Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3301

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
13-033144-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a OLWArt. 11 OLWArt. 6, eerste lid, OLWArt. 6, derde lid, OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en detentiegarantie in Poolse overleveringszaak

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen voor een opgeëiste persoon verdacht van illegale handel in verdovende middelen. De opgeëiste persoon verblijft al meer dan vijf jaar rechtmatig in Nederland en kan op grond van de Overleveringswet (OLW) gelijkgesteld worden met een Nederlander, waardoor hij een opgelegde straf in Nederland kan ondergaan.

De rechtbank constateerde een algemeen reëel gevaar voor schending van grondrechten in de Poolse detentieomstandigheden, met name het remand regime waarbij gedetineerden veelal 23 uur per dag in een kleine cel verblijven. Hoewel een detentiegarantie is verstrekt dat de opgeëiste persoon minimaal één uur per dag kan wandelen en twee keer per week een uur in een gemeenschappelijke ruimte kan verblijven, acht de rechtbank deze garantie onvoldoende om het algemene gevaar weg te nemen.

De rechtbank stelt dat een garantie van minimaal twee uur per dag buiten de cel noodzakelijk is, of anders concrete informatie over de duur en frequentie van activiteiten buiten de cel. Omdat deze informatie ontbreekt, bestaat er een individueel gevaar voor schending van grondrechten bij overlevering. Daarom wordt de beslissing over de overlevering aangehouden en wordt een redelijke termijn van 30 dagen gesteld om te beoordelen of de omstandigheden wijzigen.

De rechtbank verlengt de beslistermijn en de overleveringsdetentie met 30 dagen en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt behandeld tussen 1 en 11 mei 2026. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over de overlevering aan vanwege onvoldoende detentiegarantie en verlengt de beslistermijn met 30 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-033144-26 (EAB II)
Datum uitspraak: 2 april 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 4 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 november 2025 door
the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,nu gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 26 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
Op deze zitting is gelijktijdig een EAB van eerdere datum met parketnummer 13-259988-25 (EAB I) ten aanzien van de opgeëiste persoon behandeld. De rechtbank heeft de behandeling van beide zaken aangehouden in afwachting van een terugkeergarantie in zowel EAB I als EAB II en een detentiegarantie in EAB II.
Tevens heeft de rechtbank ter zitting de gevangenneming (in EAB II) bevolen.
De zitting van 19 maart 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van
the District Court for Warsaw-Mokotów in Warsawvan 19 februari 2020 met kenmerk XIV Kp 319/20.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [2]

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste 3 jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Gelijkstelling
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon in het kader van de beoordeling van dit EAB eveneens gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. De raadsman verwijst in dit verband naar het oordeel in de tussenuitspraak van 18 februari 2026 in EAB I waarin de rechtbank aan de hand van de overgelegde stukken heeft geoordeeld dat aan de eerste voorwaarde is voldaan. Uit het bericht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 23 februari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet verliest en inmiddels is ook een genoegzame terugkeergarantie verstrekt. De opgeëiste persoon doet daar een beroep op.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank in de tussenuitspraak in EAB I op 18 februari 2026 [3] reeds heeft geoordeeld dat aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander is voldaan. Uit het bericht van de IND van 23 februari 2026 blijkt dat het niet waarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon zijn verblijfrecht verliest, zodat ook aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Aan alle voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander is dan ook voldaan. Tenslotte heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bevestigd dat bij veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, de opgeëiste persoon deze straf in Nederland mag ondergaan.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken, waaronder de UWV-gegevens en belastingaanslagen, heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overwegingen hierover in de tussenuitspraak van 18 februari 2026 in EAB I en oordeelt dat aan de eerste voorwaarde is voldaan.
De tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. Uit de brief van de IND van 23 februari 2026, bij welke brief zowel de feiten van EAB I als de feiten van EAB II zijn betrokken, volgt dat:
".... dat de strafrechtelijke feiten die u beschrijft er niet toe leiden dat de heer [de opgeëiste persoon] zijn verblijfsrecht verliest. (...) Afgaande op uw gegevens is het EU-verblijfsrecht duurzaam geworden.(...) Op basis van deze gegevens is verblijfsbeëindiging niet (meer) aan de orde.(...) . Betrokkene heeft tussen 2020 en 2024 door fulltime arbeid een regulier bestaan geleid en daarmee duurzaam EU-verblijfsrecht verworven. Ik concludeer dat er thans geen actuele bedreiging aanwijsbaar is."
Ook aan de tweede voorwaarde is voldaan.
De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Gebleken is dat - naast het hiervoor benoemde ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaar - de opgeëiste persoon in Nederland een partner heeft met wie hij een woning huurt.. De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Prosecutor of the District Prosecutor’s Office in Warsawheeft bij mailbericht van 3 maart 2026 de volgende garantie gegeven:
“In response to your question regarding the European Arrest Warrant for [de opgeëiste persoon] issued on November 5, 2025, in case VIII Kop 263/25, I hereby inform you that if [de opgeëiste persoon] is extradited and sentenced to imprisonment, he will be able to serve it in the Netherlands. ”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Artikel 11 OLW Pro

6.1
Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
6.2
Poolse detentieomstandigheden
Inleiding
Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde
remand regime.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft daarom op 30 december 2025 navraag gedaan bij de uitvaardigende justitiële autoriteit naar waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd en naar de omstandigheden aldaar.
De
Prison Servicevan de
Remand Prison in Warsaw-Służewiecheeft op 27 februari 2026 de volgende informatie verstrekt:
“ In response to your questions regarding the European Arrest Warrant for [de opgeëiste persoon] , issued on November 5, 2025, in case VIII Kop 263/25, 1 hereby inform you that:
1.lf extradited to Poland, [de opgeëiste persoon] will be detained at the Warsaw-Służewiec Remand Center, as in the case of the European Arrest Warrant in case VIII Kop 37/24.
2.The conditions of detention for [de opgeëiste persoon] at the Warsaw Stuzewiec Remand Center will be the same as those specified in the response regarding the European Arrest Warrant in case VIII Kop 37/24.”
De informatie van
Prison Servicevan de
Remand Prison in Warsaw-Służewiecin EAB I in de zaak met kenmerk
VIII Kop 37/24houdt, voor zover relevant, het volgende in:
"Pursuant to Article 110 § 2 of the Executive Regulations to the Criminal code, the living space of a residential cell allocated to one inmate amounts to no less than 3 square metres per person. The usable area of residential cells, which is taken into account when calculating their intended use and capacity, constitutes the floor area excluding door recesses, radiator recesses and the area of sanitary corners.
(…)
In accordance with Order No. 103.24 of the Director General of the Prison Service dated 27 December 2024 on detailed rules for conducting and organizing penitentiary work and on the scope of duties of officers and employees of penitentiary and therapeutic departments as well as penitentiary units, inmates in this facility are provided with the opportunity to participate in cultural, educational and sports activities organized within the residential unit in which they are accommodated, as well as in the central common room.
(…)
Inmates use the common room in accordance with the schedule at least twice a week for one hour each time. If the common room is available and an inmate expresses the wish to use it outside the scheduled hours, it may also be made available; however, such consent may not necessarily be granted every day due to the need to ensure access to the common room for all inmates residing in the unit.
Additionally, talks, lectures, meetings with representatives of foundations and concerts are organised in the facility, and inmates who express a willingness to participate may take part in them.
(..)
Activities are planned and organized in order to manage free time in accordance with the applicable plan and weekly schedule. In the central common room of Pavilion A, interest groups are organised in accordance with the weekly schedule of cultural, educational and sports activities. In the central common room, general fitness activities are organised where possible, with access to sports equipment such as gymnastic
mats, a table tennis table, table football, an elliptical trainer and a stationary exercise bicycle.
Furthermore, pursuant to Article 221 § 1 point 5 of the Executive Regulations to the Criminal Code, a remand prisoner may be granted a reward in the form of permission to participate more frequently in cultural and educational activities, as well as physical culture and sports activities. In conclusion, it is not possible to determine unequivocally the number of hours per day that a remand prisoner spends outside the cell. This depends on the inmate’s willingness to participate in cultural, educational, physical culture and sports activities, as well as the decision to exercise the entitlement to a daily one-hour walk.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte detentiegarantie onvoldoende is om het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. In dit EAB II, wordt in de detentiegarantie verwezen naar de detentiegarantie in EAB I. De raadsman realiseert zich dat de rechtbank zich bij tussenuitspraak van 18 februari 2026 al heeft uitgelaten over de detentieomstandigheden en de verstrekte detentiegarantie. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van 24 december 2025. [6] Deze uitspaak uit december 2025 lijkt een uitzondering op de vaste rechtspraak van de rechtbank op dit punt. Volgens de raadsman lijkt de rechtbank sinds het najaar van 2025 een ‘nieuwe lijn’ te zijn gaan volgen in haar jurisprudentie. Het lijkt dat de rechtbank de garantie wil hebben dat een opgeëiste persoon tenminste ongeveer twee uur per dag buiten de cel kan verblijven. De uitspraak in december 2025, waarnaar in de tussenuitspraak in EAB I is verwezen, wijkt daarvan af. In de uitspraak van de rechtbank van 18 maart 2026 [7] is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in een Poolse overleveringszaak met een vergelijkbare detentiegarantie. Bij tussenuitspraak van de rechtbank van 12 maart 2026 [8] zijn door de rechtbank aanvullende vragen geformuleerd ten aanzien van de verstrekte detentiegarantie. Bij uitspraak van de rechtbank van 7 augustus 2025 [9] is een detentiegarantie die zag op
Warsaw-Służewiec, waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering ook zal worden geplaatst onvoldoende geacht. Deze uitspraak is wel nog van de tijd vóórdat de ‘nieuwe lijn’ werd ingezet. Het is voor de verdediging inmiddels niet duidelijk meer welke feiten en omstandigheden voor de rechtbank van belang zijn om het gestelde algemene gevaar voor een opgeëiste persoon weg te nemen. Totdat er een nieuw duidelijk toetsingskader door de rechtbank is vastgesteld, is de verstrekte detentiegarantie onvoldoende is om het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen aanleiding heeft om een ander standpunt in te nemen over de verstrekte detentiegarantie dan het standpunt dat het openbaar ministerie op de zitting van 4 februari 2026 heeft ingenomen. De verstrekte detentiegarantie in EAB I, waarnaar nu ten behoeve van EAB II wordt verwezen, is onvoldoende om het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Wat in de detentiegarantie staat opgenomen, beschouwt de rechtbank normaliter niet als voldoende.
Oordeel van de rechtbank
In de tussenuitspraak van 1 oktober 2025 [10] heeft de rechtbank, onder meer, het volgende overwogen:
“De rechtbank merkt op dat het openbaar ministerie in het kader van het Poolse remand regime aan de Poolse autoriteiten inmiddels op structurele basis de garantie vraagt dat een opgeëiste persoon minstens twee uur per dag buiten de cel kan doorbrengen. Dit zal zijn ingegeven door uitspraken van deze rechtbank in eerdere vergelijkbare zaken, waarin zij heeft geoordeeld dat een garantie dat een opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. De rechtbank heeft er begrip voor dat de Poolse autoriteiten een dergelijke garantie niet onder alle omstandigheden kunnen geven, bijvoorbeeld omdat zich noodsituaties kunnen voordoen in de detentie-instelling die ervoor zorgen dat een dergelijke garantie niet geëffectueerd kan worden. Daarom ziet zij aanleiding om haar rechtspraak op dit punt als volgt te preciseren. Het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 wordt in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Wanneer de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. [11]
In dat verband is met name van belang dat de rechtbank inzicht krijgt in:
- de activiteiten waaraan de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen;
- de ruimtes buiten de cel waar de opgeëiste persoon dagelijks toegang toe heeft (zoals sportvelden, bibliotheken, huiskamers, e.d.);
- de frequentie waarmee dit soort activiteiten plaatsvindt en waarop de opgeëiste persoon toegang heeft tot eventuele openbare ruimtes buiten de cel;
- of de mogelijkheid tot deelname of toegang al dan niet afhankelijk is van bijzondere voorwaarden of andere procedurele regels van de detentie-instelling en, zo ja, van welke voorwaarden of procedurele regels deze deelname afhankelijk is;
- eventuele andere voorzieningen of maatregelen waardoor het door de rechtbank aangenomen algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen.
Om vast te stellen dat het algemene reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen in die gevallen waarin niet kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten de cel kan verblijven, dient de rechtbank op basis van op de opgeëiste persoon toegespitste informatie een bredere afweging van de invulling van een gemiddelde dag van de opgeëiste persoon in het Poolse remand regime te kunnen maken.”
