AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenuitspraak over aanhouding en overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel Polen
De rechtbank Amsterdam behandelde op 28 april 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een verdachte geboren in 1985. Het EAB betreft twee vonnissen met gevangenisstraffen van respectievelijk twee jaar en zes maanden, waarvan nog een deel moet worden uitgezeten. De verdachte was bij de zitting aanwezig en werd bijgestaan door een advocaat en een Poolse tolk.
De rechtbank beoordeelde de toepassing van artikel 12 vanPro de Overleveringswet (OLW) en concludeerde dat de weigeringsgrond niet van toepassing is, omdat de verdachte in de eerste procedure persoonlijk was opgeroepen en in de tweede procedure vertegenwoordigd door een advocaat die zijn verdediging voerde. Tevens werd vastgesteld dat de feiten dubbele strafbaarheid kennen onder Nederlands recht.
Hoewel er structurele zorgen zijn over de Poolse rechtsorde, was er geen concreet bewijs dat de verdachte een individueel risico loopt op schending van het recht op een eerlijk proces. Daarom staat niets de overlevering in de weg. De rechtbank besloot echter het onderzoek te heropenen en de beslissing op te schorten om gelijktijdig met een andere EAB-zaak te kunnen worden behandeld. De beslistermijn werd verlengd en een nieuwe zitting gepland.
Uitkomst: De rechtbank heropent het onderzoek en schorst de beslissing over de overlevering om gelijktijdige behandeling met een andere EAB-zaak mogelijk te maken.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-161781-25 (EAB 1)
Datum uitspraak: 28 april 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 3 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 april 2025 door the Circuit Court of Zielona Góra,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Polen),
feitelijk verblijfadres: [verblijfadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. J. van der Woude, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van 26 mei 2021 van the District Court of Zielona Góramet kenmerk II K 91/21 (vonnis 1) en een vonnis van 25 november 2021 van the District Court of Zielona Góramet kenmerk II K 682/21 (vonnis 2).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar voor vonnis 1, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 729 dagen. Voor vonnis 2 wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van zes maanden. Hiervan resteren volgens het EAB nog vijf maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [2]
4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLWPro
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro niet van toepassing is ten aanzien van beide vonnissen. In de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 26 mei 2021 is de opgeëiste persoon blijkens het EAB in persoon gedagvaard, met als gevolg dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder a, OLW. In de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 25 november 2021 is de opgeëiste persoon blijkens het EAB vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat, met als gevolg dat de situatie als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b, OLW aan de orde is.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het vonnis van 26 mei 2021 vanthe District Court of Zielona Góramet kenmerk II K 91/21 (vonnis 1):
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid. Onderdeel d) van het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon op 4 mei 2021 in persoon is opgeroepen, waarbij hij is geïnformeerd over de datum en de plaats van de zitting en erop is gewezen dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW doet zich dus voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro niet van toepassing is.
Ten aanzien van het vonnis van 25 november 2021 vanthe District Court of Zielona Góramet kenmerk II K 682/21 (vonnis 2):
De rechtbank stelt op basis van het EAB vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid. Op grond van het EAB stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep, een advocaat had gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro is dan ook niet van toepassing.
5.Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal;
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.
6.Artikel 11 OLWPro: artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [3]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
7.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 310 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
8.Heropening van het onderzoek ter zitting
Gelijktijdig met de onderhavige overleveringszaak is de overleveringszaak met parketnummer 13-061954-26 (EAB 2) behandeld. De rechtbank ziet in die zaak aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen voor het stellen van vragen. Om die reden zal de rechtbank het onderzoek ter zitting in de onderhavige zaak eveneens heropenen onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, teneinde beide zaken tegelijk af te kunnen doen.
9.Beslissing
HEROPENThet onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, om deze zaak gelijktijdig af te kunnen doen met de zaak met parketnummer 13-061954-26 (EAB 2).
VERLENGTde beslistermijn op grond van artikel 22, derde lid, OLW met 30 dagen.
BEPAALTdat de zaak vóór 17 mei 2026 (de beslistermijn in EAB 1 verstrijkt op 31 mei 2026) op zitting wordt aangebracht tegelijkertijd met de zaak met parketnummer 13-061954-26 (EAB 2).
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
BEVEELTde oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
4.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (