Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4189

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
13-215724-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 Wetboek van StrafrechtArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer gelijkstelling Nederlander

De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 april 2026 de vordering tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De verdachte, geboren in Polen en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, wordt gezocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar en vier maanden, waarvan nog acht maanden en vijftien dagen resteren.

De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) vanwege onduidelijkheid over de eerbiediging van verdedigingsrechten bij de tenuitvoerleggingsbeslissing. De rechtbank oordeelde dat deze beslissing niet onder artikel 12 OLW Pro valt omdat het geen nieuwe veroordeling betreft, maar een herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling.

Daarnaast werd een beroep gedaan op artikel 6a OLW voor gelijkstelling met een Nederlander, wat de overlevering zou kunnen weigeren. De rechtbank stelde vast dat de verdachte onvoldoende heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft, waardoor het gelijkstellingsverweer werd verworpen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat geen individueel reëel gevaar bestaat voor schending van het recht op een eerlijk proces. De overlevering wordt daarom toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks het verweer van gelijkstelling met een Nederlander en zonder dat weigeringsgronden van toepassing zijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-215724-24
Datum uitspraak: 28 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 19 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 mei 2024 door
the District Court of Zamość, second penal division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] (Polen).
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van
the Regional Court of Zamość, seventh penal divisionvan 18 juni 2014 met kenmerk VII K 1045/13, onherroepelijk geworden op 26 juni 2014.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon deze vrijheidsstraf al gedeeltelijk heeft ondergaan en op 18 november 2020 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Bij beslissing van 17 november 2022 van de
District Court of Zamośćis de voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen. Van de straf resteren volgens het EAB nog acht maanden en 15 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van 18 juni 2014.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is omdat ten aanzien van de tenuitvoerleggingsbeslissing geen informatie is verstrekt over de eerbiediging van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Het is daarom onduidelijk hoe de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten ten aanzien van deze beslissing heeft kunnen effectueren. De raadsman heeft hieraan geen conclusie verbonden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces dat tot het vonnis van 26 juni 2014 heeft geleid. De tenuitvoerlegging van het resterende gedeelte van de straf is niet bevolen vanwege het plegen van een nieuw strafbaar feit. De aard en maat van de straf zijn in deze beslissing ook niet gewijzigd. Deze tenuitvoerleggingsbeslissing dient daarom niet getoetst te worden aan de vereisten van artikel 12 OLW Pro.
Oordeel van de rechtbank
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Uit het EAB blijkt dat hiermee de procedure wordt bedoeld die heeft geleid tot het vonnis van 18 juni 2014 met kenmerk VII K 1045/13. Hierbij heeft de opgeëiste persoon, zoals reeds in paragraaf 3 is vermeld, een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden opgelegd gekregen.
Het EAB vermeldt in onderdeel f):
“The convict started serving his penalty of deprivation of liberty on 3 march 2020 and he was serving the penalty until 18 November 2020, that is till the day of his conditional earlier release. By the decision of 17 November 2022, court file reference number II Kow 1929/22/owz the District Court of Zamość cancelled the earlier conditional release and ruled execution of the rest of the not served penalty of deprivation of liberty, since the convict evaded from the supervision of the probation officer.”
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [4] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro.
Uit onderdeel f) van het EAB volgt dat de tenuitvoerlegging van het resterende deel van de straf is bevolen omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de gestelde voorwaarden heeft gehouden, te weten het niet voldoen aan een meldplicht bij de reclassering. Aan de tenuitvoerleggingsbeslissing ligt dus geen veroordeling wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit ten grondslag.
De beslissing tot tenuitvoerlegging zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [5] Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW Pro hoeft te toetsen, dan de veroordeling 26 juni 2014 met kenmerk VII K 1045/13.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro staat niet aan overlevering in de weg.

5.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsman
De opgeëiste persoon heeft een beroep gedaan op de weigeringsgrond van artikel 6a OLW en heeft de rechtbank verzocht om de overlevering te weigeren onder gelijktijdige strafovername van de straf in Nederland.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat met de overgelegde stukken niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon voldoet aan de vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander. Er zijn onvoldoende stukken overgelegd, het is onduidelijk waar de opgeëiste persoon gedurende de afgelopen vijf jaar zou hebben verbleven en de inkomensgegevens zijn niet objectief, nu het om belastingaangiftes gaat en niet belastingaanslagen.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Uit de overgelegde stukken blijkt niet waar de opgeëiste persoon de afgelopen vijf jaar zou hebben verbleven en ook ontbreken objectieve inkomensgegevens. De opgeëiste persoon heeft weliswaar jaaropgaves van de jaren 2024 en 2025 overgelegd, maar dit is onvoldoende om aan te tonen dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Dit betekent dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de tweede voorwaarde. Het gelijkstellingsverweer wordt dan ook verworpen.

7.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the District Court of Zamość, second penal divisionvoor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
5.HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 77.
6.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
7.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (