Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3412

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
25/895
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep gehandicaptenparkeerkaart, inhoudelijk beroep ongegrond

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzet van opposant tegen de uitspraak van 2 september 2025, waarin zijn beroep tegen de afwijzing van een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van gronden. Opposant diende het verzet te laat in, maar de rechtbank achtte de termijnoverschrijding verschoonbaar vanwege zijn leeftijd, gezondheid, taalbarrière en het ontbreken van professionele bijstand.

Na inhoudelijke beoordeling concludeerde de rechtbank dat het eerdere vonnis niet kon standhouden omdat opposant wel degelijk gronden had aangevoerd, zij het summier. De rechtbank heropende het onderzoek en behandelde het beroep inhoudelijk. Uit medische adviezen bleek dat opposant voldeed aan de eerste voorwaarde voor een GPK voor een passagier, namelijk beperkte loopafstand, maar niet aan de tweede, de continue begeleidingsafhankelijkheid.

De rechtbank vond dat het college de aanvraag terecht had afgewezen omdat uit medische verklaringen niet bleek dat opposant niet korte tijd alleen gelaten kon worden. De angst van opposant was niet onderbouwd met een reëel medisch risico. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitkomst: Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring gegrond verklaard, beroep op afwijzing gehandicaptenparkeerkaart inhoudelijk ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/895 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 op het verzet van

[opposant], uit [plaats] , opposant [1] ,

en uitspraak in de beroepszaak tussen

opposant, tevens eiser
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 2 september 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard. De uitspraak gaat in dit geval ook over het beroep van opposant tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart (hierna: GPK).
1.1.
Het college heeft de aanvraag van opposant voor een GPK met het besluit van
14 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 januari 2025 op het bezwaar van opposant is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Opposant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Met de uitspraak van 2 september 2025 van deze rechtbank is het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard. Opposant heeft tegen die uitspraak verzet ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het verzet op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: opposant samen met zijn dochter en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De termijn voor het indienen van verzet is zes weken na de verzending van de uitspraak. De uitspraak is op 2 september 2025 aan opposant verzonden. Het verzetschrift is gedateerd op 27 oktober 2025 en door de rechtbank via de digitale weg op die datum ontvangen. De rechtbank stelt vast dat het verzet buiten de termijn van zes weken is ingediend. Dat is te laat. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of opposant daarvoor een geldige reden heeft. [2] De rechtbank heeft met een brief van 19 februari 2026 opposant verzocht om de reden voor het te laat indienen van het verzet aan te geven. In reactie hierop heeft opposant op 24 februari 2026 aan de rechtbank laten weten dat die reden is gelegen in zijn leeftijd (opposant is geboren in 1951) en zijn gezondheid (opposant is hartpatiënt). Daarnaast spreekt en leest opposant geen Nederlands en heeft hij de verzetstermijn niet goed kunnen begrijpen. Opposant wordt geholpen door zijn dochter. De dochter van opposant heeft ook niet goed begrepen dat er sprake was van een termijn waarbinnen het verzet moest worden ingediend.
3. De rechtbank beoordeelt de reden (de verschoonbaarheid) van de termijnoverschrijding aan de hand van eerdere rechtspraak [3] . De rechtbank beoordeelt of er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan opposant kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat in dit specifieke geval hiervan sprake is. De rechtbank betrekt daarbij het duidelijk beperkte doenvermogen van opposant (gelegen in zijn leeftijd, gezondheid en taalvaardigheid) en de omstandigheid dat hij niet door een professioneel gemachtigde wordt bijgestaan. Daarnaast betrekt de rechtbank de beperkte duur van de overschrijding en de omstandigheid dat het college zich niet verzet tegen een inhoudelijke beoordeling. De rechtbank komt op basis hiervan tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
4. De rechtbank beoordeelt vervolgens of de uitspraak van 2 september 2025 als kennelijk en zonder zitting kon worden afgedaan. [4] Zij doet dit aan de hand van de gronden (de redenen) van het verzet.
5. Opposant heeft via het digitale formulier van de rechtspraak beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft vervolgens aan opposant gevraagd om binnen vier weken de gronden van het beroep in te dienen. Opposant heeft via het digitale formulier van de rechtspraak hierop gereageerd en het bezwaarschrift toegestuurd. De rechtbank heeft vervolgens met de uitspraak van 2 september 2025 het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het beroep.
6. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak van 2 september 2025 geen stand kan houden. Opposant heeft onder het kopje “Uw argumenten” van het beroepsformulier het volgende geschreven: “
Dat het advies van de gemeente niet gegrond is, Meneer heeft daadwerkelijk hulp nodig bij zijn mobiliteit hij kan niet meer dan 20 meter lopen.” De rechtbank is van oordeel dat dit, hoewel summier, wel als grond kan worden aangemerkt.
7. Uit de beoordeling van het verzet volgt daarom dat de rechtbank het beroep ten onrechte als kennelijk ongegrond en zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

8. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. [5]
9. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser om een GPK voor een passagier.
10. Om in aanmerking te komen voor een GPK voor een passagier moet er sprake zijn van twee voorwaarden. Ten eerste moet de GGD-arts hebben vastgesteld dat eiser, zonder hulp van een ander en met gebruik van de gebruikelijke loophulpmiddelen, niet
over een aaneengesloten afstand van meer dan 100 meter kan lopen. De tweede voorwaarde is dat sprake moet zijn van een continue begeleidingsafhankelijkheid van deur tot deur. [6] Dat betekent dat eiser niet even alleen gelaten kan worden. Oftewel, dat hij niet ergens kan wachten totdat de bestuurder de auto heeft geparkeerd. Uit de GGD adviezen van
23 september 2024 en 17 december 2024 blijkt dat eiser wel voldoet aan de eerste voorwaarde, maar niet aan de tweede voorwaarde. Uit de medische informatie van de cardioloog en de huisarts blijkt niet dat eiser niet even alleen gelaten kan worden. Op de zitting heeft eiser ook erkend dat dit niet als zodanig door de artsen is opgeschreven. Hoewel het invoelbaar is dat eiser, door een ervaring in het verleden, bang is dat hij opnieuw iets aan zijn hart krijgt als hij alleen is, blijkt uit de verklaring van de huisarts niet dat dit een reëel risico is waardoor eiser niet korte tijd alleen gelaten kan worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college de aanvraag van eiser voor een GPK passagier terecht heeft afgewezen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr.N. van der Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Artikel 8:55, tweede lid van de Awb verklaart artikel 6:5 tot Pro en met 6:9 en 6:11 van de Awb van overeenkomstige toepassing.
3.Zie de uitspraken van 30 januari 2024 van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34.
4.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
6.Artikel 1, eerste lid, onder b van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart.