevolking en het gebrek aan activiteiten buiten de cel zoals die naar voren komen uit het Jaarverslag, is de afgegeven garantie niet afdoende. Bovendien zijn er gegronde redenen om te twijfelen of de verstrekte garantie nog wel kan worden nagekomen, zodat hierover vragen moeten worden gesteld aan de Belgische autoriteiten. Hiervoor moet de behandeling van de zaak worden aangehouden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. Het overgelegde rapport bevestigt het aangenomen algemeen gevaar. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet echter worden uitgaan van de geboden garantie, die het algemeen gevaar dat door de rechtbank is aangenomen voor de opgeëiste persoon wegneemt.
Het oordeel van de rechtbank
In zijn arrest van 5 april 2016 (ECLI:EU:C:2016:198, Aranyosi en Căldăraru, punt 78) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel of sprake is van een reëel gevaar moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, moet de rechtbank beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen.
Tijd buiten de cel
De rechtbank vat het standpunt van de raadsvrouw zo op dat zij heeft betoogd dat gedetineerden in België, met name in Ieper, net als voorlopig gehechten in
remand prisonsin Polen, het risico lopen te worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende omstandigheden, doordat zij structureel drieëntwintig uur per dag op cel moeten verblijven. Dit moet er toe leiden dat het algemeen gevaar ten aanzien van gedetineerden in Ieper moet worden uitgebreid, althans dat hierover nadere vragen moeten worden gesteld. Door de raadsvrouw is daartoe een Jaarverslag 2025 van de commissie van toezicht van Ieper overgelegd.
De rechtbank heeft eerder uiteengezet dat de situatie in het Poolse
remand regimeen de Belgische detentieomstandigheden niet zonder meer vergelijkbaar zijn. [7] Het uitgangspunt bij het aangenomen algemene reële gevaar ten aanzien van het Poolse
remand regimeligt in het grote aantal uren dat preventief gehechten in hun cel moeten doorbrengen, gezien het min of meer vast beleid dat inherent is aan het regime in voorlopige hechtenis. Het zwaartepunt bij het vaststellen van het algemene gevaar ten aanzien van Belgische penitentiaire inrichtingen ligt (voor zover hier van belang) bij de zogenaamde ‘grondslapers’ en de overbevolking.
Het door de raadsvrouw overgelegde Jaarverslag werpt geen nieuw licht op dit aspect van de Belgische detentieomstandigheden. Daarin leest de rechtbank immers niet dat overgeleverde personen in Ieper structureel drieëntwintig uur per dag op cel moeten doorbrengen.
De raadsvrouw heeft dit standpunt daarom niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd. Uit het rapport van de commissie van toezicht van Ieper over 2025 blijkt wel dat de activiteiten buiten de cel onder druk staan door de overbevolking maar dit is onvoldoende om hieruit de conclusie te trekken dat het algemeen gevaar ten aanzien van gedetineerden in Ieper moet worden uitgebreid.
In de hiervoor geciteerde detentiegarantie is bovendien opgenomen dat er verschillende dagactiviteiten buiten de cel, zoals wandelingen en familiebezoek voorzien zijn. Weliswaar zijn er wachtlijsten voor sport en arbeid, maar dat maakt nog niet dat ervan moet worden uitgegaan dat de garantie op dit punt niet wordt nageleefd.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar van onmenselijke behandeling in detentie bestaat op dit punt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsvrouw op dit punt wordt verworpen.
Het eerder aangenomen algemene reële gevaar ten aanzien van de overbevolking
Ten aanzien van het eerder aangenomen algemeen gevaar dat ziet op de overbevolking overweegt de rechtbank als volgt.
De voormelde detentiegarantie is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. In dat geval dient de rechtbank de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [8] Voornoemd jaarverslag waarop door de raadsvrouw is gewezen vormt naar het oordeel van de rechtbank een bevestiging van het algemene gevaar. De rechtbank is, gelet op de toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat dat hij aan een onmenselijke of vernederende behandeling wordt onderworpen, omdat het gevaar daarvan met deze garantie voor hem is weggenomen. Bovendien is door de Belgische autoriteiten in de zaken waarin navraag is gedaan of de detentiegarantie gelet op voornoemde omstandigheden nog wel kon worden nageleefd, zoals bijvoorbeeld in Mechelen, nogmaals gegarandeerd dat verstrekte detentiegaranties ondanks de overbevolking worden nageleefd. [9]
De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mr. B.M. Vroom–Cramer en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 1 december 2008, Leymann, ECLI:EU:C:2008:669.
6.Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.
7.Uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 29 januari 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:553).
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 12 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2533.