Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4702

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
1307142426
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 3 OpiumwetArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks bezwaren artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 13 mei 2026 een verzoek tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen, gericht op de overlevering van een opgeëiste persoon die een gevangenisstraf van anderhalf jaar moet ondergaan. De opgeëiste persoon was aanwezig bij de behandeling in eerste aanleg, maar niet bij de hoger beroepsprocedure. De verdediging voerde aan dat het EAB niet voldeed aan de vereisten van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW) omdat de verdachte niet persoonlijk aanwezig was bij het hoger beroep en de oproep niet correct was verzonden.

De rechtbank stelde vast dat de oproep voor het hoger beroep was gestuurd naar het door de verdachte opgegeven adres en dat hij op de hoogte was van de procedure en de veroordeling. Hoewel hij geen contact had onderhouden met zijn advocaat over het hoger beroep, was dit voor zijn eigen risico. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een schending van verdedigingsrechten en dat de verdachte kennelijk afstand had gedaan van zijn recht op persoonlijke verschijning.

Verder concludeerde de rechtbank dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen, dat er geen weigeringsgronden waren en dat er geen concreet gevaar was voor schending van het recht op een eerlijk proces in Polen. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks bezwaren op grond van artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-071424-26
Datum uitspraak: 13 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 februari 2026 door
the Regional Court in Elbląg II Criminal Department, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 april 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Ostródavan 17 oktober 2024, met kenmerk: II K 304/24.
Uit de op 20 april 2026 van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie blijkt, voor zover hier relevant,
“1. an appellate proceeding was conducted in case No. II K 304/24 concerning
[de opgeëiste persoon]
2. by the judgment of the Regional Court in Elbląg of 29 March 2025 in case no. VI Ka 23/25, the judgment of the District Court in Ostróda of 17 October 2024 in case no. II K 304/24 was upheld.”
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van 29 maart 2025.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Inleiding
In sectie d) van het EAB staat het volgende:
“Yes, in the case II K 304/24 the person concerned has appeared in person at the hearing which led to the judicial decision being rendered.”
Bij zijn voorgeleiding bij de rechtbank op 12 maart 2026 heeft opgeëiste persoon het volgende verklaard, voor zover hier van belang:
“(…) Ik wist wel dat ik op 17 oktober 2024 ben veroordeeld in Polen. Ik ben bij dat proces aanwezig geweest, dat klopt. (…) Na mijn veroordeling heb ik een verzoek ingediend om de straf thuis uit te mogen zitten met een enkelband. Ik ben daarna naar Nederland vertrokken. (…) Ik heb de beslissing op mijn verzoek voor een enkelband niet afgewacht. (…) Ik had een advocaat tijdens de Poolse procedure. De advocaat heeft ook hoger beroep ingesteld. (…) Mijn advocaat heeft dat hoger beroep ingesteld. Ik heb hem daartoe gemachtigd. (…)
Op 15 april 2026 zijn door het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) (onder meer) de volgende vragen aan de Poolse autoriteiten gesteld.
“(…)
3. Could you please indicate whether the notification to appear at the hearing in
appeal had been sent to the address [de opgeëiste persoon] had provided himself during
the preparatory proceedings in this case? And was he thereby explicitly informed
about his obligation to notify the authorities about any possible changes of address
and of the consequences of not complying with this obligation, and that this
obligation applied to the entire proceedings including appeal?”
Op 20 april 2026 is van de
Regional Court in Elbląg 2nd Criminal Divisionde volgende informatie ontvangen.
“ (…)
3. As follows from the case file, the summons to appear at the hearing in the appellate proceedings was sent to the following address: [adres] That is the address which [de opgeëiste persoon] provided in the preparatory proceedings as his place of residence (long-term stay). He also provided, for the record, his
registered address: [adres] . He was informed of his obligation to notify the authority conducting the proceedings of any change of his place of
residence or stay lasting longer than 7 days, including due to imprisonment related to another case as well as of any change of contact details known to him and known to the authority conducting the proceedings, and of his obligation to appear whenever summoned in the course of the criminal proceedings.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sectie d) van het EAB niet op de juiste wijze is ingevuld. De sectie maakt alleen melding van de procedure in eerste aanleg, terwijl de hoger beroepsprocedure aan artikel 12 OLW Pro moet worden getoetst. Het EAB is om die reden niet genoegzaam.
Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om van de Poolse autoriteiten aanvullende informatie te krijgen over de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon is niet bij de behandeling in hoger beroep aanwezig geweest. Uit de reeds verkregen aanvullende informatie blijkt niet dat de gegeven adresinstructie zich ook uitstrekt tot het hoger beroep. De oproep is daarnaast niet gestuurd naar het GBA-adres van de opgeëiste persoon in Polen. Op dat adres waren mensen aanwezig die voor hem bestemde post konden ontvangen. Uit de aanvullende informatie blijkt niets van een gemachtigde raadsman in hoger beroep. Anders dan de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor bij zijn voorgeleiding heeft verklaard, stelt hij nu dat hij alleen contact heeft gehad met zijn raadsman over de procedure die hem in staat zou stellen zijn straf middels een enkelband te ondergaan. Hij heeft geen contact gehad met zijn advocaat over de hoger beroepsprocedure. Ook stelt hij nu dat hij zijn advocaat niet heeft gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank af kan zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. Het is bekend dat een adresinstructie voor de gehele procedure geldt. De opgeëiste persoon was aanwezig bij de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg en hij was dus op de hoogte van de procedure tegen hem. Uit de van de Poolse autoriteiten ontvangen informatie blijkt dat een raadsman namens de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld. De opgeëiste persoon heeft dit tijdens zijn verhoor bij de voorgeleiding ook verklaard. De oproep voor de zitting in hoger beroep is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Tenslotte blijkt uit het feit dat hij heeft getracht om middels een enkelband zijn straf uit te zitten dat hij afwist van de veroordeling.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW Pro toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Op grond van het EAB, de aanvullende informatie van 20 april 2026 gelezen in samenhang met de vraagstelling van het IRC, de eerdere verklaring van de opgeëiste persoon en het verhandelde ter zitting, stelt de rechtbank het volgende vast. De opgeëiste persoon is bij de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg aanwezig geweest. De opgeëiste persoon heeft daarnaast tijdens het vooronderzoek een adres opgegeven en een adresinstructie gekregen.
De oproep voor de zitting in hoger beroep is naar het door hem opgegeven adres gestuurd.
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was, dat hij wist van de veroordeling in eerste aanleg, en dat hij een advocaat heeft gemachtigd om te proberen te regelen dat hij de straf met een enkelband zou mogen uitzitten. De uitkomst van deze procedure heeft hij niet afgewacht en hij heeft geen contact onderhouden met zijn advocaat. Dat komt voor zijn eigen risico. Het toestaan van de overlevering levert gelet op het voorgaande geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om van de Poolse autoriteiten aanvullende informatie te krijgen en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsvrouw dan ook af.

5.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro c van de Opiumwet gegeven verbod

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 3 en 11 van Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Elbąg II Criminal Department, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (