Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
19 april 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift van klaagster tegen de inbeslagname van sieraden op grond van een Europees onderzoeksbevel (EOB) van Spaanse autoriteiten. De rechtbank Rotterdam verklaarde klaagster niet-ontvankelijk omdat het klaagschrift niet binnen de wettelijke termijn van 14 dagen na kennisgeving was ingediend.
De Hoge Raad oordeelt dat de kennisgeving aan klaagster weliswaar plaatsvond, onder meer door het achterlaten van een schriftelijke kennisgeving en mondelinge mededeling door de rechter-commissaris en hulpofficier van justitie, maar dat niet is vastgesteld dat klaagster ook op de hoogte is gesteld van de termijn van 14 dagen waarbinnen het klaagschrift moet worden ingediend. De rechtbank heeft onterecht aangenomen dat de termijn op de dag van de doorzoeking is gaan lopen.
De Hoge Raad benadrukt dat de kennisgeving moet voldoen aan de eisen van effectieve rechtsbescherming zoals neergelegd in artikel 5.4.10 Sv en de Europese richtlijn 2014/41/EU, waaronder het informeren over de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel. Omdat niet is vastgesteld wanneer klaagster de brief met de termijn heeft ontvangen, is de niet-ontvankelijkverklaring onbegrijpelijk.
De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en wijst de zaak terug wegens onduidelijkheid over tijdige kennisgeving van de termijn voor het klaagschrift.