ECLI:NL:RBAMS:2026:329

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
AMS 24/4032 T
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:9 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt dat subsidieafwijzing Joodse stichting gebreken bevat en draagt herstel op

De rechtbank Amsterdam heeft op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de gedeeltelijke afwijzing van een subsidieaanvraag van Stichting Jeshive Amsterdam op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden.

De stichting had een subsidie van bijna €500.000 aangevraagd voor de uitvoering van een Kolel, maar kreeg slechts €100.000 toegekend. Na eerdere vernietigingen van besluiten en een procedure over niet-tijdig beslissen, heeft de gemeenteraad opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit gebreken vertoont, met name door het niet opnieuw horen van eiseres en door onvoldoende motivering van het advies van de adviescommissie.

De rechtbank stelt dat het verzoek om uitstel van de hoorzitting redelijk was en dat eiseres ten onrechte niet opnieuw is gehoord, maar dat dit gebrek kan worden gepasseerd omdat zij alsnog haar standpunten heeft kunnen inbrengen. Daarnaast bevat het advies van de commissie meerdere onvolkomenheden, zoals onduidelijkheid over de aansluiting van activiteiten bij de subsidiedoelstellingen en onvoldoende motivering over financiële soliditeit en slagingskans.

De gemeenteraad wordt opgedragen binnen acht weken de gebreken te herstellen, hetzij door aanvullende motivering, hetzij door een nieuwe beslissing op bezwaar. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak en wijst erop dat tegen deze tussenuitspraak nog geen hoger beroep openstaat.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het besluit gebreken bevat en draagt de gemeenteraad op deze binnen acht weken te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4032 T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

Stichting Jeshive Amsterdam, te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: A.A. Loonstein),
en

de gemeenteraad van Amsterdam

(gemachtigden: mr. M. Kappelhof en mr. R. Nomden).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van eiseres om subsidie op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden (de Subsidieverordening). Eiseres vindt dat zij recht heeft op een hogere subsidie. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak [1] tot het oordeel dat het bestreden besluit gebreken bevat. De rechtbank stelt de gemeenteraad in de gelegenheid om de gebreken te herstellen binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. De gemeenteraad heeft besloten dat de in de Tweede Wereldoorlog ten onrechte opgelegde erfpachtgelden en nadien opgelegde boetes aan Joodse Amsterdammers collectief worden vergoed via Joodse instellingen. Dat heeft geleid tot het beschikbaar stellen van € 10,8 miljoen aan subsidie voor Joodse organisaties. De Subsidieverordening is van toepassing op dit beschikbaar gestelde budget. Het doel van deze verordening is om activiteiten ten behoeve van met name de Amsterdams Joodse gemeenschap te subsidiëren. [2]
2.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een eenmalige subsidie ter hoogte van € 499.554,-. De aanvraag heeft betrekking op de uitvoering van een Kolel in de periode 1 november 2019 tot en met 31 oktober 2022.
2.2.
De gemeenteraad heeft deze aanvraag met het besluit van 10 december 2019 verleend tot een bedrag van € 100.000,-, onder verwijzing naar een advies van de adviescommissie. Met de beslissing op bezwaar van 10 februari 2021 is dit besluit gehandhaafd.
2.3.
Eiseres is hiertegen in beroep gegaan. De rechtbank heeft het beroep van eiseres met de uitspraak van 21 mei 2024 [3] gegrond verklaard, omdat de gevolgde adviesprocedure onvoldoende waarborgen bevatte om de schijn van belangenverstrengeling te vermijden.
2.4.
Op 17 juli 2024 heeft eiseres een beroep niet-tijdig beslissen ingesteld. De rechtbank heeft buiten zitting op 14 oktober 2024 het beroep gegrond verklaard en de gemeenteraad opgedragen om binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, onder oplegging van een dwangsom voor elke dag dat de gemeenteraad die termijn overschrijdt. De gemeenteraad is hiertegen in verzet gegaan, omdat volgens de gemeenteraad de gestelde termijn niet haalbaar was. Dit verzet is op een zitting behandeld. De rechtbank heeft het verzet op 24 april 2025 gegrond verklaard [4] , waardoor de buiten zitting uitspraak is komen te vervallen.
2.5.
In de tussentijd heeft de gemeenteraad met de beslissing op bezwaar van 11 december 2024 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar het advies van de nieuwe adviescommissie stelt de gemeenteraad zich op het standpunt dat in het geheel geen subsidie toegekend had hoeven worden. Omdat een bezwaarde niet slechter mag worden van het indienen van bezwaar, wordt de eerder verleende subsidie niet teruggevorderd.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De gemeenteraad heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 gelijktijdig met het beroep met zaaknummer AMS 24/4033 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam bestuurder] (bestuurder van Cheider en van eiseres), R. Loonstein (voormalig bestuurder van eiseres), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de gemeenteraad.

Beoordeling door de rechtbank van het bestreden besluit

Heeft eiseres voldoende gelegenheid gehad om haar standpunt naar voren te brengen?
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar procesrechten zijn geschonden. Zij is namelijk onvoldoende in staat gesteld om op het nieuw uitgebrachte conceptadvies te reageren. Tussen het toesturen van het conceptadvies op vrijdag 22 november 2024 om 16:17 uur en de hoorzitting die gepland stond op 28 november 2024 om 09:30 uur zaten slechts zes dagen, waarvan er twee in het weekend vielen. De gemachtigde van eiseres heeft vanwege zijn afwezigheid in december 2024 om uitstel tot januari 2025 verzocht, maar dit wilde de gemeenteraad alleen toestaan als eiseres afzag van dwangsommen die verbeurd zouden worden door de vertraging. Eiseres is hier niet mee akkoord gegaan en zij merkt deze handelswijze aan als juridische chantage.
3.1.
De gemeenteraad wijst erop dat de gemachtigde van eiseres bij het verzoek om uitstel heeft aangegeven dat hij pas in januari 2025 beschikbaar zou zijn voor een gesprek. Dat zou betekenen dat de eerstvolgende mogelijkheid voor besluitvorming in de gemeenteraad op zijn vroegst in februari 2025 zou zijn. De gemeenteraad vond het daarom niet gepast dat over de verzochte uitstelperiode dwangsommen worden gevorderd en heeft daarom – nu eiseres niet wilde afzien van haar aanspraak op dwangsommen – besloten niet akkoord te gaan met het door eiseres verzochte uitstel van de hoorzitting.
3.2.
Uit vaste jurisprudentie [5] blijkt dat in artikel 7:2 van Pro de Awb geen algemene verplichting is opgenomen voor een bestuursorgaan om een belanghebbende opnieuw te horen bij het nogmaals nemen van een besluit op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van de bestuursrechter. Dit neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit het oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om een belanghebbende vóór het nemen van een nieuw besluit op bezwaar opnieuw te horen. Opnieuw horen kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn bij nieuwe feiten en omstandigheden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, zoals ook bedoeld in artikel 7:9 van Pro de Awb.
3.2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het in deze situatie noodzakelijk was om eiseres opnieuw te horen. De nieuwe beslissing op bezwaar zou immers gebaseerd worden op een geheel nieuw advies, van andere adviseurs. Dit nieuwe advies was voor de nieuwe beslissing op bezwaar van aanmerkelijk belang.
3.2.2.
De rechtbank overweegt verder dat een redelijk verzoek van een belanghebbende om uitstel van een hoorzitting, in de regel moet worden ingewilligd. Het bestuursorgaan wijst een dergelijk verzoek alleen af als zwaarder wegende, bij de behandeling van de zaak betrokken belangen daaraan in de weg staan. [6]
3.2.3.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om uitstel redelijk was en dat dit verzoek ingewilligd had moeten worden. Eiseres heeft namelijk aannemelijk gemaakt dat een voorbereidingstijd van drie volledige werkdagen te kort was. Dat het advies, zoals de gemeenteraad stelt met drie pagina’s een beperkte omvang heeft, laat onverlet dat het advies moet worden gezien in de context van een omvangrijk dossier. Daarnaast weegt het belang van de gemeenteraad om het verbeuren van rechterlijke dwangsommen te voorkomen, ook niet op tegen het belang van eiseres om te worden gehoord. Het doel van rechterlijke dwangsommen is om een bestuursorgaan te bewegen tijdig te beslissen. Sinds de uitspraak van de rechtbank op 21 mei 2024 waren op het moment van het verzoek om uitstel van de hoorzitting al zes maanden verstreken. Dat dwangsommen zouden worden verbeurd, was dus voornamelijk aan de gemeenteraad zelf te wijten. Daarbij zou de langere behandelduur na inwilliging van het verzoek om uitstel mede het gevolg zijn van de beperkte vergaderdata van de gemeenteraad. In het licht van al deze omstandigheden is het niet redelijk dat de gemeenteraad het verzoek om uitstel slechts wilde inwilligen als eiseres zou afzien van de rechterlijke dwangsommen. Dat de gemachtigde van eiseres indertijd heeft aangegeven dat hij pas weer in januari 2025 beschikbaar zou zijn, maakt het voorgaande niet anders nu er geen grond is om te oordelen dat het verzoek van de gemachtigde van eiseres om de hoorzitting vanwege zijn afwezigheid in december 2024 uit te stellen tot in januari 2025 onredelijk is.
3.2.4.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de gemeenteraad ten onrechte eiseres niet heeft gehoord. Het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen en bevat een gebrek. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb dit gebrek te passeren. Eiseres heeft in beroep alsnog haar standpunten over het nieuwe advies naar voren kunnen brengen en aannemelijk is dat zij niet is benadeeld, omdat zij ten onrechte niet opnieuw is gehoord.
Is het advies van de adviescommissie zorgvuldig?
4. Eiseres voert aan dat de gemeenteraad niet aan zijn vergewisplicht [7] heeft voldaan omdat zij niet is nagegaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, of de redeneringen begrijpelijk zijn en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
4.1.
De gemeenteraad mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Indien eiseres concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag de gemeenteraad niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. [8]
4.1.1.
De rechtbank dient het advies terughoudend te toetsen. De rechtbank zal hierna per beoordelingscriterium [9] beoordelen of de gemeenteraad het advies zonder nadere motivering mocht overnemen en of eiseres concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het advies naar voren heeft gebracht.
4.2.
Eiseres voert op het criterium ‘de mate waarin een activiteit een bijdrage levert aan de continuïteit van de Joodse gemeenschap’ (artikel 12, onder a, van de Subsidieverordening) aan dat de adviescommissie voor het bereik ten onrechte alleen is uitgegaan van orthodoxe joden. Het Kolel heeft als instituut weliswaar een orthodoxe signatuur, maar haar dienstverlening richt zich tot gevarieerde doelgroepen.
4.2.1.
Dit betoog slaagt niet. In het advies staat dat het Kolel ondersteuning biedt aan orthodoxe joden, maar ook dat het Kolel vanuit die basis een bredere betekenis heeft voor de bredere gemeenschap. De rechtbank ziet daarom niet dat het advies op dit punt onjuist is, aangezien ook uit het advies blijkt dat het Kolel voor een gevarieerde doelgroep is bedoeld.
4.3.
Eiseres betoogt dat het advies voor wat betreft het tweede criterium (artikel 12, onder b, van de Subsidieverordening) geen stand kan houden. De adviseurs hebben beoordeeld of de doelstelling van de activiteit past in één van de vijf vastgestelde sectoren (educatie, religie, welzijn & zorg, jongeren of erfgoed & cultuur) en kwamen tot de conclusie dat niet is vast te stellen of de activiteiten aansluiten bij de doelstelling van de Subsidieverordening, omdat de activiteiten en de daaraan gerelateerde kosten onvoldoende gespecificeerd zijn. Volgens eiseres is het evident dat het Kolel onder ‘educatie’ valt, nu het een educatief centrum is. Het was daarnaast niet vereist om de kosten en activiteiten gedetailleerder uit te werken. In eerdere fasen werd dit ook niet geëist en bij andere aanvragen is deze eis ook niet gesteld.
4.3.1.
Dit betoog slaagt. De rechtbank kan de redenering van de adviseurs dat niet vast te stellen is of de activiteiten aansluiten bij de doelstelling van de Subsidieverordening niet volgen. In het licht van de aanvraag (en het binnen de Joodse gemeenschap bekende gegeven van een Kolel) is het zonder nadere motivering niet duidelijk waarom de aangevraagde activiteiten niet onder educatie vallen. De rechtbank ziet niet in waarom de gegeven toelichting op de activiteiten en kosten onvoldoende zouden zijn. Zonder toelichting welke informatie dan ontbrak, is de redenering van het advies niet te volgen.
4.4.
Eiseres betoogt verder dat de adviescommissie ten aanzien van de criteria ‘de slagingskans van de activiteit’ en ‘het bereik van de activiteit gerelateerd aan de verbonden kosten’ (artikel 12, onder c en d, van de Subsidieverordening) ten onrechte heeft geconcludeerd dat de kosten onvoldoende gespecificeerd zijn. De kosten zijn namelijk in de begroting weergegeven en zijn ook door het subsidiebureau van gemeente Amsterdam gecontroleerd voordat de aanvraag verder behandeld kon worden. Bovendien ziet het criterium volgens eiseres niet op de precisering van kosten, maar op de beoordeling van de slagingskans van een activiteit.
4.4.1.
Dit betoog slaagt ook. De rechtbank kan de adviescommissie niet volgen in haar conclusie. Bij de aanvraag is een begroting overgelegd, waarin bij de uitgaven staat dat het gaat om het salaris van zes studenten en een Kolelhoofd voor een periode van drie jaar. Het is de rechtbank niet duidelijk wat nader gespecificeerd had moeten worden. Bovendien voert eiseres terecht aan dat de adviescommissie moet beoordelen wat de slagingskans van de activiteit was en of het bereik van de activiteit in verhouding staat tot de daaraan verbonden kosten. Niet duidelijk is of deze beoordelingen zijn verricht en zo ja, op welke wijze.
4.5.
Over het criterium ‘de mate waarin een aanvraag financiële soliditeit vertoont’ (artikel 12, onder e, van de Subsidieverordening) voert eiseres aan dat de adviescommissie ten onrechte aan haar tegenwerpt dat er geen uitgewerkt plan is dat de continuïteit van het Kolel waarborgt wanneer de subsidieperiode is verstreken en dat daarmee de continuïteit niet is gegarandeerd. Uit de Subsidieverordening blijkt volgens eiseres niet dat er voor de periode na het project een concreet inhoudelijk en financieel toekomstplan moet zijn.
4.5.1.
Ook dit betoog slaagt. Uit de toelichting op de Subsidieverordening volgt dat het criterium verband houdt met de slagingskans van de activiteit. Daarin kan niet gelezen worden dat er een toekomstplan voor na de subsidieperiode opgesteld had moeten worden. De rechtbank merkt hierbij op dat de adviescommissie bij het beoordelen van dit criterium heeft gesteld dat zij niet kan beoordelen of de begrote kosten redelijk zijn in het licht van de voorgenomen activiteiten, omdat de kosten en activiteiten onvoldoende gespecificeerd zijn. Gelet op wat de rechtbank in overweging 4.4.1. heeft geoordeeld, is dit deel van het advies niet voldoende gemotiveerd. De rechtbank kan zonder nadere motivering het standpunt van de adviescommissie dat het criterium niet beoordeeld kon worden daarom niet volgen.
4.6.
Over het criterium ‘de mate waarin sprake is van medefinanciering door de aanvrager zelf of derden’ (artikel 12, onder f, van de Subsidieverordening) voert eiseres vervolgens aan dat zij ten onrechte tegengeworpen krijgt dat zij een gebrek aan eigen bijdrage heeft. Dat was namelijk geen expliciete eis, maar kon eventueel meegewogen worden. Dat het gaat om de aanvrager zelf of derden, impliceert dat een bijdrage door deelnemers of gebruikers afdoende was. In de begroting was ook opgenomen dat de ervaring leert dat deelnemers giften over maken.
4.6.1.
Dit betoog slaagt niet. In het advies staat dat de begroting geen eigen bijdrage van eiseres bevat. Er wordt gerekend op giften, donateurs en subsidietoekenning. Dit alles is echter volgens het advies onvoldoende gekwantificeerd en zekerheid is niet gegarandeerd. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze conclusie onjuist is. In het aangevoerde ziet de rechtbank daarom geen grond voor het oordeel dat dit criterium haar ten onrechte is tegengeworpen.
4.7.
Eiseres stelt dat ten aanzien van het laatste criterium ‘de waarborg van de continuïteit van de aanvrager’ (artikel 12, onder g, van de Subsidieverordening) niet als negatief punt had mogen worden benoemd dat de aanvraag geen concrete initiatieven bevat die gericht zijn op de voortzetting van het Kolel in de periode na het verstrijken van de subsidietermijn.
4.7.1.
De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat dit punt onvoldoende gemotiveerd is. In de begroting is concreet te zien dat en op hoeveel giften en subsidie eiseres voor de volgende jaren rekent. Gelet daarop en op de activiteiten van het Kolel, zoals die zijn omschreven in de aanvraag, is niet inzichtelijk waarom de adviescommissie van mening is dat er geen perspectief is op investeringen voor de toekomst en dat de aanvraag ook geen zicht biedt op concrete initiatieven gericht op de voortzetting van het Kolel dan wel eiseres na de subsidietermijn.
4.8.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het advies op meerdere punten gebreken bevat. De gemeenteraad heeft niet aan zijn vergewisplicht voldaan en had dit advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen.

Conclusie en gevolgen

5. Zoals hiervoor in 3.2.4 en 4.8 is overwogen bevat het bestreden besluit gebreken.
5.1.
Ten aanzien van de schending van de hoorplicht, oordeelt de rechtbank dat de gemeenteraad deze niet hoeft te herstellen. Eiseres heeft immers in beroep alsnog haar standpunten naar voren kunnen brengen die zij anders bij de hoorzitting naar voren had kunnen brengen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de gemeenteraad de gebreken in de motivering van het advies wél moet herstellen. De rechtbank stelt de gemeenteraad in de gelegenheid om de gebreken te herstellen. [10] Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet de gemeenteraad de commissie vragen om de punten waarop de rechtbank gebreken heeft vastgesteld, opnieuw te motiveren. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de gemeenteraad de gebreken kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
5.3.
De gemeenteraad moet [11] zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Na het toesturen van de herstelpoging, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken hierop te reageren. In beginsel, ook in de situatie dat de gemeenteraad de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
5.4.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
5.5.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over het beroep niet-tijdig, de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt de gemeenteraad op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt de gemeenteraad in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, voorzitter, en mr. J.C.S. van Limburg Stirum en mr. E.M. Hansen-Löve, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:80a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Volgens artikel 2, eerste lid, van de Subsidieverordening.
4.Zaaknummer AMS 24/4033 V.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2413.
6.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1739.
7.Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1182.
9.Zie artikel 12 van Pro de Subsidieverordening.
10.Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.
11.Op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb.