ECLI:NL:RBAMS:2026:3098

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
AMS 24 / 6105
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 28 WrbArt. 32 WrbBesluit proceskosten bestuursrechtWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Raad voor Rechtsbijstand onvoldoende gemotiveerd weigering toevoeging hoger beroep

Eisers, betrokken bij een arbeidsrechtelijk conflict met hun werkgever, de gemeente, hadden voor drie verschillende beroepen toevoegingen ontvangen. Na ongegrondverklaring van deze beroepen door de rechtbank Den Haag, verzochten zij opnieuw om toevoegingen voor hoger beroep. De Raad voor Rechtsbijstand weigerde een toevoeging voor het hoger beroep tegen de uitspraak over de dienstopdracht, stellende dat dit onder een eerder verleende toevoeging viel.

De rechtbank oordeelt dat de Raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat het hoger beroep over de dienstopdracht en het hoger beroep over het ontslag hetzelfde rechtsbelang betreffen. Hoewel er enige overlap in feiten is, verschillen het doel en het beoogd eindresultaat wezenlijk. Het hoger beroep over de dienstopdracht richt zich op de intrekking van de dienstopdracht, terwijl het hoger beroep over het ontslag zich richt op het ongedaan maken van het ontslag.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt de Raad een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten en het griffierecht aan eisers toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand en beveelt een nieuw besluit te nemen over de toevoeging voor hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 24/6105

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] , zonder vaste woon- of verblijfplaats, eiseres

(gemachtigde: mr. [eiser 2] ),
en

mr. [eiser 2] , advocaat in [plaats 1] , eiser,

samen te noemen: eisers
en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, de raad

(gemachtigde: mr. C. de Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2024 (het primaire besluit) heeft de raad de aanvraag van eiseres voor een toevoeging afgewezen.
Bij besluit van 30 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de raad het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De raad heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de raad.

