Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3433

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
24/3956
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 2.10.5 HvvNadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring op medische gronden wegens algemene weigeringsgrond

Eiser, een 39-jarige man met psychische problemen zoals autisme en PTSS, vroeg om een urgentieverklaring vanwege de onleefbaarheid van zijn woning door hitte in combinatie met zijn medische situatie. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af op grond van een algemene weigeringsgrond, omdat eiser het huisvestingsprobleem zou moeten oplossen via andere passende voorzieningen, zoals het aanspreken van de verhuurder.

Eiser voerde aan dat hij drie keer per week onder behandeling is bij een tweedelijns psycholoog sinds januari 2023 en dat zijn situatie ernstig is, met mogelijk levensbedreigende gevolgen. Hij stelde ook dat het college onzorgvuldig was door geen medisch advies bij de GGD in te winnen.

De rechtbank oordeelde dat het college de regels correct heeft toegepast en dat de algemene weigeringsgrond terecht is toegepast. De rechtbank benadrukte dat de hardheidsclausule niet van toepassing is als een algemene weigeringsgrond geldt en dat behandeling bij een psycholoog niet voldoet aan de eis van minimaal zes maanden behandeling bij een tweedelijns specialist. Ook was eiser niet aannemelijk gemaakt dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen urgentieverklaring krijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en de aanvraag blijft afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3956

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.L. Santokhi),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring. Deze aanvraag is door het college afgewezen omdat er sprake is van een algemene weigeringsgrond. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 mei 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Op 24 februari 2025 heeft eiser een verzoek om aanhouding gedaan. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.
2.4.
Op 9 december 2925 heeft de rechtbank partijen laten weten dat zij voornemens is het onderzoek te sluiten en partijen gevraagd of zij een zitting wensen. Omdat partijen niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Totstandkoming van het besluit

3. Eiser is een 39-jarige man. Hij woont op het adres [adres] . Eiser zit in de bijstand en heeft last van diverse psychische problemen zoals autisme, PTSS en suïcidale gedachten. Hij gaat drie keer per week naar de psycholoog om deze klachten te behandelen. Eiser heeft last van de hitte en warmte in zijn woning in combinatie met zijn psychische problematiek. Ondanks de verschillende maatregelen die hij heeft genomen, is de woning onleefbaar voor hem wanneer de zon erop schijnt. Hij doet om die reden een urgentieaanvraag op medische gronden.
4. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat er sprake is van een algemene weigeringsgrond. Dit houdt in dat eiser het huisvestingsprobleem zou moeten kunnen oplossen door gebruik te maken van een andere voorziening die gelet op zijn aard en doel passend en toereikend wordt geacht voor het huisvestingsprobleem. [2] Omdat er sprake is van een algemene weigeringsgrond komt het college niet toe aan de medische toets in het kader van de hardheidsclausule. Maar ook als de algemene weigeringsgrond niet van toepassing zou zijn, vindt het college dat eiser niet voldoet aan de vereisten voor de hardheidsclausule op medische gronden. Eiser heeft namelijk niet aangetoond dat hij zes maanden (of langer) onder behandeling staat bij een specialist. [3]

