ECLI:NL:RBAMS:2026:460

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
13/231619-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden in Polen

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 21 januari 2026 uitspraak gedaan over een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door Polen. De zaak betreft de overlevering van een opgeëiste persoon, geboren in 1979, die momenteel gedetineerd is in Nederland. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 7 januari 2026 gehouden, waarbij de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon aanwezig waren. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat zijn persoonsgegevens correct zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

De rechtbank heeft de inhoud van het EAB beoordeeld, waarin strafbare feiten zijn omschreven die in Polen zijn gepleegd, waaronder deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon een vrijheidsstraf van ten minste drie jaar kan krijgen, wat betekent dat er geen onderzoek naar dubbele strafbaarheid nodig is. De raadsman heeft betoogd dat de detentieomstandigheden in Polen onacceptabel zijn, terwijl de officier van justitie van mening is dat de detentiegarantie voldoende is. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat er een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van de grondrechten van gedetineerden in Polen, maar dat dit in dit specifieke geval niet leidt tot een weigering van de overlevering.

Uiteindelijk heeft de rechtbank geconcludeerd dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet en dat er geen weigeringsgronden zijn. De rechtbank heeft daarom de overlevering van de opgeëiste persoon aan de Poolse autoriteiten toegestaan. Deze uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en is openbaar uitgesproken, waarbij is opgemerkt dat er geen gewoon rechtsmiddel openstaat tegen deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/231619-25
Datum uitspraak: 21 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 juni 2025 door
the Circuit Court in Gliwice, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
enforceable decision of pre-trial detention order:decision of District Court in Gliwice dated 5th March 2025(IV Kp 873/24),
amended by decision of Circuit Court in Gliwice dated 23rt April 2025 (VI Kz 154/25).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden

Standpunt raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt, dat de detentiegarantie die is verstrekt niet volstaat. Ook al heeft de rechtbank eerder geoordeeld dat een dergelijke detentiegarantie voldoende is, de omstandigheden in detentie in het
remand regimezijn schrijnend. Het risico dat de opgeëiste persoon daaraan wordt blootgesteld, wordt met de verstrekte garantie niet weggenomen.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de detentiegarantie volstaat, zowel met betrekking tot de vierkante meters voor persoonlijke ruimte, als met betrekking tot de tijd die de opgeëiste persoon naar verwachting buiten de cel mag doorbrengen. Bovendien is een gelijkluidende garantie al eerder voldoende bevonden door deze rechtbank. [4]
Oordeel van de rechtbank
In uitspraken van 5 juni 2024 [5] heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen terechtkomen. Het kernpunt hierbij is dat slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt. Verder is de onduidelijkheid over de termijn waarop de opgeëiste persoon contact met de buitenwereld kan bewerkstelligen, een bijkomende verzwarende omstandigheid.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Uit de brief van
the Circuit Prosecutorin Gliwice van 1 december 2025 volgt dat de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd in
the Pre-Trial Detention Centre in Gliwice.In dezelfde brief wordt aangegeven dat de informatie zoals die eerder bij brief van 26 november 2024 is verstrekt over de omstandigheden aldaar voor een andere opgeëiste persoon, van kracht blijft en voor alle (voorlopig) gedetineerden aldaar van toepassing zijn. Uit de informatie die in de eerdere zaak is verstrekt, leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon in
the Pre-Trial Detention Centre in Gliwicein een meerpersoonscel zal worden ingesloten en dat hij in die cel niet meer dan tussen de 3 en 4 m2 levensruimte (exclusief sanitair) tot zijn beschikking zal hebben.
Uit de brief van 26 november 2024 volgt dat de opgeëiste persoon minimaal tweeëneenhalf uur per dag buiten zijn cel kan doorbrengen, meer precies staat vermeld:
In response to your enquiries, (…), concerning how much time per day a provisionally detained person may spend outside the residential cell related to a Polish citizen (…) , who, after his surrender to the Polish authorities, will be detained in the Remand Prison in Gliwice, I kindly provide the following additional information.
Based on the data made available by the abovementioned penitentiary unit, we inform you that the detainee will be able to spend two and a half hours outside his cell per day. This time includes a one-hour outdoor walk and participating in common room activities or interest circles.
The two-and-a-half hour time does not include other activities during which the detainee also remains outside his residential cell. These include, in particular:
• having a personal visit,
• using the phone,
• participation in investigative measures such as questioning, investigative experiment, an experiment carried out with a view to either experimentally testing evidence already gathered or obtaining new evidence by reconstructing the facts of an event or its course - translator's note], examinations by experts in various fields,
• educational and psychological talks that take place in the offices of Prison Service officers,
• medical services provided in the medical facility of the penitentiary unit.
It should also be emphasised that pursuant to Article 221 §§ 1 and 2 of the Criminal Enforcement Code, a provisionally detained person who distinguishes herself/himself by respecting the internal order in the remand prison and the rules set out in the organisational regulations for the execution of pre-trial detention custody may be granted rewards.
These rewards are as follows:
1) permission for individual decoration of a residential cell;
2) additional or longer walk;
3) permission to receive additional food parcels or permission to receive parcels more frequently;
4) individual waiver from the internal order of the remand prison within the scope determined by the director of the remand prison;
5) permission to participate more frequently in cultural and educational activities as well as in physical culture and sports activities;
6) permission for longer visits;
7) permission to make additional purchases of food and tobacco products and item permitted for sale in the remand prison;
8) expungement of all or some of the disciplinary penalties;
9) a prize in kind or cash;
10) a praise.
Therefore, the exercise of the right to stay outside the accommodation cell for more than two and a half hours per day depends on the individual situation of the detainee.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [6] Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in het
remand regimein Poolse penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie zoals deze in de brieven van 26 november 2024 en 1 december 2025 in samenhang gelezen wordt gegeven, ten aanzien van de opgeëiste persoon weggenomen.

6.Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [8]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Gliwice(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie onder meer: Rechtbank Amsterdam, 19 december 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:8618 en Rechtbank Amsterdam, 31 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:7596.
5.Zie onder meer: Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
7.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
8.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (