Beoordeling door de rechtbank
In de zaak met nummer 25/5180
Wat voorafging aan het bestreden besluit 1
3. Met een besluit van 24 mei 2023 is aan eiser vanaf 10 mei 2023 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande.
4. Uit een rapport van 21 februari 2025 volgt dat de klantbegeleider van eiser heeft verzocht om de huur van eiser rechtstreeks in te houden op zijn uitkering en over te maken aan Stadgenoot. Dit om woningontruiming te voorkomen. Eiser heeft een achterstand van twee maanden huur.
5. Met een brief van 14 mei 2025 is eiser uitgenodigd voor een gesprek op kantoor op maandag 19 mei 2025. Eiser is verzocht om verschillende gegevens aan te leveren. Deze brief is persoonlijk bezorgd.
6. Met een besluit van 20 mei 2025 is de uitkering van eiser opgeschort. Eiser is niet verschenen op het gesprek op 19 mei 2025. Eiser is in de gelegenheid gesteld om de gevraagde gegevens aan te leveren uiterlijk op 25 mei 2025 en hij is uitgenodigd voor een gesprek op 27 mei 2025.
7. Verweerder heeft zijn bevindingen ten aanzien van het rechtmatigheidsonderzoek vastgelegd in een rapport van 27 mei 2025.
8. In een rapport beëindigingsonderzoek van 2 juni 2025 is vastgelegd dat het uitgevoerde onderzoek heeft uitgewezen dat de bijstandsuitkering moet worden ingetrokken vanaf 19 mei 2025 omdat eiser niet heeft meegewerkt aan het onderzoek. Hij is niet verschenen naar aanleiding van de oproepen.
9. Met het besluit van 4 juni 2025 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser vanaf 19 mei 2025 ingetrokken. Volgens verweerder is het niet mogelijk om het recht op bijstand vast te stellen. Eiser is niet verschenen op het gesprek van 19 mei 2025 en hij heeft niet gereageerd op de tweede oproep op 27 mei 2025. Daarnaast wordt de betaling van de huur gestopt. Eiser moet de huur vanaf juni zelf betalen. Verweerder heeft aan het primaire besluit 1 de schending van de medewerkingsplicht in de zin van artikel 17, tweede lid, van de Pw ten grondslag gelegd.
10. Uit een klantnotitie van 1 juli 2025 blijkt dat eiser telefonisch contact heeft opgenomen met verweerder nadat hij zijn uitkering niet had ontvangen.
11. Eiser heeft op 31 juli 2025 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit 1.
12. Met een brief van 5 augustus 2025 heeft verweerder eiser gevraagd naar de reden voor het te laat indienen van zijn bezwaar.
13. Uit een verslag informele/passende aanpak en een e-mail van 13 augustus 2025 van een medewerker van verweerder volgt dat met eiser is gesproken in het kader van een hoorzitting inzake het bezwaar tegen de terugvordering. In de e-mail staat dat eiser tot 20 augustus 2025 in de gelegenheid wordt gesteld om de reden kenbaar te maken voor het te laat indienen van het bezwaar tegen het besluit waarbij zijn uitkering is ingetrokken.
14. Eiser heeft in zijn e-mail van 14 augustus 2025 aangegeven dat hij door nalatigheid en niet kunnen inloggen in zijn e-mail en DigiD te laat bezwaar heeft gemaakt. Zijn focus lag op zijn gezondheid. Zijn dochter deed er alles aan om het zo snel mogelijk in te dienen. Voor vragen kan verweerder contact opnemen met zijn dochter en hij verwijst naar haar contactgegevens.
15. Met het bestreden besluit 1 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder leidt de reden die eiser op 14 augustus 2025 heeft gegeven voor het te laat indienen van het bezwaar niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
16. Eiser voert (samengevat) aan dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het bestreden besluit 1 is in strijd met het motiveringsbeginsel. Verweerder heeft nagelaten te motiveren waarom de aangevoerde reden niet tot verschoonbaarheid leidt. Daarnaast is het in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht waarom het bezwaar te laat is ingediend. Eiser verwijst naar het telefooncontact van 1 juli 2025. Hij heeft toen al aangegeven dat hij het niet eens is met het intrekkingsbesluit. Dat hij vervolgens slechts twee weken te laat is, is dan ook verschoonbaar. Door het terugvorderingsbesluit van 3 juli 2025 ging eiser ervan uit dat hij langer de tijd had om bezwaar te maken. De medewerker van het klantcontactcentrum heeft eiser er niet op gewezen dat de termijn om bezwaar te maken tegen het intrekkingsbesluit al bijna verliep. Eiser had op dat moment geen rechtsbijstand en was afhankelijk van zijn dochter. Volgens eiser is de indruk gewekt dat beide bezwaren van 31 juli inhoudelijk zouden worden behandeld. Eiser heeft op verzoek de redenen voor het te laat indienen op de e-mail gezet naar aanleiding van de hoorzitting van 13 augustus 2025. Eiser is onvoldoende digitaal vaardig en heeft ook het telefoonnummer van zijn dochter genoemd. Verweerder heeft nagelaten om een nadere toelichting aan zijn dochter te vragen. De persoonlijke omstandigheden van eiser zijn ten onrechte niet betrokken in het bestreden besluit 1. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn gezondheidssituatie naar de stukken van het OLVG. Eiser voert verder aan dat een en ander in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het intrekken van de uitkering is erg ingrijpend geweest en is voor eiser een belastend besluit. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn betoog naar een uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 maart 2022en een uitspraak het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024.In bepaalde gevallen moeten bestuursorganen bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding meer rekening houden met bijzondere omstandigheden. Eiser benadrukt tot slot dat hij door de intrekking in ernstige financiële problemen is geraakt. Bovendien was verweerder op de hoogte van zijn financiële kwetsbaarheid. Eiser wijst erop dat zijn huur rechtstreeks werd ingehouden op zijn uitkering en er geen telefoonnotities in het dossier zitten waaruit volgt dat hij niet bereikbaar was.