Standpunt eiser

5. Eiser voert aan dat ondanks de maatregelen die hij zelf heeft getroffen, het nog steeds te heet is in de woning. Er is volgens hem sprake van een medische noodzaak voor een nieuwe woning. Daar komt bij dat eiser sinds 19 januari 2023 drie keer per week wordt behandeld bij een vrijgevestigde tweedelijns psycholoog. Naar verwachting van de psycholoog gaat de behandeling van eiser nog 5 tot 9 jaar duren. Uit de frequentie en de termijn van de behandeling is volgens eiser de ernst van de situatie op te maken. Eiser voert verder aan dat het niet uit te sluiten is dat er op den duur sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. De psychische klachten die eiser ervaart in combinatie met de gebondenheid aan huis en de hitte, zorgen ervoor deze omstandigheden zeer zorgelijk en schadelijk voor hem zijn. Ten slotte vindt eiser het onzorgvuldig dat het college geen medisch advies heeft ingewonnen bij de GGD.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is de rol van de rechter?
6. In onze democratische rechtstaat maken politici de wetten en regels. In dit geval gaat het om de Hvv, die is opgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. Het college voert de Hvv uit. De rechter controleert of het college in dit geval de regels goed heeft toegepast.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6.1.
De rechtbank stelt voorop begrip te hebben voor de situatie van eiser. Daarbij wordt benadrukt dat het niet ter discussie staat dat het eiser (net als vele anderen) zou helpen om naar een andere woning te verhuizen. Echter, vanwege het kleine aantal beschikbare sociale huurwoningen in Amsterdam en het grote aantal aanvragen om een urgentieverklaring, is het beleid in de gemeente Amsterdam voor het toekennen van voorrang op andere woningzoekenden zeer strikt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen, is dit restrictieve beleid niet onredelijk. [4] Het urgentiebeleid van Amsterdam is hoofdzakelijk gericht op het voorkomen van dakloosheid van gezinnen met kinderen, die door overmacht in een acute noodsituatie zijn terechtgekomen. De rechtbank constateert dat eiser een alleenstaande man is, waardoor hij in principe niet tot de doelgroep behoort waar het urgentiebeleid zich op richt.
6.2.
Toch kan het college een uitzondering maken in een aantal gevallen, wanneer er sprake is van zeer ernstige medische of sociale problematiek die is gerelateerd aan de woonsituatie. Hierbij gelden strenge regels en voorwaarden, zoals minimaal zes maanden onder behandeling staan van een tweedelijns specialist. Onder behandeling staan bij een psycholoog is hiervoor onvoldoende. Ook mogen er geen algemene weigeringsgronden van toepassing zijn.
6.3.
De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in dit geval sprake is van onzorgvuldige besluitvorming of andere redenen waarom het college eisers aanvraag om een urgentieverklaring ten onrechte heeft geweigerd. Er is sprake van een algemene weigeringsgrond. In de Nadere regels is bepaald dat het op de weg van eiser ligt om juridische stappen te ondernemen tegen de verhuurder wanneer deze faalt in het nakomen van zijn verplichtingen. [5] Dit wordt door het college gezien als een voorziening die passend wordt geacht en waar eiser gebruik van zou kunnen maken. [6] Dit betekent dus dat eiser allereerst de verhuurder moet aanspreken om de woning te verbeteren. Hoewel eiser heeft aangegeven zelf maatregelen te hebben genomen tegen de warmte, neemt dit niet weg dat de staat van de woning en het woongenot de verantwoordelijkheid van de verhuurder is en niet van het college. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser dergelijke juridische stappen tegen de verhuurder heeft ondernomen. Dit betekent dat het college de algemene weigeringsgrond aan eiser heeft mogen tegenwerpen.
6.4.
Als zich een algemene weigeringsgrond voordoet, is geen plaats meer voor toetsing van de vraag of een urgentieverklaring kan worden verleend voor een sociaal-medische urgentie. Dit is vaste rechtspraak. [7] Eiser voert daartegen aan dat het college in de overgelegde stukken aanleiding had moeten zien om in het kader van de hardheidsclausule toch een medisch advies op te vragen bij de GGD. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank. [8] De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. Eiser heeft zijn medische situatie op geen enkele wijze onderbouwd. Daarnaast gaat de vergelijking met de aangehaalde uitspraak door eiser niet op. In deze uitspraak was een andere Hvv van toepassing met andere regelgeving dan in deze zaak. Deze grond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijkt krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr.W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit volgt uit artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder d van de Huisvestingsverordening (Hvv).
3.Uit paragraaf 11, aanhef en onder b van de Nadere regels volgt dat dit een specialistische, tweedelijns GGZ instelling of vrijgevestigd psychiater moet zijn.
4.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:628.
5.Zie paragraaf 3, aanhef en onder d, punt twee van de Nadere regels.
6.In de zin van artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder d van de Hvv.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2520.
8.Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 5 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2069.