Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3252

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
13-263142-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 OLWArt. 11 OLWArt. 13 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam heeft op 1 april 2026 een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon, met de Nederlandse nationaliteit, wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen volgens het Poolse recht. De rechtbank bevestigt dat het systeem van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ toestaat dat na intrekking van een eerder EAB opnieuw overlevering kan worden verzocht.

De opgeëiste persoon beroept zich op de garantie van artikel 6 OLW Pro, waarbij de rechtbank oordeelt dat deze garantie voldoende is omdat de strafuitvoering in Nederland kan plaatsvinden. De weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro wordt niet toegepast omdat het zwaartepunt van het onderzoek in Polen ligt. De rechtbank onderzoekt ook de detentieomstandigheden in Polen, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel van minimaal 3 m2 zal worden geplaatst, maar het onduidelijk is hoeveel tijd hij buiten de cel kan doorbrengen.

Vanwege het ontbreken van concrete garanties over de dagelijkse tijd buiten de cel en het reële gevaar van schending van grondrechten, besluit de rechtbank het onderzoek te heropenen en te schorsen totdat aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten is ontvangen. De beslistermijn wordt verlengd tot 16 mei 2026 en de zaak wordt opnieuw op zitting gepland. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank schorst het onderzoek en verlengt de beslistermijn vanwege onvoldoende concrete informatie over detentieomstandigheden in Polen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-263142-25
Datum uitspraak: 1 april 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 20 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 augustus 2025 door de
Regional Court in Łódź, IV Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
uit anderen hoofde gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, als waarnemer voor mr. R. Malewicz, beiden advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
enforceable detention order, te weten een
decision of the District Court for Łódź-Śródmieścievan 27 maart 2025 met kenmerk IV1 Kp 236/25 (PK III WZ Ds. 9.2016).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de Poolse autoriteiten de overlevering vragen voor dezelfde feiten als waarvoor de Poolse autoriteiten eerder in 2022 een EAB hebben uitgevaardigd. Dit EAB is destijds ingetrokken nadat het bezwaar tegen het nationaal aanhoudingsbevel gegrond werd verklaard. Vervolgens is een verzoek van de Poolse officier van justitie om de opgeëiste persoon in voorlopige hechtenis te nemen afgewezen door de Poolse rechtbank. In 2025 is opnieuw een nationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd en daaropvolgend een EAB. Het is onduidelijk waarom daar nu wel voldoende gronden voor zijn, terwijl dat in 2022 niet het geval was. Ondanks pogingen om hierover duidelijkheid te verkrijgen van de Poolse autoriteiten is dit niet gelukt. De raadsvrouw verzoekt om aanhouding van de zaak om aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten te verkrijgen over de grondslag van het EAB en daarbij aan te geven wat het verschil is met de situatie in 2022.
De rechtbank overweegt dat het systeem van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ er niet aan in de weg staat dat de Poolse autoriteiten, nadat een eerder EAB is ingetrokken, opnieuw om overlevering van de opgeëiste persoon verzoeken. De rechtbank kan niet treden in de beoordeling of er gronden waren om alsnog een nationaal en vervolgens een EAB uit te vaardigen en ziet daarom geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 10 februari 2026 de volgende garantie gegeven:

RE: [de opgeëiste persoon] born on [geboortedag] 1969 at [geboorteplaats] (Netherlands)
The Sąd Okręgowy w Łodzi IV Wydział Karny [Circuit Court in Łódź, 4th Criminal Division] writes to inform you that, pursuant to Section 607j of the Polish Criminal Procedure Code, if the executing State has surrendered the wanted person on the condition that their custodial sentence will be executed in that State, enforcement proceedings are not to be initiated. In such a case, immediately after the judgment has become legally valid, the Polish court competent to hear the case is to issue the decision to transfer the convicted person to the appropriate Member State of the European Union for the purposes of executing a custodial sentence or detention order.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [5]
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro niet van toepassing is. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het zwaartepunt van het onderzoek in Polen ligt, de verdachten in Polen zijn aangehouden en verhoord en de drugs bestemd zijn voor de Poolse markt.
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft geen standpunt ingenomen over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro.
De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. Met de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4, punt 7, onderdeel a, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, in Nederland geïmplementeerd in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW, heeft de Europese wetgever - in een geval als het onderhavige - bedoeld toe te laten dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit - uitvaardigend of uitvoerend - die zich in de meest adequate positie bevindt vanuit het oogpunt van een goede rechtsbedeling. [6] De rechtbank heeft daarom een beoordelingsmarge bij de toepassing van de weigeringsgrond, zodat het doel van het vermijden van het risico van straffeloosheid niet in gevaar komt. [7] De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de specifieke omstandigheden van het geval. [8] In het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden, geeft de omstandigheid dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.

7.Artikel 11 OLW Pro

7.1
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [9]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [10]
7.2
Detentieomstandigheden in Poolseremand regimes
Inleiding
Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde
remand regime.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen terechtkomen. [11] Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regimekan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 5 februari 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
The Prosecutor delegated to the Łódź Branch Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Łódźheeft deze vragen op 24 februari 2026 als volgt beantwoord:

The conditions for serving a preventive measure in the form of pre-trial detention are consistent with applicable law. Currently, pursuant to Article 110, paragraph 2 of the Executive Penal Code, the area of a residential cell is no less than 3m2 per person.(...)[de opgeëiste persoon] , as a temporary detainee of the local Prosecutor's Office, will be held at the Łódź Remand Prison, in accordance with local jurisdiction.As a rule, temporary detainees are housed in the aforementioned penitentiary in three- of four-person cells (...).(...)Regarding the issues raised in your letter, it is impossible to determine how long a person in pretrial detention will be held outside their cell. This is because staying outside their cell depends on the internal regulations in force in each prison and the scope of rights a given person in pretrial detention wishes to exercise on a given day, including: a walk (at least one hour per day), visits with loved ones, visits with a proxy (no time limit on visits), use of a payphone (no time limit on calls with a proxy), cultural and educational activities (according to the schedule), religious services outside their cell, use of the bathhouse, use of the depository warehouse, access to the canteen for shopping, and, in the case of reports, access to a psychologist or counselor at the outpatient clinic.Persons held in pretrial detention are guaranteed the opportunity to participate in community center activities, use library resources, and participate in competitions organized by correctional officers.(...)Every prisoner is entitled to at least one hour of outdoor exercise daily. Other outings depend on the organization of the given prison, the prisoner's attitude, and their willingness to exercise their rights to participate in sports, rehabilitation, educational, religious activities, work, contact with loved ones, defense counsel, and other activities.
Het IRC heeft op 26 februari 2026 de volgende aanvullende vraag gesteld aan de Poolse autoriteiten:

Could you confirm thatif[de opgeëiste persoon] would participate in the daily walkand all other activitiesprovided, could the time spent outside the cell exceed two hours per day?
De Poolse autoriteiten hadden ten tijde van de zitting nog geen antwoord gegeven op bovengenoemde vraag.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Uit de aanvullende informatie van 24 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon minstens één uur per dag buiten de cel kan wandelen, maar dat het verder onmogelijk is om vast te stellen hoeveel tijd hij buiten de cel kan doorbrengen in verband met overige activiteiten. Dit volstaat niet bij een cel van 3 m2. Voor de opgeëiste persoon wordt niet uitgesloten dat hij structureel 23 uur per dag in zijn cel zal moeten doorbrengen. Bovendien wordt in de aanvullende informatie geen specifieke en concrete garantie voor de opgeëiste persoon gegeven, aangezien slechts wordt verwezen naar geldende regels en wetgeving. Hiermee is het reële gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon niet weggenomen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om het onderzoek ter zitting aan te houden om aanvullende informatie te verkrijgen over de tijd die de opgeëiste persoon in detentie buiten zijn cel kan doorbrengen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vraag die door het IRC op 26 februari 2026 is gesteld voldoende specifiek op de opgeëiste persoon gericht en vindt dat het antwoord daarop, ondanks dat er meermaals is gerappelleerd, moet worden afgewacht. De officier van justitie verzoekt de rechtbank daarom de zaak aan te houden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat uit de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 24 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd in
the Łódź Remand Prisonen dat hij over niet minder dan 3 m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel (exclusief sanitaire voorzieningen) zal beschikken. Verder blijkt uit de aanvullende informatie dat de Poolse autoriteiten niet kunnen vaststellen hoeveel tijd de opgeëiste persoon - naast een dagelijkse wandeling van één uur - buiten zijn cel kan doorbrengen.
Op basis van deze informatie kan de rechtbank niet vaststellen hoe lang de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden gemiddeld per dag buiten de cel kan verblijven als hij aan alle aangeboden activiteiten deel zou nemen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gegeven informatie op dit moment onvoldoende concreet is om voor de opgeëiste persoon het algemene reële gevaar uit te sluiten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het antwoord van de Poolse autoriteiten op de door het IRC op 26 februari 2026 gestelde vraag af te wachten. De rechtbank verzoekt de officier van justitie daarnaast de volgende aanvullende vraag te stellen:
Indien u dit niet kunt bevestigen, kunt u dan zo concreet mogelijk aangeven hoeveel tijd de opgeëiste persoon, onder normale omstandigheden en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld dagelijks buiten zijn cel kan verblijven?
De rechtbank zal het onderzoek hiertoe heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd. De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 16 april 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn verlengen met 30 dagen (tot 16 mei 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

8.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om het antwoord van de Poolse autoriteiten op de door het IRC geformuleerde vraag van 26 februari 2026 af te wachten en het IRC in de gelegenheid te stellen de onder 7.2 geformuleerde aanvullende vraag te stellen aan de Poolse autoriteiten;
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen (tot
16 mei 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW;
BEPAALTdat de zaak vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 16 mei 2026, uiterlijk op
30 april 2026opnieuw op zitting moet worden gepland;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
5.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
6.HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (
7.HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (
8.HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (
9.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
10.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
11.Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.