Eiser vroeg op 5 april 2024 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan om als rijinstructeur te kunnen werken. De staatssecretaris weigerde deze aanvraag op grond van een eerdere veroordeling wegens verkrachting in 2015, waarbij een onbeperkte terugkijktermijn en een verscherpt toetsingskader gelden voor seksuele misdrijven.
De staatssecretaris oordeelde dat de weigering niet evident disproportioneel was, mede vanwege het feit dat eiser het misdrijf pleegde in de uitoefening van een beroep waarbij het slachtoffer afhankelijk was, en dat als rijinstructeur eveneens kwetsbare personen worden begeleid. Eiser voerde aan dat de weigering onterecht was vanwege het tijdsverloop, zijn recidivevoorkomende factoren, zijn positieve functioneren als rijinstructeur en het feit dat hij zijn straf had uitgezeten.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht het belang van de bescherming van de samenleving zwaarder heeft gewogen dan het persoonlijke belang van eiser. Het feit dat eiser al vijf jaar als rijinstructeur werkt en positieve beoordelingen heeft, weegt onvoldoende mee om de weigering evident disproportioneel te achten. Ook het tijdsverloop en de omstandigheden van eiser rechtvaardigen geen andere uitkomst.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter H.J. Doets op 11 maart 2026.