Overwegingen

Achtergrond
1. Eiseres heeft in het kader van een arbeidsrechtelijk conflict met de gemeente [plaats 2] , haar (toenmalige) werkgever, drie beroepen bij de rechtbank Den Haag ingesteld. Hierbij heeft eiser opgetreden als haar gemachtigde. Voor elk van deze beroepen is aan eiseres een toevoeging verleend. [1] Deze beroepen hadden – samenvattend – betrekking op het volgende:
- het beroep met zaaknummer SGR 16/7506 had betrekking op de besluitvorming over de weigering om de eerder stopgezette bezoldiging van eiseres te hervatten, omdat eiseres nog altijd geen aanvraag voor een WIA [2] -uitkering had ingediend.
  • het beroep met zaaknummer SGR 18/4044 had betrekking op de besluitvorming over het weigeren van een dienstopdracht om zich bij de bedrijfsarts te melden.
  • het beroep met zaaknummer SGR 18/5794 had betrekking op de besluitvorming over het ontslag wegens de weigering om een WIA-uitkering aan te vragen (de primaire ontslaggrond), dan wel wegens het negeren van de haar gegeven dienstopdracht en omdat eiseres zich op fundamentele wijze heeft onttrokken aan haar verplichtingen (de subsidiaire ontslaggrond).
1.1.
Bij uitspraak van 21 december 2022 [3] heeft de rechtbank Den Haag deze beroepen ongegrond verklaard. Eiseres heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak en heeft de raad voor de te voeren hoger beroepsprocedures opnieuw om drie toevoegingen verzocht.
Besluitvorming
2. De raad heeft aan eiseres een toevoeging verleend voor het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake de weigering de bezoldiging van eiseres te hervatten (kenmerk: 4QC8125) en het hoger beroep inzake het ontslag van eiseres (kenmerk: 4QC4479).
2.1.
In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de raad de aanvraag van eiseres om een toevoeging voor het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak inzake de weigering van de dienstopdracht afgewezen. Volgens de raad vallen de te verrichten werkzaamheden van de gemachtigde van eiseres namelijk onder het bereik van de onder kenmerk 4QC4479 verleende toevoeging. Dat in de beroepsfase wel twee afzonderlijke toevoegingen zijn verleend voor de procedure over de dienstopdracht en het ontslag, maakt niet dat de raad in hoger beroep opnieuw twee toevoegingen had moeten verlenen. Primair stelt de raad zich op het standpunt dat er per aanvraag opnieuw moet worden beoordeeld of de toevoeging valt onder het bereik van een eerder verleende toevoeging. De zaak bevindt zich nu immers in de fase van hoger beroep en er is één uitspraak waar hoger beroep tegen is ingesteld. Subsidiair meent de raad dat volgens vaste rechtspraak een eenmaal gemaakte fout niet hoeft te worden herhaald.
Het juridisch kader
4. Op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 32 van Pro de Wrb [4] kan de raad indien sprake is van één rechtsbelang met één toevoeging volstaan. Als voor hetzelfde rechtsbelang eerder al een toevoeging is verleend, kan de raad een aanvraag voor een nieuwe toevoeging daarom weigeren op de grond dat de te verrichten werkzaamheden al onder het bereik van de eerder verleende toevoeging vallen. Bij de beoordeling van de vraag of de aanvraag om een toevoeging betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging, komt de raad beoordelingsruimte toe. Deze beoordelingsruimte heeft de raad ingevuld met beleid, dat is neergelegd in de werkinstructie ‘Bereik’. Hierin staat dat voor de afbakening van het begrip rechtsbelang bepalend is wat het doel én beoogd eindresultaat is van de rechtsbijstand in combinatie met het onderliggende feitencomplex. Uit vaste rechtspraak [5] van de Afdeling [6] volgt dat als het doel en het beoogd eindresultaat van de verschillende toevoegingen identiek is, sprake is van één rechtsbelang. Ook als het doel en beoogd eindresultaat weliswaar niet identiek zijn, maar er wel sprake is van een samenstel van rechtsbelangen zonder zelfstandige betekenis, kan één rechtsbelang worden aangenomen.
Het oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is met eisers van oordeel dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag voor zover die ziet op de weigering van de dienstopdracht betrekking heeft op hetzelfde rechtsbelang als het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag voor zover die gaat over het ontslag van eiseres. De rechtbank stelt vast dat met het hoger beroep inzake de dienstopdracht door eiseres wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat haar werkgever haar een dienstopdracht mocht geven om zich te melden bij een externe bedrijfsarts. Met het hoger beroep inzake het ontslag komt eiseres op tegen het oordeel van de rechtbank dat haar werkgever haar wegens de weigering een WIA-uitkering aan te vragen mocht ontslaan (de primaire ontslaggrond). [7] De rechtbank overweegt dat er tussen beide procedures weliswaar enige overlap bestaat in het feitencomplex, maar dat er duidelijk sprake is van een ander doel en beoogd eindresultaat. Zoals eiser op de zitting heeft toegelicht, is het doel van de eerste hoger beroepsprocedure gelegen in de intrekking van het besluit waarin eiseres een dienstopdracht is gegeven en is daarbij feitelijk alleen aan de orde dat eiseres een dienstopdracht om bij de bedrijfsarts te verschijnen heeft geweigerd en de motieven die aan deze weigering ten grondslag liggen. De tweede hoger beroepsprocedure kent een geheel ander doel, namelijk het ongedaan maken van het ontslag van eiseres, waarbij ter beoordeling voorligt of eiseres een verwijt kan worden gemaakt dat zij geen WIA-uitkering heeft aangevraagd. De rechtsbelangen die in deze procedures voorliggen zijn naar het oordeel van de rechtbank gelet hierop wezenlijk anders. Dat de rechtbank in eerste aanleg in één uitspraak over beide procedures heeft geoordeeld, doet hier niet aan af.
5.1.
De raad heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de zaken onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden omdat uit de uitspraak van de rechtbank blijkt dat één van de grondslagen voor het ontslag van eiseres de weigering van de dienstopdracht betreft. Om tot het ontslag van eiseres te komen, heeft de werkgever de dienstopdracht aan eiseres gegeven om zich bij de bedrijfsarts te melden. De rechtbank volgt de raad niet in dit standpunt. De werkgever heeft het ontslag van eiseres blijkens voornoemde uitspraak namelijk primair gebaseerd op de weigering van eiseres een WIA-uitkering aan te vragen. Bij deze ontslaggrond speelt de weigering van eiseres om uitvoering aan de dienstopdracht te geven geen rol. Deze weigering is enkel relevant in het kader van de subsidiaire ontslaggrond. Dat er een onlosmakelijke samenhang tussen de hoger beroepsprocedures over de dienstopdracht en het ontslag bestaat, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook minder relevant gelet op het eerder beoordeelde doel en het beoogd eindresultaat in beide hoger beroepsprocedures.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank concludeert dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat beide procedures betrekking hebben op hetzelfde rechtsbelang. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb [8] . Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De raad zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
7. De rechtbank veroordeelt de raad in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1).
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de raad aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de raad op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt de raad op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eisers te vergoeden;
-veroordeelt de raad in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
griffier
De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kenmerken: 4PJ5504, 4PJ5510 en 4PJ5519.
2.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
4.Wet op de rechtsbijstand.
5.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:155.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Omdat de rechtbank echter van oordeel was dat de werkgever eiseres reeds op grond van de primaire ontslaggrond mocht ontslaan, is de rechtbank niet toegekomen aan een bespreking van de subsidiaire ontslaggrond.
8.Algemene wet bestuursrecht.