Het oordeel van de rechtbank
17. De beroepsgrond dat het bestreden besluit 1 in strijd is met het motiveringsbeginsel, slaagt. In het bestreden besluit 1 is in het geheel niet gemotiveerd waarom de door eiser genoemde redenen geen verschoonbaarheid opleveren.
18. Dit gebrek is niet hersteld in het verweerschrift omdat daarin alleen is gewezen op de telefoonnotitie van 1 juli 2025 zonder daarbij in te gaan op alle beroepsgronden die eiser in dit kader heeft aangevoerd. De door verweerder op zitting gegeven toelichting vindt de rechtbank ook onvoldoende. Zo is niet ingegaan op de aangevoerde persoonlijke omstandigheden tezamen en de relatief korte termijnoverschrijding. Ook bij geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding kan immers aanleiding bestaan deze niet aan de indiener toe te rekenen.
19. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
In de zaak met nummer 25/5181
Totstandkoming van het bestreden besluit 2
20. Met een besluit van 3 juli 2025 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat het recht op een uitkering is ingetrokken omdat hij niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht. Hij heeft verweerder niet, niet op tijd of niet volledig geïnformeerd. Eiser heeft daarom te veel bijstand ontvangen over de periode van 1 mei 2025 tot en met 31 mei 2025. Verweerder vordert een bedrag van € 564,22 terug.
21. Eiser heeft op 31 juli 2025 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit 2.
22. Met het bestreden besluit 2 is het bezwaar van eiser gegrond verklaard. De periode waarover de bijstand wordt teruggevorderd wordt gewijzigd in 19 mei 2025 tot en met 31 mei 2025. Het terugvorderingsbedrag blijft echter ongewijzigd. Volgens verweerder is de grond dat eiser naar de verkeerde locatie is gereden ongegrond. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen de hoogte van het terugvorderingsbedrag. Verweerder gaat er daarom vanuit dat eiser zich hierin berust. Daarnaast heeft eiser geen dringende redenen aangevoerd om van terugvordering af te zien. Bij de invordering wordt rekening gehouden met de draagkracht van eiser en de hoogte van de beslagvrije voet.
23. Eiser voert aan dat de intrekking onterecht is geweest. Om die reden kan ook de terugvordering geen standhouden. Daarnaast is eiser het in het geheel niet eens met de terugvordering en ook niet met het bedrag. In het kader van de dringende redenen is de door verweerder gemaakte belangenafweging onvoldoende. Verweerder had moeten meewegen dat hij de tweede uitnodiging voor een gesprek niet heeft ontvangen. Eiser wilde wel meewerken aan het rechtmatigheidsonderzoek. Zijn financiële problemen zijn aanzienlijk verergerd. Verder heeft verweerder niet meegewogen dat het bezwaar tegen de intrekking door hem niet-ontvankelijk is verklaard. Door enkel te stellen dat bij invordering van de schuld rekening wordt gehouden met draagkracht en de hoogte van de beslagvrije voet, wordt geen blijk gegeven van een persoonlijke belangenafweging die volgens eiser hier wel op zijn plaats is. Eiser stelt dan ook dat verweerder een actievere en burgergerichte houding had moeten aannemen bij de begeleiding van eiser bij het behandelen van zijn bezwaren. Eiser gaf immers tijdens de hoorzitting aan dat hij op het verkeerde been was gezet met betrekking tot het wachten met het indienen van een nieuwe aanvraag en dat hij de hulp van zijn dochter nodig heeft om een nieuwe aanvraag in te dienen, gezien hij zelf niet digitaal vaardig is. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2023.De bijstandsuitkering is een vangnet. Eiser vindt dat het vertrouwen in de bijstandsgerechtigde weer het uitgangspunt moet worden en hij wijst op een onderzoeksprogramma van het Kenniscentrum Ongelijkheid waarin een lijst met aanbevelingen is gegeven.
Het oordeel van de rechtbank
24. De beroepsgrond dat de terugvordering geen stand kan houden, slaagt. De rechtbank overweegt op de eerste plaats het volgende. Aan het primaire besluit 1 is de schending van de medewerkingsplicht ten grondslag gelegd en niet, zoals in het primaire besluit 2, wordt gesuggereerd schending van de inlichtingenplicht.
25. Het voorgaande betekent dat de terugvordering niet kan worden gebaseerd op artikel 58, eerste lid, van de Pw, zoals is genoemd in het primaire besluit 2 en het bestreden besluit 2. Bovendien is terugvordering in het geval van schending van de medewerkingsplicht een discretionaire bevoegdheid en vereist een andere, meer omvattende belangenafweging, dan bij de schending van de inlichtingenplicht. Zo heeft eiser aangevoerd dat hij niet opzettelijk de medewerkingsplicht heeft geschonden. Deze afweging moet verweerder nog maken. Daarbij komt dat verweerder ook opnieuw moet beslissen op het bezwaar gericht tegen de intrekking. Hetgeen eveneens een nieuwe beoordeling ten aanzien van de terugvordering mogelijk noodzakelijk maakt.
26. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren omdat het bestreden besluit 2 niet berust op een juiste grondslag. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit 2 te herroepen en te bepalen dat het terugvorderingsbedrag wordt vastgesteld op nihil.