Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3300

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
13-259988-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a OLWArt. 9 OLWArt. 11 OLWArt. 7 SrArt. 86b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in zaak Europees aanhoudingsbevel wegens verstreken beslistermijn en onvoldoende detentiegarantie

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen voor een opgeëiste persoon met de Poolse nationaliteit, die rechtmatig en langdurig in Nederland verbleef. De rechtbank stelde vast dat de feiten niet verjaard waren volgens Nederlands recht en dat de opgeëiste persoon op grond van artikel 6a OLW gelijkgesteld kon worden met een Nederlander, mede vanwege zijn langdurig verblijf en maatschappelijke banden in Nederland.

De rechtbank onderzocht de verstrekte detentiegarantie vanuit Polen, die toezegde dat de opgeëiste persoon bij veroordeling zijn straf in Nederland mocht uitzitten. Ondanks deze garantie oordeelde de rechtbank dat het algemene gevaar van schending van grondrechten door detentieomstandigheden in Polen niet was weggenomen, omdat onvoldoende concrete informatie was verstrekt over de dagelijkse invulling van het verblijf buiten de cel.

De beslistermijn voor de rechtbank om uitspraak te doen over het EAB was op 5 maart 2026 verstreken, waarna geen verlenging meer mogelijk was. Hierdoor zag de rechtbank geen grond meer om een redelijke termijn te stellen en besloot zij geen gevolg te geven aan het EAB, waarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard. De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk wegens het verstrijken van de beslistermijn en onvoldoende detentiegarantie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-259988-25 (EAB I)
Datum uitspraak: 2 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 8 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 februari 2024 door
the Provincial Court in Warsaw, VIII Penal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu (uit anderen hoofde, namelijk op grond van EAB II) gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 4 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 4 februari 2026, in aanwezigheid van mr. N. Lemmers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De zitting van 4 februari 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak van 18 februari 2026
Bij tussenuitspraak van 18 februari 2026 [3] heeft de rechtbank geoordeeld dat aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 6a OLW is voldaan.
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND).
Deze informatie, alsook een (mogelijke) garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, ontbrak in het dossier. De rechtbank heeft daarom het onderzoek heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om deze informatie op te vragen bij de IND. Daarnaast heeft de rechtbank de officier van justitie verzocht ook bij de uitvaardigende justitiële autoriteit (alvast) een terugkeergarantie op te vragen.
De zitting van 26 februari 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede en door een tolk in de Poolse taal.
Op deze zitting is gelijktijdig een nieuw EAB met parketnummer 13-033144-26 (EAB II) ten aanzien van de opgeëiste persoon behandeld. De rechtbank heeft de behandeling van beide zaken aangehouden in afwachting van een terugkeergarantie in zowel EAB I als EAB II en een detentiegarantie in EAB II.
De rechtbank heeft op deze zitting verder vastgesteld dat de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek in EAB I moet beslissen, op 5 maart 2026 zal verstrijken en er geen ruimte meer is die beslistermijn te verlengen. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen.
De zitting van 19 maart 2026
De behandeling van EAB I (en II) is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak

De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 18 februari 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de (dubbele) strafbaarheid van de feiten en de Poolse rechtsstaat (artikel 11 OLW Pro). Wat de rechtbank hierover heeft overwogen en geoordeeld moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van
artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijfjaar ononderbroken rechtmatig in Nederland
als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en 1, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van
verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of
maatregel.
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 18 februari 2026. De overwegingen uit voornoemde uitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank heeft bij die uitspraak geoordeeld dat aan de eerste voorwaarde is voldaan.
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel (de tweede voorwaarde), beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. Uit de brief van de IND van 23 februari 2026, bij welke brief zowel de feiten van EAB I als de feiten van EAB II zijn betrokken, volgt dat:
".... dat de strafrechtelijke feiten die u beschrijft er niet toe leiden dat de heer [de opgeëiste persoon] zijn verblijfsrecht verliest. (...) Afgaande op uw gegevens is het EU-verblijfsrecht duurzaam geworden.(...) Op basis van deze gegevens is verblijfsbeëindiging niet (meer) aan de orde.(...) Betrokkene heeft tussen 2020 en 2024 door fulltime arbeid een regulier bestaan geleid en daarmee duurzaam EU-verblijfsrecht verworven. Ik concludeer dat er thans geen actuele bedreiging aanwijsbaar is."
Ook aan de tweede voorwaarde is voldaan.
De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Gebleken is dat - naast het hiervoor benoemde ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaar - de opgeëiste persoon in Nederland een partner heeft met wie hij een woning huurt. De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Prokurator Prokuratury Okręgowej Mazowiecki Wydział Zamiejscowy Departamentu do Spraw Przestępczości Zorganizowanej i Korupcji Prokuratury Krajowej w Warszawieheeft bij mailbericht van 3 maart 2026 de volgende garantie gegeven:
“In response to your request concerning [persoon] (born [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] , Poland), and with reference to the European Arrest Warrant issued under ref. no. VIII Kop 37/24, I hereby provide the requested guarantee of return.
Pursuant to Article 5(3) of Council Framework Decision 2002/584/JHA and in conjunction with Council Framework Decision 2008/909/JHA, I confirm that, should the requested person be surrendered to Poland on the basis of the above-mentioned European Arrest Warrant and subsequently sentenced to an unconditional and final custodial sentence, the Republic of Poland consents to the transfer of the sentenced
person to the Netherlands for the purpose of serving the custodial sentence there, in accordance with the applicable European Union legal framework and relevant national implementing provisions.
This guarantee is granted exclusively in respect of the European Arrest Warrant issued under ref. no. VIII Kop 37/24.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

5 . Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW

Inleiding
Op grond van artikel 9, eerste lid onder f, OLW kan de overlevering worden geweigerd voor feiten als naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen vervolging kan plaatshebben. In het geval van de opgeëiste persoon is daarvan, op grond van artikel 7, eerste en derde lid, jo. artikel 86b van het Wetboek van Strafrecht, sprake als hij in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Daaronder wordt de situatie begrepen dat hij kan aantonen dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000, en de feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht kritisch naar de verjaringstermijn in dit EAB te kijken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op de zitting van 26 februari 2026 op het standpunt gesteld dat de feiten in dit EAB niet verjaard zijn naar Nederlands recht. Voor alle feiten, met uitzondering van feit 4, geldt een verjaringstermijn van twintig jaar. Kijkend naar de oudste pleegdatum, verjaren deze feiten in oktober 2026. Voor feit 4 geldt een verjaringstermijn
van zes jaar, maar dit feit kan ook anders worden gekwalificeerd, waardoor er sprake is
van een langere verjaringstermijn. Er is namelijk sprake van een grote hoeveelheid
marihuana en het feit is gepleegd in een georganiseerd verband. Daarnaast is sprake van
stuiting van de verjaring. Er is immers een beslissing over de voorlopige hechtenis genomen en er zijn een nationaal aanhoudingsbevel en een EAB uitgevaardigd. Dit zijn stuitingshandelingen, zodat de feiten niet zijn verjaard naar Nederlands recht. Indien de rechtbank van mening is dat de feiten wel zijn verjaard naar Nederlands recht, dan heeft de officier van justitie zich subsidiair op het standpunt gesteld dat artikel 9, eerste lid, OLW een facultatieve weigeringsgrond betreft. Hij heeft in dat geval de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat voor geen van de feiten uit dit EAB sprake is van verjaring van het recht op strafvervolging naar Nederlands recht. De feiten 1, 2, 3 en 5 zien op de handel in harddrugs. Feit 7 betreft het deelnemen aan een criminele organisatie en feit 6 betreft mensenhandel. Voor deze feiten geldt een verjaringstermijn van twintig jaar. Het oudste feit dateert van oktober 2006, zodat vaststaat dat het recht op strafvervolging voor deze feiten nog niet is verjaard.
Feit 4 ziet op de handel van één kilogram marihuana. Uit lid 5 van artikel 11 Opiumwet Pro blijkt dat dit wordt aangemerkt als ‘een grote hoeveelheid’, waarvoor een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren kan worden opgelegd. Uit artikel 70, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) volgt dat het recht op strafvordering door verjaring vervalt in twaalf jaren voor de misdrijven waarop een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld. De pleegperiode van feit 4 is van januari 2013 tot mei 2013. Dat betekent dat het recht op strafvordering voor dit feit in januari 2025 verjaard zou zijn. Blijkens artikel 72, eerste lid, 1 Sr stuit iedere daad van vervolging echter de verjaring. De rechtbank stelt vast dat de verjaring van feit 4 is gestuit door daden van vervolging.
The District Court for Warsaw-Sródmiescie in Warsawheeft namelijk op 28 augustus 2020 in de zaak met kenmerk II Kp 1640/20, welke de grondslag vormt voor het uitvaardigen van EAB I, de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon bevolen. Daarnaast is op 23 februari 2024 onderhavig EAB uitgevaardigd. Het uitvaardigen van het EAB in 2024 is tevens een stuitingshandeling. Ook ten aanzien van feit 4 is derhalve het recht op strafvervolging nog niet verjaard.

6.Artikel 11 OLW Pro Poolse detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte detentiegarantie onvoldoende is om het reeds vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. De raadsman realiseert zich dat de rechtbank zich bij tussenuitspraak van 18 februari 2026 al heeft uitgelaten over de detentieomstandigheden en de verstrekte detentiegarantie. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van 24 december 2025. [4] Deze uitspaak uit december 2025 lijkt een uitzondering op de vaste rechtspraak van de rechtbank op dit punt. Volgens de raadsman lijkt de rechtbank sinds het najaar van 2025 een ‘nieuwe lijn’ te zijn gaan volgen in haar jurisprudentie. Het lijkt dat de rechtbank de garantie wil hebben dat een opgeëiste persoon tenminste ongeveer twee uur per dag buiten de cel kan verblijven. De uitspraak in december 2025, waarnaar in de tussenuitspraak is verwezen, wijkt daarvan af. In de uitspraak van de rechtbank van 18 maart 2026 [5] is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in een Poolse overleveringszaak met een vergelijkbare detentiegarantie. Bij tussenuitspraak van de rechtbank van 12 maart 2026 [6] zijn door de rechtbank aanvullende vragen geformuleerd ten aanzien van de verstrekte detentiegarantie. Bij uitspraak van de rechtbank van 7 augustus 2025 [7] is een detentiegarantie die zag op
Warsaw-Służewiec, waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering ook zal worden geplaatst, onvoldoende geacht. Deze uitspraak is wel nog van de tijd vóórdat de ‘nieuwe lijn’ werd ingezet. Het is voor de verdediging inmiddels niet duidelijk meer welke feiten en omstandigheden voor de rechtbank van belang zijn om het gestelde algemene gevaar voor een opgeëiste persoon weg te nemen. Totdat er een nieuw duidelijk toetsingskader door de rechtbank is vastgesteld, is de verstrekte detentiegarantie onvoldoende om het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op de zitting van 4 februari 2026 op het standpunt gesteld dat de verstrekte detentiegarantie onvoldoende is om het reeds vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Op de zitting van 19 maart 2026 heeft de officier van justitie dit standpunt gehandhaafd. Wat in de detentiegarantie staat opgenomen, beschouwt de rechtbank normaliter niet als voldoende.
Oordeel van de rechtbank
In de tussenuitspraak van 1 oktober 2025 [8] heeft de rechtbank, onder meer, het volgende overwogen:
“De rechtbank merkt op dat het openbaar ministerie in het kader van het Poolse remand regime aan de Poolse autoriteiten inmiddels op structurele basis de garantie vraagt dat een opgeëiste persoon minstens twee uur per dag buiten de cel kan doorbrengen. Dit zal zijn ingegeven door uitspraken van deze rechtbank in eerdere vergelijkbare zaken, waarin zij heeft geoordeeld dat een garantie dat een opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. De rechtbank heeft er begrip voor dat de Poolse autoriteiten een dergelijke garantie niet onder alle omstandigheden kunnen geven, bijvoorbeeld omdat zich noodsituaties kunnen voordoen in de detentie-instelling die ervoor zorgen dat een dergelijke garantie niet geëffectueerd kan worden. Daarom ziet zij aanleiding om haar rechtspraak op dit punt als volgt te preciseren. Het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 wordt in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Wanneer de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. [9]
In dat verband is met name van belang dat de rechtbank inzicht krijgt in:
- de activiteiten waaraan de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen;
- de ruimtes buiten de cel waar de opgeëiste persoon dagelijks toegang toe heeft (zoals sportvelden, bibliotheken, huiskamers, e.d.);
- de frequentie waarmee dit soort activiteiten plaatsvindt en waarop de opgeëiste persoon toegang heeft tot eventuele openbare ruimtes buiten de cel;
- of de mogelijkheid tot deelname of toegang al dan niet afhankelijk is van bijzondere voorwaarden of andere procedurele regels van de detentie-instelling en, zo ja, van welke voorwaarden of procedurele regels deze deelname afhankelijk is;
- eventuele andere voorzieningen of maatregelen waardoor het door de rechtbank aangenomen algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen.
Om vast te stellen dat het algemene reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen in die gevallen waarin niet kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten de cel kan verblijven, dient de rechtbank op basis van op de opgeëiste persoon toegespitste informatie een bredere afweging van de invulling van een gemiddelde dag van de opgeëiste persoon in het Poolse remand regime te kunnen maken.”
De rechtbank heeft in de uitspraak van 1 oktober 2025 niet expliciet overwogen wanneer de informatie voldoende is voor het oordeel dat het algemene gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden in het
remand regimein Polen is weggenomen. In dit verband is de rechtbank zich ervan bewust dat zo’n beoordeling een sterk casuïstisch karakter kan hebben. De rechtbank ziet, gelet op de uitspraken na 1 oktober 2025 waarnaar de raadsman heeft verwezen in relatie tot het oordeel in de tussenuitspraak waartussen verschillen in feitelijke beoordeling te lezen zijn, aanleiding om nader te concretiseren wanneer de verstrekte informatie in zijn algemeenheid genoegzaam zal zijn om het algemene gevaar weg te nemen.
Als niet expliciet kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon twee uur per dag buiten de cel kan verblijven, dient concrete informatie te worden verstrekt over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Daarvoor heeft de rechtbank concrete informatie nodig over de frequentie en duur van de aangeboden activiteiten en of de mogelijkheid tot deelname of toegang al dan niet afhankelijk is van bijzondere voorwaarden of andere procedurele regels van de detentie-instelling en, zo ja, van welke voorwaarden of procedurele regels deze deelname afhankelijk is. Als de rechtbank op basis van de concrete informatie kan vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, dan is het algemene gevaar weggenomen.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om terug te komen van het oordeel opgenomen in punt 6.2 van de tussenuitspraak van 18 februari 2026. Daartoe is redengevend dat de informatie van de
Prison Servicevan de
Remand Prison in Warsaw-Służewiecalleen concreet vermeldt dat de opgeëiste persoon één uur per dag kan wandelen en twee keer per week één uur in de common room kan verblijven. Voor het overige is echter onvoldoende duidelijk aan welke activiteiten de opgeëiste persoon op dagelijkse of structurele basis kan meedoen en hoe lang en onder welke voorwaarden de opgeëiste persoon mee kan doen aan deze activiteiten, ervan uitgaande dat hij ervoor kiest om aan de activiteiten mee te doen. De aanvullende informatie vermeldt alleen de mogelijkheid van deelname aan lezingen, ontmoetingen met vertegenwoordigers van organisaties en concerten en de mogelijkheid van deelname aan zogenoemde ‘
interest groups’volgens een wekelijks schema van culturele -, onderwijs- en sportactiviteiten. De rechtbank is daarmee niet in staat te beoordelen hoe een gemiddelde dag in de
Remand Prison in Warsaw-Służewiecer voor de opgeëiste persoon uit zal zien.
De rechtbank stelt dan ook vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan.
Beslistermijn verstreken
De rechtbank heeft ter zitting van 26 februari 2026 vastgesteld dat de beslistermijn waarbinnen zij zou moeten beslissen op dit EAB I zou verstrijken, te weten op 5 maart 2026 en er geen ruimte meer was voor een verlenging. De rechtbank heeft daarbij ook overwogen dat dit haar niet ontslaat van de verplichting op het EAB te beslissen.
Voorgaande overwegingen met betrekking tot het vastgestelde individuele gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon zouden doorgaans betekenen dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. Omdat de beslistermijn is verstreken op 5 maart 2026 ziet de rechtbank thans echter geen grondslag meer voor een aanhouding op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en het stellen van een redelijke termijn. Daarom zal de rechtbank geen gevolg geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank merkt daarbij het volgende op. Heden wordt met betrekking tot EAB II tussenuitspraak gedaan. Daarin wordt het onderzoek ter zitting op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, aangehouden en een redelijke termijn gesteld om na te gaan of zich mogelijk een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. Indien en voor zover geoordeeld zou worden dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan waardoor het gevaar wordt weggenomen en de overlevering voor EAB II zou worden toegestaan, kan de uitvaardigende justitiële autoriteit later, nadat de feitelijke overlevering heeft plaatsgevonden, om aanvullende toestemming vragen met betrekking tot de feiten uit dit EAB I.

7.Beslissing

GEEFTmet toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW,
geen gevolg aan het EAB;
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijkin de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
9.Rechtbank Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.