Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3298

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
13-017197-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlander op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verzoek buitengewoon rechtsmiddel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 maart 2026 het verzoek tot overlevering van een Nederlander aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het hof van beroep Antwerpen. De opgeëiste persoon, met de Nederlandse nationaliteit maar zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen en moet nog een gevangenisstraf van ruim drie jaar uitzitten.

De raadsman van de opgeëiste persoon verzocht de behandeling aan te houden om vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten over het proces, met name over het ontbreken van tolkbijstand en mogelijke schending van het onschuldbeginsel. De rechtbank oordeelde dat deze gronden niet leiden tot een weigeringsgrond op grond van de Overleveringswet (OLW). De opgeëiste persoon was op de hoogte van het proces en werd adequaat vertegenwoordigd door een advocaat.

Verder werd de weigeringsgrond van artikel 6a OLW, die overlevering van Nederlanders kan verbieden indien de straf in Nederland kan worden uitgevoerd, niet toegepast omdat de opgeëiste persoon aangaf de straf in België te willen uitzitten. De rechtbank nam ook kennis van de detentiegaranties van België en concludeerde dat het algemene gevaar van onmenselijke detentieomstandigheden voor deze persoon was weggenomen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering wordt daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de Nederlander aan België toe ondanks het verzoek om aanhouding van de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-017197-26
Datum uitspraak: 2 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 21 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 december 2025 door het hof van beroep Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedag] 1972,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 maart 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest van het hof van beroep Antwerpen van 29 oktober 2025 – C5 kamer met kenmerk 21/PGA/1863 (Griffienummer: C/1600/2025).
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1.174 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Belgische autoriteiten vragen te stellen over de gang van zaken in de strafprocedure van de opgeëiste persoon. De raadsman stelt dat de procedure (in haar geheel) in strijd met het recht heeft plaatsgevonden. De opgeëiste persoon heeft namelijk geen bijstand van een tolk gehad, terwijl hij daar wel uitdrukkelijk om had verzocht. Daarnaast is ook sprake van strijd met het onschuldbeginsel, omdat het hof van beroep in Antwerpen de (verklaringen van de) opgeëiste persoon ongeloofwaardig heeft genoemd. De raadsman wil de antwoorden op de door de rechtbank te stellen vragen gebruiken om, via de kaderbesluitconforme uitleg van artikel 4 bis Pro lid 1 sub d in verbinding met lid 3 Kaderbesluit 2002/584/JBZ, en mede beschouwd in de zin van artikel 47 en Pro 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) in verbinding met artikel 6 EVRM Pro, te bewerkstelligen dat de opgeëiste persoon in België gebruik kan maken van een buitengewoon rechtsmiddel. De raadsman verwijst in dit verband tevens naar hoofdstuk 5 van het “Groenboek EU” en de klacht die de opgeëiste persoon op 13 december 2025 heeft ingediend bij “ [website] ”.
De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de rechtbank de overlevering toelaatbaar dient te verklaren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het betoog van de raadsman opgevat als een verweer dat op artikel 11 OLW Pro is gebaseerd. De officier van justitie heeft vervolgens erop gewezen dat er geen algemeen gevaar voor België is aangenomen voor schending van het recht op een eerlijk proces. Daarom komt de rechtbank niet toe aan het toetsen van de vraag of er in het concrete geval van de opgeëiste persoon een schending van zijn recht op een eerlijk proces is geweest vanwege het feit dat hij – naar eigen zeggen – geen bijstand van een tolk heeft gehad, terwijl hij daar wel om heeft verzocht.
Met betrekking tot artikel 12 OLW Pro heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze weigeringsgrond niet van toepassing is. Er zijn in hoger beroep twee zittingsdagen geweest, te weten op 5 september 2025 en 10 september 2025. De opgeëiste persoon heeft op zitting verklaard dat hij op beide zittingsdagen aanwezig was. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op de eerste zittingsdag in persoon aanwezig was en op de tweede zittingsdag is vertegenwoordigd door een raadsman. Er is dan ook geen sprake van schending van zijn verdedigingsrechten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen omdat hij, ondanks zijn uitdrukkelijke verzoek daartoe, geen bijstand heeft gehad van een tolk. De raadsman heeft desgevraagd ter zitting uitdrukkelijk medegedeeld dat hij geen beroep doet op artikel 11 OLW Pro. De rechtbank zal het verweer derhalve in het kader van artikel 12 OLW Pro beoordelen.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Het EAB vermeldt dat:
  • de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat geleid heeft tot de beslissing;
  • de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces. Hij heeft zelf een gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman gemachtigd om zijn verdediging op het proces te voeren. Ook is hij op het proces daadwerkelijk door die raadsman verdedigd;
  • de betrokkene werd vertegenwoordigd door meester D. Peterfreund, advocaat bij de balie Antwerpen.
Uit het zich bij de stukken bevindende arrest van het hof van beroep Antwerpen van
29 oktober 2025 – C5 kamer met kenmerk 21/PGA/1863 maakt de rechtbank op dat:
  • de opgeëiste persoon op de zitting van 5 september 2025 aanwezig was en werd bijgestaan door meester D. Peterfreund, advocaat bij de balie Antwerpen;
  • de opgeëiste persoon op de zitting van 10 september 2025 werd vertegenwoordigd door meester Quinten De Keersmaecker, advocaat bij de balie Brussel loco meester
D. Peterfreund, advocaat bij de balie Antwerpen.
Op grond van deze stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is derhalve niet van toepassing.
De rechtbank ziet in het kader van de OLW en het toetsingskader dat zij hanteert geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. Wat de antwoorden op de te stellen vragen ook zullen zijn, zij zullen geen weigeringsgrond op grond van de OLW kunnen opleveren, temeer nu geen daartoe strekkend verweer is gevoerd. De rechtbank begrijpt de raadsman aldus dat hij vragen wenst te stellen aan de Belgische autoriteiten ten behoeve van de in België te bewerkstelligen mogelijkheid voor de opgeëiste persoon een buitengewoon rechtsmiddel in te stellen. Hij heeft daartoe verwezen naar het arrest
Kaya tegen Belgiëvan Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). [5] De rechtbank is van oordeel dat dit arrest ziet op de situatie dat een rechter in een eerder stadium al ten gronde heeft geoordeeld over de schuld van de verdachte en later deel uitmaakte van de kamer van het Hof van Cassatie die het cassatieberoep in dezelfde zaak behandelde. Gesteld noch gebleken is dat in het geval van de opgeëiste persoon sprake is van een soortgelijke situatie. Daarnaast had in de zaak
Kaya tegen Belgiëeen lid van het openbaar ministerie in de pers bepaalde uitlatingen gedaan die volgens het EHRM in strijd waren met de onschuldpresumptie. Ook die situatie is niet vergelijkbaar met die van de opgeëiste persoon. De vaststelling over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de opgeëiste persoon is een inhoudelijke beoordeling door de rechters in de uitvaardigende lidstaat aan de hand van het dossier en het verhandelde ter zitting en staat niet ter beoordeling van de overleveringsrechter.
De rechtbank wijst in het licht van het bovenstaande het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden om de Belgische autoriteiten vragen te stellen dan ook af.

5.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis of arrest opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Ter zitting hebben de opgeëiste persoon en zijn raadsman medegedeeld dat de opgeëiste persoon zich niet beroept op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. De opgeëiste persoon heeft in dit verband op de zitting verklaard dat hij Duitsland, in welk land hij staat ingeschreven, als zijn thuis beschouwt. Hij is internationaal vrachtwagenchauffeur met als standplaatsen België en Duitsland. De opgeëiste persoon heeft op de zitting gezegd dat als hij een straf moet uitzitten, dat hij dat dan in België wil doen.
De rechtbank ziet reeds gelet op het voorgaande geen reden voor toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW.

7.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [6]
De rechtbank stelt vast dat bij bericht van 18 februari 2026, afkomstig van de administratief deskundige bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel de volgende detentiegarantie is gegeven, die de opgeëiste persoon betreft:

1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte.
Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de detentieomstandigheden en de verstrekte detentiegarantie.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 18 maart 2026 over dezelfde detentie-instelling [7] – op het standpunt dat de door de Belgische autoriteiten gegeven detentiegarantie voldoende is.
Oordeel van de rechtbank
Zoals deze rechtbank eerder heeft geoordeeld [8] gaat de rechtbank aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [9]
De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT-standaarden).

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan het hof van beroep Antwerpen, België voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.EHRM Kaya / België, 22 januari 2026, nr. 10089/18
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7937.
9.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.