AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks artikel 12 OLW
De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen voor de overlevering van een verdachte die een vrijheidsstraf van twee jaar moet uitzitten, waarvan nog ruim anderhalf jaar resteert. De verdachte was niet persoonlijk verschenen bij het Poolse proces, waardoor artikel 12 vanPro de Overleveringswet (OLW) een mogelijke weigeringsgrond vormde.
De raadsman voerde aan dat onvoldoende was aangetoond dat de verdachte kennis had van de zittingsdatum en dat hij afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De officier van justitie stelde dat de verdachte een adresinstructie had ontvangen en opgeroepen was op het door hem opgegeven adres, en dat hij stilzwijgend afstand had gedaan van zijn rechten.
De rechtbank oordeelde dat hoewel artikel 12 OLWPro in principe tot weigering kan leiden, in deze zaak de verdachte voldoende op de hoogte was van de procedure en niet of onvoldoende had gereageerd op oproepen. Daarom werd afgezien van weigering. Ook werd vastgesteld dat er geen concreet gevaar was voor schending van het recht op een eerlijk proces of onmenselijke detentie in Polen, zodat artikel 11 OLWPro niet aan overlevering in de weg stond.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen weigeringsgronden aanwezig zijn, waardoor de overlevering wordt toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks de mogelijke weigeringsgrond van artikel 12 OLW.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/035103-25 (EAB I)
Datum uitspraak: 19 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 23 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 september 2024 door the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
Zitting 25 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 25 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tegelijkertijd met deze zaak is het EAB met parketnummer 13/252442-25 (EAB II) behandeld. De rechtbank heeft de behandeling van die zaak aangehouden om de officier van justitie gelegenheid te geven aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen in het kader van de toetsing aan artikel 12 OLWPro. Om in beide zaken tegelijk einduitspraak te kunnen doen, heeft de rechtbank daarom ook de behandeling van deze zaak voor bepaalde tijd aangehouden.
Zitting 12 maart 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer en door een tolk in de Poolse taal.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgement of District Court for the Capital City of Warsaw in Warsawvan 29 november 2023, met kenmerk V K 2689/21.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, negen maanden en twaalf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de informatie in het EAB onvoldoende is om vast te stellen dat aan de voorwaarden van artikel 12 OLWPro is voldaan. De enkele verwijzing naar betekening via een adres en het niet afhalen van post volstaat niet. Er is geen informatie verstrekt waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk kennis had van de zittingsdatum, dat hij ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, of dat er een verzetgarantie is verstrekt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro, omdat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven, een adresinstructie heeft ontvangen en is opgeroepen op het door hem opgegeven adres. De opgeëiste persoon had op de hoogte kunnen zijn van de zitting, maar hij heeft stilzwijgend afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLWPro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de grondslag van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in deze zaak enkele maanden in voorarrest heeft gezeten. Uit onderdeel d) van het EAB blijkt voorts dat de opgeëiste persoon in het kader van de strafprocedure die tot het vonnis heeft geleid een adres in Polen heeft opgegeven en daarbij is geïnformeerd over zijn verplichting om eventuele adreswijzigingen door te geven en de consequenties van het nalaten daarvan. De oproeping voor de zitting is verstuurd naar het adres dat de opgeëiste persoon zelf heeft opgegeven. Tot twee keer toe is getracht via de post de oproep uit te reiken, maar dit is niet gelukt omdat hij de oproep – ondanks een notificatie hierover in zijn brievenbus – niet ophaalde op het postkantoor. Vervolgens is hij niet verschenen op de zitting. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en zich niet of onvoldoende heeft geïnformeerd over het verdere verloop van die procedure. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Overlevering leidt daarom niet tot schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Artikel 12 OLWPro staat niet aan overlevering in de weg.
4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod.
5. Artikel 11 OLWPro: artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: “het Handvest”) en detentieomstandigheden.
Standpunt van de raadsman
Ten aanzien van de rechterlijke onafhankelijkheid heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat een gerichte toetsing in het licht van artikel 47 vanPro het Handvest niet mogelijk is, nu geen reactie is ontvangen op de door hem vorige maand per e-mail gestelde vragen over de rechterlijke samenstelling en benoemingsprocedure van de rechters die het vonnis gewezen hebben. Ter onderbouwing heeft hij verwezen naar een recent arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 december 2025. [4]
Ten aanzien van de detentieomstandigheden heeft de raadsman aangevoerd dat onbekend is in welke penitentiaire inrichting de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd en dat er geen garantie of informatie is verstrekt over de minimale persoonlijke leefruimte, celbezetting, sanitaire voorzieningen of medische zorg.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLWPro niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen. [6] Het is aan de opgeëiste persoon die elementen aan te voeren, niet aan het openbaar ministerie om aan te voeren dat er geen sprake is van die elementen. Het lag dan ook niet op de weg van het openbaar ministerie de gestelde vragen te (laten) beantwoorden.
De rechtbank overweegt verder dat zij in eerdere uitspraken steeds tot het oordeel is gekomen dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat veroordeelde gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Polen onmenselijk of vernederend worden behandeld. De raadsman heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat er wel een algemeen reëel gevaar bestaat voor het tenuitvoerleggings-regime in Polen. Dit ligt slechts ander met betrekking tot het voorlopige hechtenis-regime in Polen. De rechtbank verwerpt het verweer.
Artikel 11 OWPro staat daarom niet aan overlevering in de weg.
6.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan de Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (