Eiser, werkzaam als medewerker luchtvracht op Schiphol, verzocht om een verklaring van geen bezwaar (VGB) voor zijn vertrouwensfunctie, maar verweerder weigerde deze vanwege meerdere strafbare feiten binnen de beoordelingsperiode en een vastgesteld gedragspatroon.
De strafbare feiten omvatten onder meer belaging, bedreiging en het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, waarvoor eiser een taakstraf van 150 uur kreeg opgelegd. Verweerder achtte onvoldoende waarborgen aanwezig dat eiser zijn vertrouwensfunctie onder alle omstandigheden naar behoren zou vervullen, mede gelet op het belang van nationale veiligheid.
Eiser voerde aan dat hij geen toegang heeft tot de vracht en dat de strafbare feiten zich voordeden vóór de aanwijzing van zijn functie als vertrouwensfunctie, en dat hij sindsdien geen strafbare feiten heeft gepleegd. Ook stelde hij dat de individuele omstandigheden rondom de feiten onvoldoende zijn meegewogen en dat het belang van evenredigheid in zijn voordeel pleit.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de terugkijktermijn van acht jaar hanteerde en dat het gedragspatroon en de aard van de strafbare feiten een weigering rechtvaardigen. Hoewel het bestreden besluit een motiveringsgebrek vertoonde door onvoldoende aandacht voor individuele omstandigheden, werd dit gebrek gepasseerd omdat de uitkomst voor eiser hetzelfde blijft.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bepaalde dat verweerder het griffierecht en proceskosten aan eiser moet vergoeden, en bevestigde dat het belang van nationale veiligheid zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser bij het vervullen van de vertrouwensfunctie.