De rechtbank heeft in de uitspraak van 1 oktober 2025 niet expliciet overwogen wanneer de informatie voldoende is voor het oordeel dat het algemene gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden in het
remand regimein Polen is weggenomen. In dit verband is de rechtbank zich ervan bewust dat zo’n beoordeling een sterk casuïstisch karakter kan hebben. De rechtbank ziet, gelet op de uitspraken na 1 oktober 2025 waarnaar de raadsman heeft verwezen in relatie tot het oordeel in de tussenuitspraak waartussen verschillen in feitelijke beoordeling te lezen zijn, aanleiding om nader te concretiseren wanneer de verstrekte informatie in zijn algemeenheid genoegzaam zal zijn om het algemene gevaar weg te nemen.
Als niet expliciet kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon twee uur per dag buiten de cel kan verblijven, dient concrete informatie te worden verstrekt over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Daarvoor heeft de rechtbank concrete informatie nodig over de frequentie en duur van de aangeboden activiteiten en of de mogelijkheid tot deelname of toegang al dan niet afhankelijk is van bijzondere voorwaarden of andere procedurele regels van de detentie-instelling en, zo ja, van welke voorwaarden of procedurele regels deze deelname afhankelijk is. Als de rechtbank op basis van de concrete informatie kan vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, dan is het algemene gevaar weggenomen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gegeven informatie in EAB I van de
Prison Servicevan de
Remand Prison in Warsaw-Służewiec,die volgens de uitvaardigende autoriteit ook geldt voor van dit EAB, onvoldoende is om het algemene gevaar op
schending van de grondrechten van gedetineerden in het
remand regimein Polen weg te nemen. Daartoe is redengevend dat daarin alleen concreet wordt vermeld dat de opgeëiste persoon één uur per dag kan wandelen en twee keer per week één uur in de common room kan verblijven. Voor het overige is echter onvoldoende duidelijk aan welke activiteiten de opgeëiste persoon op dagelijkse of structurele basis kan meedoen en hoe lang en onder welke voorwaarden de opgeëiste persoon mee kan doen aan deze activiteiten, ervan uitgaande dat hij ervoor kiest om aan de activiteiten mee te doen. De aanvullende informatie vermeldt alleen de mogelijkheid van deelname aan lezingen, ontmoetingen met vertegenwoordigers van organisaties en concerten en de mogelijkheid van deelname aan zogenoemde ‘
interest groups’volgens een wekelijks schema van culturele -, onderwijs- en sportactiviteiten. De rechtbank is daarmee niet in staat te beoordelen hoe een gemiddelde dag in de
Remand Prison in Warsaw-Służewiecer voor de opgeëiste persoon uit zal zien.
De rechtbank stelt dan ook vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet.
Dit betekent dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van dertig dagen.
De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van de termijn van dertig dagen (op 1 mei 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, dus tussen 1 mei 2026 en 11 mei 2026, zodat kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
De rechtbank zal de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie. [12]
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na deze verlenging af op
5 mei 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW de beslistermijn aansluitend verlengen met 30 dagen (tot 4 juni 2026), onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Normaliter wordt de beslistermijn (en overleveringsdetentie) in vergelijkbare zaken verlengd met 60 dagen maar in dit geval volstaat een kortere termijn van 30 dagen om na te gaan of binnen de gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden is opgetreden.

7.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting in de periode van 1 mei 2026 tot en met 11 mei 2026.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTde termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen (eindigend op
4 juni 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 30 dagen.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
7.ECLI: NL:RBAMS:2026:462.
11.Rb. Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.
12.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.