Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4735

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
25/5180 en 25/5181
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 2 PwArt. 58 lid 1 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending medewerkingsplicht

Eiser ontving vanaf mei 2023 een bijstandsuitkering. Verweerder trok deze uitkering in per 19 mei 2025 wegens niet-naleving van de medewerkingsplicht, nadat eiser niet was verschenen op gesprekken en niet de gevraagde gegevens had aangeleverd. Tevens werd een terugvordering van €564,22 ingesteld over de periode mei 2025.

Eiser maakte bezwaar tegen zowel de intrekking als de terugvordering. Het bezwaar tegen de intrekking werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening, terwijl het bezwaar tegen de terugvordering wel gegrond werd verklaard maar het bedrag ongewijzigd bleef. Eiser voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege gezondheidsproblemen en digitale onvaardigheid, en dat de terugvordering onterecht was omdat de intrekking onrechtmatig was.

De rechtbank oordeelde dat het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de intrekking onterecht was, omdat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de terugvordering niet op een juiste grondslag berustte, omdat deze was gebaseerd op de inlichtingenplicht terwijl de intrekking was gebaseerd op de medewerkingsplicht. De rechtbank vernietigde beide bestreden besluiten, bepaalde dat verweerder opnieuw op het bezwaar moet beslissen en stelde het terugvorderingsbedrag op nihil vast.

Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging en motivering bij het intrekken van bijstandsuitkeringen en het terugvorderen van bedragen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en stelt het terugvorderingsbedrag op nihil.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/5180 en 25/5181

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigden: mr. R. Meinen en mr. H.E.M. Diepstraten),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw). Verweerder heeft het bezwaar tegen de intrekking van eisers uitkering niet-ontvankelijk verklaard vanwege niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Het bezwaar tegen de terugvordering is gegrond verklaard, maar het bedrag van de terugvordering is niet gewijzigd. Eiser is het met beide bestreden besluiten niet eens en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de twee beroepen in een uitspraak aan de hand van de beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank verklaart beide beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 (het bestreden besluit 1) op het bezwaar van eiser is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Met het bestreden besluit van 19 augustus 2025 (het bestreden besluit 2) op het bezwaar van eiser heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. De periode van terugvordering is gewijzigd in 19 mei 2025 tot en met 31 mei 2025. Het bedrag van de terugvordering is ongewijzigd.
2.1.
Eiser heeft zowel tegen het bestreden besluit 1 (AMS 25/5180) als tegen het bestreden besluit 2 (AMS 25/5181) beroep ingesteld. Verweerder heeft hierop gereageerd met twee verweerschriften van 7 oktober 2025.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 maart 2026 gezamenlijk, maar niet gevoegd, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

In de zaak met nummer 25/5180
Wat voorafging aan het bestreden besluit 1
3. Met een besluit van 24 mei 2023 is aan eiser vanaf 10 mei 2023 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande.
4. Uit een rapport van 21 februari 2025 volgt dat de klantbegeleider van eiser heeft verzocht om de huur van eiser rechtstreeks in te houden op zijn uitkering en over te maken aan Stadgenoot. Dit om woningontruiming te voorkomen. Eiser heeft een achterstand van twee maanden huur.
5. Met een brief van 14 mei 2025 is eiser uitgenodigd voor een gesprek op kantoor op maandag 19 mei 2025. Eiser is verzocht om verschillende gegevens aan te leveren. Deze brief is persoonlijk bezorgd.
6. Met een besluit van 20 mei 2025 is de uitkering van eiser opgeschort. Eiser is niet verschenen op het gesprek op 19 mei 2025. Eiser is in de gelegenheid gesteld om de gevraagde gegevens aan te leveren uiterlijk op 25 mei 2025 en hij is uitgenodigd voor een gesprek op 27 mei 2025.
7. Verweerder heeft zijn bevindingen ten aanzien van het rechtmatigheidsonderzoek vastgelegd in een rapport van 27 mei 2025.
8. In een rapport beëindigingsonderzoek van 2 juni 2025 is vastgelegd dat het uitgevoerde onderzoek heeft uitgewezen dat de bijstandsuitkering moet worden ingetrokken vanaf 19 mei 2025 omdat eiser niet heeft meegewerkt aan het onderzoek. Hij is niet verschenen naar aanleiding van de oproepen.
9. Met het besluit van 4 juni 2025 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser vanaf 19 mei 2025 ingetrokken. Volgens verweerder is het niet mogelijk om het recht op bijstand vast te stellen. Eiser is niet verschenen op het gesprek van 19 mei 2025 en hij heeft niet gereageerd op de tweede oproep op 27 mei 2025. Daarnaast wordt de betaling van de huur gestopt. Eiser moet de huur vanaf juni zelf betalen. Verweerder heeft aan het primaire besluit 1 de schending van de medewerkingsplicht in de zin van artikel 17, tweede lid, van de Pw ten grondslag gelegd.
10. Uit een klantnotitie van 1 juli 2025 blijkt dat eiser telefonisch contact heeft opgenomen met verweerder nadat hij zijn uitkering niet had ontvangen.
11. Eiser heeft op 31 juli 2025 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit 1.
12. Met een brief van 5 augustus 2025 heeft verweerder eiser gevraagd naar de reden voor het te laat indienen van zijn bezwaar.
13. Uit een verslag informele/passende aanpak en een e-mail van 13 augustus 2025 van een medewerker van verweerder volgt dat met eiser is gesproken in het kader van een hoorzitting inzake het bezwaar tegen de terugvordering. In de e-mail staat dat eiser tot 20 augustus 2025 in de gelegenheid wordt gesteld om de reden kenbaar te maken voor het te laat indienen van het bezwaar tegen het besluit waarbij zijn uitkering is ingetrokken.
14. Eiser heeft in zijn e-mail van 14 augustus 2025 aangegeven dat hij door nalatigheid en niet kunnen inloggen in zijn e-mail en DigiD te laat bezwaar heeft gemaakt. Zijn focus lag op zijn gezondheid. Zijn dochter deed er alles aan om het zo snel mogelijk in te dienen. Voor vragen kan verweerder contact opnemen met zijn dochter en hij verwijst naar haar contactgegevens.
15. Met het bestreden besluit 1 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder leidt de reden die eiser op 14 augustus 2025 heeft gegeven voor het te laat indienen van het bezwaar niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
Het standpunt van eiser
16. Eiser voert (samengevat) aan dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het bestreden besluit 1 is in strijd met het motiveringsbeginsel. Verweerder heeft nagelaten te motiveren waarom de aangevoerde reden niet tot verschoonbaarheid leidt. Daarnaast is het in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht waarom het bezwaar te laat is ingediend. Eiser verwijst naar het telefooncontact van 1 juli 2025. Hij heeft toen al aangegeven dat hij het niet eens is met het intrekkingsbesluit. Dat hij vervolgens slechts twee weken te laat is, is dan ook verschoonbaar. Door het terugvorderingsbesluit van 3 juli 2025 ging eiser ervan uit dat hij langer de tijd had om bezwaar te maken. De medewerker van het klantcontactcentrum heeft eiser er niet op gewezen dat de termijn om bezwaar te maken tegen het intrekkingsbesluit al bijna verliep. Eiser had op dat moment geen rechtsbijstand en was afhankelijk van zijn dochter. Volgens eiser is de indruk gewekt dat beide bezwaren van 31 juli inhoudelijk zouden worden behandeld. Eiser heeft op verzoek de redenen voor het te laat indienen op de e-mail gezet naar aanleiding van de hoorzitting van 13 augustus 2025. Eiser is onvoldoende digitaal vaardig en heeft ook het telefoonnummer van zijn dochter genoemd. Verweerder heeft nagelaten om een nadere toelichting aan zijn dochter te vragen. De persoonlijke omstandigheden van eiser zijn ten onrechte niet betrokken in het bestreden besluit 1. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn gezondheidssituatie naar de stukken van het OLVG. Eiser voert verder aan dat een en ander in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het intrekken van de uitkering is erg ingrijpend geweest en is voor eiser een belastend besluit. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn betoog naar een uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 maart 2022 [1] en een uitspraak het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024. [2] In bepaalde gevallen moeten bestuursorganen bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding meer rekening houden met bijzondere omstandigheden. Eiser benadrukt tot slot dat hij door de intrekking in ernstige financiële problemen is geraakt. Bovendien was verweerder op de hoogte van zijn financiële kwetsbaarheid. Eiser wijst erop dat zijn huur rechtstreeks werd ingehouden op zijn uitkering en er geen telefoonnotities in het dossier zitten waaruit volgt dat hij niet bereikbaar was.
Het oordeel van de rechtbank
17. De beroepsgrond dat het bestreden besluit 1 in strijd is met het motiveringsbeginsel, slaagt. In het bestreden besluit 1 is in het geheel niet gemotiveerd waarom de door eiser genoemde redenen geen verschoonbaarheid opleveren.
18. Dit gebrek is niet hersteld in het verweerschrift omdat daarin alleen is gewezen op de telefoonnotitie van 1 juli 2025 zonder daarbij in te gaan op alle beroepsgronden die eiser in dit kader heeft aangevoerd. De door verweerder op zitting gegeven toelichting vindt de rechtbank ook onvoldoende. Zo is niet ingegaan op de aangevoerde persoonlijke omstandigheden tezamen en de relatief korte termijnoverschrijding. Ook bij geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding kan immers aanleiding bestaan deze niet aan de indiener toe te rekenen. [3]
19. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
In de zaak met nummer 25/5181
Totstandkoming van het bestreden besluit 2
20. Met een besluit van 3 juli 2025 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat het recht op een uitkering is ingetrokken omdat hij niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht. Hij heeft verweerder niet, niet op tijd of niet volledig geïnformeerd. Eiser heeft daarom te veel bijstand ontvangen over de periode van 1 mei 2025 tot en met 31 mei 2025. Verweerder vordert een bedrag van € 564,22 terug.
21. Eiser heeft op 31 juli 2025 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit 2.
22. Met het bestreden besluit 2 is het bezwaar van eiser gegrond verklaard. De periode waarover de bijstand wordt teruggevorderd wordt gewijzigd in 19 mei 2025 tot en met 31 mei 2025. Het terugvorderingsbedrag blijft echter ongewijzigd. Volgens verweerder is de grond dat eiser naar de verkeerde locatie is gereden ongegrond. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen de hoogte van het terugvorderingsbedrag. Verweerder gaat er daarom vanuit dat eiser zich hierin berust. Daarnaast heeft eiser geen dringende redenen aangevoerd om van terugvordering af te zien. Bij de invordering wordt rekening gehouden met de draagkracht van eiser en de hoogte van de beslagvrije voet.
Het standpunt van eiser
23. Eiser voert aan dat de intrekking onterecht is geweest. Om die reden kan ook de terugvordering geen standhouden. Daarnaast is eiser het in het geheel niet eens met de terugvordering en ook niet met het bedrag. In het kader van de dringende redenen is de door verweerder gemaakte belangenafweging onvoldoende. Verweerder had moeten meewegen dat hij de tweede uitnodiging voor een gesprek niet heeft ontvangen. Eiser wilde wel meewerken aan het rechtmatigheidsonderzoek. Zijn financiële problemen zijn aanzienlijk verergerd. Verder heeft verweerder niet meegewogen dat het bezwaar tegen de intrekking door hem niet-ontvankelijk is verklaard. Door enkel te stellen dat bij invordering van de schuld rekening wordt gehouden met draagkracht en de hoogte van de beslagvrije voet, wordt geen blijk gegeven van een persoonlijke belangenafweging die volgens eiser hier wel op zijn plaats is. Eiser stelt dan ook dat verweerder een actievere en burgergerichte houding had moeten aannemen bij de begeleiding van eiser bij het behandelen van zijn bezwaren. Eiser gaf immers tijdens de hoorzitting aan dat hij op het verkeerde been was gezet met betrekking tot het wachten met het indienen van een nieuwe aanvraag en dat hij de hulp van zijn dochter nodig heeft om een nieuwe aanvraag in te dienen, gezien hij zelf niet digitaal vaardig is. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2023. [4] De bijstandsuitkering is een vangnet. Eiser vindt dat het vertrouwen in de bijstandsgerechtigde weer het uitgangspunt moet worden en hij wijst op een onderzoeksprogramma van het Kenniscentrum Ongelijkheid waarin een lijst met aanbevelingen is gegeven.
Het oordeel van de rechtbank
24. De beroepsgrond dat de terugvordering geen stand kan houden, slaagt. De rechtbank overweegt op de eerste plaats het volgende. Aan het primaire besluit 1 is de schending van de medewerkingsplicht ten grondslag gelegd en niet, zoals in het primaire besluit 2, wordt gesuggereerd schending van de inlichtingenplicht.
25. Het voorgaande betekent dat de terugvordering niet kan worden gebaseerd op artikel 58, eerste lid, van de Pw, zoals is genoemd in het primaire besluit 2 en het bestreden besluit 2. Bovendien is terugvordering in het geval van schending van de medewerkingsplicht een discretionaire bevoegdheid en vereist een andere, meer omvattende belangenafweging, dan bij de schending van de inlichtingenplicht. Zo heeft eiser aangevoerd dat hij niet opzettelijk de medewerkingsplicht heeft geschonden. Deze afweging moet verweerder nog maken. Daarbij komt dat verweerder ook opnieuw moet beslissen op het bezwaar gericht tegen de intrekking. Hetgeen eveneens een nieuwe beoordeling ten aanzien van de terugvordering mogelijk noodzakelijk maakt.
26. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren omdat het bestreden besluit 2 niet berust op een juiste grondslag. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit 2 te herroepen en te bepalen dat het terugvorderingsbedrag wordt vastgesteld op nihil.

Conclusie en gevolgen

In de zaak met nummer 25/5180
27. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit 1. Verweerder moet opnieuw op het bezwaar beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
28. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
29. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
In de zaak met nummer 25/5181
30. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit 2. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit 2 te herroepen en te bepalen dat het terugvorderingsbedrag wordt vastgesteld op nihil.
31. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
32. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Het punt voor de zitting is toegekend onder het beroep met zaaknummer 25/2180).

Beslissing

In de zaak met nummer 25/5180
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit 1 en bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
In de zaak met nummer 25/5181
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit 2;
  • voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit 2 te herroepen en het terugvorderingsbedrag vast te stellen op nihil;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.