Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
,
.
4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro en genoegzaamheid
ex officioeen procedure gestart waarbij deze eerdere beslissingen zijn samengevoegd, eindigend in de beslissing met kenmerk II K 556/23 van 30 januari 2024 (met een
hearingop diezelfde dag). Hoewel in de aanvullende informatie wordt meegedeeld dat hierbij geen beoordelingsbevoegdheid bestond, was hiervan wel sprake omdat bij dit samenvoegingsvonnis de straf is aangepast naar twee jaar en vier maanden. Voor deze
hearingis de opgeëiste persoon opgeroepen op een eerder opgegeven adres. Het is echter de vraag of een eerdere adresinstructie zich ook kan uitstrekken over een later
ex officioingesteld proces. De officier van justitie heeft aldus geconcludeerd dat op verschillende punten de gegevens ten aanzien van vonnis C niet rond zijn, hoewel hier al meermaals navraag naar is gedaan.
preparatory proceedingsis gehoord en is gewezen op zijn rechten en verplichtingen om iedere adreswijziging door te geven. De oproepingen voor deze procedures zijn vervolgens gestuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Hierbij overweegt de rechtbank dat zij op basis van het vertrouwensbeginsel dient uit te gaan van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie en dat onderliggende stukken met betrekking tot deze oproepingen niet verstrekt hoeven te worden. Daarnaast overweegt de rechtbank – gelet op het verweer – dat bij de toetsing aan artikel 12 OLW Pro de wettelijke bepalingen en jurisprudentie ten aanzien van oproepingen in Nederlandse strafzaken niet relevant zijn.
De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de verdenking en heeft er rekening mee moeten houden dat strafrechtelijke procedures zouden volgen. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij deze processen, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Dit maakt dat het toestaan van de overlevering voor de vonnissen A en B geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De verweren worden verworpen.
ex officiois gestart. De rechtbank overweegt in dit kader dat het opgeven van een adres in een onderliggende procedure niet (zonder meer) betekent dat de opgeëiste persoon er ook na het wijzen van dat onderliggende vonnis rekening mee moest houden dat naar dat adres een oproep voor een
ex officioverzamelvonnis-procedure zou worden gezonden. Uit de aanvullende informatie volgt ook niet dat de in de onderliggende procedure(s) verstrekte adresinstructie zich ook uitstrekte over een verzamelvonnis-procedure. [4] De rechtbank overweegt dat het IRC voorgaande punten met gerichte en duidelijke vragen meermaals heeft getracht op te helderen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om nogmaals (dezelfde) vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Al met al kan de rechtbank onder deze omstandigheden niet vaststellen dat overlevering voor vonnis C geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt. De overlevering wordt daarom geweigerd voor dit vonnis.
5.Strafbaarheid
6.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden
7.Slotsom
8.Toepasselijke wetsbepalingen
9.Beslissing
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Poznań, Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, opgelegd bij vonnis A (II K 785/22 – betrekking hebbend op de feiten 1 tot en met 7) en vonnis B (II K 218/22 – betrekking hebbend op de feiten 8 tot en met 14).