Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3904

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
033625-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.10 SvArt. 552a SvArt. 94 SvArt. 23 SvRichtlijn 2014/41/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking op klaagschrift tegen inbeslagname op grond van Europees Onderzoeksbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 februari 2026 een klaagschrift van klager tegen de inbeslagname van mobiele telefoons en digitale gegevensdragers op basis van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) uitgevaardigd door Franse autoriteiten. Klager vorderde teruggave van de goederen omdat deze niet aan crimineel handelen gekoppeld konden worden en geen bijdrage zouden leveren aan de waarheidsvinding.

De verdediging stelde dat het EOB niet aan hen was verstrekt, waardoor toetsing van weigeringsgronden en het bewijsmateriaal niet mogelijk was, en verzocht om aanhouding van de behandeling. De rechtbank oordeelde dat het belang van het onderzoek en de geheimhouding van het EOB zwaarder wogen dan het verstrekken aan de verdediging.

De rechtbank stelde vast dat het klaagschrift tijdig was ingediend, ondanks dat klager niet persoonlijk was geïnformeerd over het beslag en zich in het buitenland bevond. Juridisch werd het toetsingskader van de Hoge Raad gevolgd, waarbij niet wordt getoetst aan de gronden voor het uitvaardigen van het EOB of proportionaliteit, maar wel aan formele vereisten en of het beslag betrekking heeft op het bewijsmateriaal.

De rechtbank concludeerde dat het beslag rechtmatig was, het EOB aan de vereisten voldeed en geen weigeringsgronden aanwezig waren. De vordering tot teruggave werd daarom ongegrond verklaard en het beslag gehandhaafd.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard en het beslag op de goederen wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Rekestnummer: 033625-25
Datum beschikking: 12 februari 2026
BESCHIKKING
op het klaagschrift
op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvorderingvan:
[klager]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
in deze zaak woonplaats kiezende op het adres:
[adres 2] ,
hierna: klager.

1.Procesgang

Het klaagschrift is op 30 december 2025 ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 29 januari 2026 het klaagschrift behandeld en de gemachtigde raadsvrouw van klager, mr. Z.L. Moezel, waarnemend voor haar kantoorgenoot mr. E.G.S. Roethof, beiden advocaat in Amsterdam, en de officier van justitie, mr. W.L.M. van Poll, in besloten raadkamer gehoord.
Klager is niet verschenen.
Geheimhouding
Het Franse Europees Onderzoeksbevel (hierna EOB) op basis waarvan de doorzoeking heeft plaatsgevonden en de goederen in beslag zijn genomen, is niet aan de verdediging verstrekt.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdediging op dit moment niet kan toetsen of de in de Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna: de Richtlijn) opgenomen weigeringsgronden van toepassing zijn en of de inbeslaggenomen goederen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de behandeling van het klaagschrift aan te houden zodat de onthouden stukken alsnog aan de verdediging kunnen worden verstrekt. De raadsvrouw heeft in dat kader betoogd dat het onthouden van de stukken aan de verdediging in strijd is met het uit artikel 6 EVRM Pro voortvloeiende beginsel van
equality of arms.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat vanwege het onderzoeksbelang het EOB niet aan de verdediging van klager kan worden verstrekt. De noodzaak tot het onthouden van de stukken aan de verdediging bestaat nog onverkort, gelet op het e-mailbericht van de Franse autoriteiten van 15 januari 2026.
De rechtbank overweegt dat artikel 19 van Pro de Richtlijn – onder andere – de geheimhouding van het EOB garandeert. Tegelijkertijd bepaalt artikel 23, vijfde lid, Sv dat het openbaar ministerie alle stukken die betrekking hebben op de zaak moet overleggen en dat alle procesdeelnemers bevoegd zijn om van de inhoud van deze stukken kennis te nemen. Deze bepaling is niet van toepassing, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad (artikel 23, zesde lid, Sv).
Het EOB bevindt zich in het dossier van de rechtbank. In het licht van de verplichting tot geheimhouding op grond van de Richtlijn en in acht genomen dat de Franse autoriteiten op
15 januari 2026 hebben geschreven dat het EOB in het belang van het onderzoek geheimgehouden dient te worden, is de rechtbank van oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de klager en zijn raadsvrouw kennis nemen van het EOB. De rechtbank onthoudt daarom de (verdediging van de) klager kennis te nemen van het EOB op grond van artikel 23, zesde lid, OLW.

2.Feiten en omstandigheden

De Franse autoriteiten hebben door middel van een EOB van 13 juni 2025 verzocht om een huiszoeking bij klager te verrichten en daarbij mobiele telefoontoestellen, alle digitale gegevensdragers en alle relevante documenten in beslag te nemen, in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen hem ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het EOB.
Op 23 september 2025 zijn ter uitvoering van het EOB – op grond van artikel 94, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering – onder meer de volgende voorwerpen in beslag genomen::
- telefoon met goednummer: 6713338;
- telefoon met goednummer: 6713345;
- plastic bak inhoudende: iphone, iphone, samsung telefoons, vijf simkaarten met goednummer: 6713350.

3.Inhoud klaagschrift en standpunt klager

Het klaagschrift strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen goederen omdat er volgens klager geen enkel belang is bij het voortduren van het beslag. De inbeslaggenomen goederen kunnen niet worden gekoppeld aan enig crimineel handelen en kunnen daarom geen bijdrage leveren aan de waarheidsvinding.
Daarnaast heeft de raadsvrouw verwezen naar artikel 1 van Pro het Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De raadsvrouw heeft betoogd dat onderzocht moet worden of het mogelijk is om een digitale kopie te maken van de inhoud van de gegevensdragers en deze kopie over te dragen aan de Franse autoriteiten.
In het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het klaagschrift heeft de raadsvrouw desgevraagd in raadkamer aangevoerd dat klager ten tijde van het verstrekken van de kennisgeving beklagrecht van 23 september 2025 ‘aan de bewoners’ na de doorzoeking, in het buitenland verbleef. De raadsvrouw heeft daarbij opgemerkt dat de kennisgeving niet in persoon aan klager is betekend en dat het niet duidelijk is of de vader van klager de Nederlandse taal voldoende machtig is om de inhoud van de kennisgeving te begrijpen. Het klaagschrift is binnen 14 dagen nadat klager van de inbeslagname kennis had genomen ingediend door de verdediging.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het klaagschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet tijdig is ingediend. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard, omdat de rechtbank op grond van de stukken kan beoordelen of zich een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB.
Daarnaast heeft de officier van justitie erop gewezen dat het uitgangspunt is dat het fysieke beslag wordt overgedragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Slechts indien uit het EOB blijkt dat een kopie volstaat, kan daarvan worden afgeweken. Het zou praktisch onuitvoerbaar zijn indien op het Openbaar Ministerie de verplichting zou rusten om voor ieder EOB na te gaan of digitale kopieën van gegevensdragers ter beschikking kunnen worden gesteld, nog daargelaten dat er ook onvoldoende capaciteit is om dit in alle zaken waar gegevensdragers in beslag worden genomen uit te voeren.

5.Het oordeel van de rechtbank

Ontvankelijkheid
De kennisgeving als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 Sv strekt ertoe de betrokkene in kennis te stellen van zijn bevoegdheid om een klaagschrift in te dienen tegen de inbeslagname ter uitvoering van een EOB. Dezelfde kennisgeving heeft ook als doel om beslagene te wijzen op de daarvoor geldende termijn op grond waarvan dat klaagschrift binnen veertien dagen na de kennisgeving kan worden ingediend. Betrokkene kan op die manier effectief gebruikmaken van het instellen van een rechtsmiddel. [1]
Overschrijding van de in artikel 5.4.10 lid 1 Sv genoemde termijn van 14 dagen na kennisgeving betekent in de regel dat het klaagschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard, maar onder omstandigheden blijft dat rechtsgevolg achterwege. Het kan bijvoorbeeld gaan om een geval waarin als gevolg van aan klager niet toe te rekenen omstandigheden klager niet, althans niet voor het verstrijken van de in artikel 5.4.10 lid 1 Sv termijn, bekend was met uitvoering van een EOB en een in dat verband gedane kennisgeving. Daarvan kan sprake zijn als het Openbaar Ministerie geen kennisgeving aan de desbetreffende persoon heeft kunnen doen, maar de persoon langs andere weg op de hoogte is geraakt van de uitvoering van een EOB. In zo’n geval moet het klaagschrift worden ingediend binnen 14 dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de desbetreffende persoon met de uitvoering van een EOB bekend is geworden.
Vast staat dat op 23 september 2025 de inbeslagneming heeft plaatsgevonden in de woning [adres 3] . Klager stond op dat moment niet meer ingeschreven op dat adres. De vader van klager, bewoner en op dat moment aanwezig in de woning, verklaarde tijdens de doorzoeking dat zijn zoon op dat moment in Marokko was. Voorts staat vast dat de kennisgeving beklagrecht niet aan klager is betekend, maar dat op 23 september 2025 een kennisgeving beklagrecht is achtergelaten voor ‘bewoners’ van het pand. Deze kennisgeving is niet direct bij het verlaten van de woning na de doorzoeking en inbeslagneming aan de bewoners gegeven, maar is rond het middaguur nadat de politie naar de woning is teruggekeerd door de brievenbus gedaan omdat de aanwezige bewoners op aanbellen van de politie niet open deden.
De rechtbank is op grond van voorgaande vaststellingen van oordeel dat niet duidelijk is op welk moment klager kennis heeft genomen van de op 23 september 2025 achtergelaten kennisgeving beklagrecht. Dit betekent dat de rechtbank niet kan vaststellen op welk moment klager kennis heeft genomen van de inbeslagname, zodat zij het ervoor houdt dat het klaagschrift is ingediend binnen 14 dagen nadat klager, zoals namens hem is gesteld, op de hoogte is geraakt van de inbeslagname. De rechtbank merkt het beklag daarom aan als tijdig ingesteld. Klager is dus ontvankelijk in zijn beklag.
Toetsingskader
Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is.
In (onder meer) zijn arrest van 21 december 2021 [2] heeft de Hoge Raad het toetsingskader in beklagzaken op grond van artikel 5.4.10 Sv in verbinding met artikel 552a Sv uiteengezet.
Bij de behandeling van een dergelijk klaagschrift wordt geen onderzoek gedaan naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. Evenmin wordt de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen getoetst.
Daarentegen moet wel worden beoordeeld of zich – gelet op de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan, indien aan de orde, ook worden beoordeeld of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. Deze beoordeling is overigens beperkt tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder moet de rechtbank beoordelen of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.
Ten slotte is bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt namelijk ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
Voor zover de ter uitvoering van het EOB inbeslaggenomen voorwerpen gegevensdragers betreffen, is nog van belang dat deze gegevensdragers worden overgedragen aan de uitvaardigende autoriteit. Dat is slechts anders als uit de inhoud van het EOB blijkt of door de uitvaardigende autoriteit is aangegeven dat de overdracht van een kopie volstaat. Daarnaast is het niet aan de rechter die over het klaagschrift oordeelt, om te bepalen dat kopieën van de op inbeslaggenomen gegevensdragers opgeslagen gegevens aan klager ter beschikking worden gesteld.
Beslag
In het licht van het hiervoor geschetste toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt.
Gelet op het EOB en de daarin omschreven verdenkingen is de rechtbank van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.
In het bovengenoemde arrest van de Hoge Raad wordt beschreven dat het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. In de onderhavige zaak toont het feit dat de Franse autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd ten aanzien van de genoemde goederen dat zij strafvorderlijk belang zien bij het beslag van de genoemde goederen.
De goederen zijn in beslag genomen met het oog op de waarheidsvinding in het Franse strafrechtelijk onderzoek. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of, en in hoeverre, deze goederen daadwerkelijk aan de waarheidsvinding kunnen bijdragen. Of de inbeslagneming tot dat doel in een redelijke verhouding staat, is ter beoordeling aan de Franse autoriteiten en niet aan de rechtbank. De rechtbank ziet in de enkele verwijzing naar het recht op ongestoord genot van eigendom geen reden om af te wijken van het door de Hoge Raad uiteengezette toetsingskader.
Het voorliggende EOB voldoet aan de in artikel 5.4.3. Sv gestelde eisen, er doen zich geen van de in artikel 5.4.4 Sv genoemde weigeringsgronden voor en er is geen sprake van één van de in artikel 5.4.6 Sv genoemde situaties.
Gelet hierop zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag
ONGEGROND.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 februari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:580.