AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing vordering zekerheidsstelling proceskosten in koopwoninggeschil
Partijen sloten medio 2025 een koopovereenkomst voor een woning. Gedaagden stelden eiser in gebreke wegens niet tijdige afname van de woning, waarop eiser de koopovereenkomst ontbond wegens wanprestatie. Eiser vordert betaling van de koopsom vermeerderd met rente en proceskosten.
Gedaagden vorderen in een incident zekerheidsstelling voor proceskosten en schadevergoeding op grond van artikel 224 RvPro, omdat eiser geen woonplaats in Nederland heeft. De rechtbank overweegt dat zekerheidsstelling alleen mogelijk is indien verhaal in Nederland niet aannemelijk is.
Eiser heeft toegelicht dat zij twee onroerende zaken in Nederland bezit met een positieve waarde boven de hypotheekschuld en een bankgarantie heeft gesteld. Dit maakt aannemelijk dat verhaal van proceskosten mogelijk is. De vordering tot zekerheidsstelling wordt daarom afgewezen.
Gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten van het incident. De zaak wordt verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak. Het vonnis is gewezen door rechter B.M. Visser en op 25 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot zekerheidsstelling af en veroordeelt gedaagden in de proceskosten van het incident.
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/780224 / HA ZA 25-1815
Vonnis in incident van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.H.W. van Ewijk,
tegen
1.[gedaagde 1] ,
te [woonplaats 2] , 2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. J.D. Poot.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 3 december 2025,
- incidentele vordering zekerheidsstelling voor proceskosten ex artikel 224 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv),
- verweer in incident, met producties,
- akte uitlating producties in het incident van [gedaagden] , met producties,
- akte uitlating productie in het incident 21 Rv van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2.De feiten in het incident
2.1.
Medio 2025 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten omtrent de woning [adres 1] .
2.2.
In artikel VI lid 3 van de Algemene Bepalingen van de koopovereenkomst staat het volgende: als gevolg van de ontbinding wegens wanprestatie verbeurt de tekortschietende partij ten behoeve van de wederpartij een terstond opeisbare boete van 10% van de koopsom.
2.3.
[gedaagden] hebben op 28 oktober 2025 [eiser] in gebreke gesteld wegens het niet op de overeengekomen datum (24 oktober 2025) afnemen van de woning.
2.4.
Op 30 oktober 2025 heeft [eiser] op haar beurt een ingebrekestelling gestuurd aan [gedaagden] in verband met de koopovereenkomst.
3.Het geschil in de hoofdzaak
3.1.
[eiser] vordert - kort samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
betaling van € 154.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;
de beslagkosten en III) de proceskosten, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis.
3.2.
[eiser] stelt dat de woning niet af was op de overeengekomen leverdatum en dat [gedaagden] de vervolgens gekregen hersteltermijn ongebruikt hebben laten verstrijken en in verzuim zijn komen te verkeren. Daarom heeft [eiser] besloten om de koopovereenkomst te ontbinden. Hierdoor zijn [gedaagden] de contractuele boete van 10% van de koopsom verschuldigd.
3.3.
[gedaagden] hebben in de hoofdzaak nog niet van antwoord gediend.
4.Het geschil en de beoordeling in het incident tot zekerheidsstelling
4.1.
[gedaagden] vorderen dat de rechtbank [eiser] veroordeelt om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn zekerheid te stellen voor de proceskosten, door hen berekend op € 5.787,--, en schadevergoeding van € 154.100,--, door middel van een onherroepelijke bankgarantie, of in depot geven op de derdengeldrekening van een notaris of advocaat, onder overlegging van een depotovereenkomst, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagden] baseren hun vordering op artikel 224 RvPro en stellen dat aan de daarin genoemde vereisten wordt voldaan. Ook stellen zij dat zij (net als [eiser] ) aanspraak hebben gemaakt op de contractuele boete uit de koopovereenkomst ad € 154.100,-- en dat zij dit in reconventie zullen vorderen in de hoofdzaak.
4.3.
[eiser] voert verweer.
4.4.
De rechtbank overweegt dat artikel 224 lid 1 RvPro, voor zover hier van belang, bepaalt dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden.
4.5.
De strekking van artikel 224 RvPro is te voorkomen dat een in het gelijk gestelde gedaagde wordt geconfronteerd met oninbaarheid van een proceskostenveroordeling als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in het land waar de eiser zijn woonplaats heeft. [1]
4.6.
[gedaagden] vorderen zekerheidsstelling voor zowel als schadevergoeding als voor de proceskosten. Voor de schadevergoeding van € 154.100,-- is de gevorderde zekerheidsstelling hoe dan ook niet toewijsbaar. Zekerheidsstelling op grond van artikel 224 RvPro is alleen mogelijk voor schade die een rechtstreeks gevolg is van het in rechte opkomen van de eiser [2] . De schadevergoeding waar [gedaagden] het oog op hebben is een contractuele boete wegens wanprestatie in de koopovereenkomst, en dat is een geheel andere vorm van schade.
4.7.
Voor de gevorderde zekerheidsstelling voor de proceskosten geldt het volgende.
4.8.
Tussen partijen bestaat geen discussie dat [eiser] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Ook is niet in geschil dat van de vier uitzonderingsgronden genoemd in artikel 224 lid 2 RvPro er in dit geval drie niet van toepassing zijn. Namelijk de gronden dat de zekerheidsstelling verboden is door internationaal recht of dat een proceskostenveroordeling executabel is in het woonland van de eiser (sub a en b) en de grond van belemmering van effectieve toegang tot de rechter (sub d).
4.9.
Wel zijn partijen het oneens over de laatste uitzonderingsgrond van aannemelijke verhaalsmogelijkheden in Nederland (sub c) en de vraag of die in dit geval van toepassing is. Bij haar beroep op deze grond voert [eiser] aan dat zij over een tweetal onroerende zaken in Nederland beschikt en daarnaast dat zij een bankgarantie heeft gesteld ten belope van 10% van de koopsom.
4.10.
Het beroep van [eiser] slaagt. Weliswaar wijzen [gedaagden] er terecht op dat beide onroerende zaken van [eiser] bezwaard zijn met een hypotheek, maar dat de woningen ‘onder water’ staan en daardoor geen zekerheid bieden blijkt niet. [eiser] heeft namelijk concreet toegelicht dat op de hypotheek van de eerste woning ( [adres 3] ) al aanzienlijk is afgelost en dat de resterende hypotheekschuld € 391.491 is, tegenover een waarde van de woning van inmiddels ruim € 550.000,-. Ook de hypotheekschuld van de tweede woning ( [adres 2] ) is met € 482.423 lager dan de koopsom van die woning van € 495.000,-. Bij die stand van zaken is redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van de door eisers berekende proceskosten van € 5.787,- in Nederland mogelijk zal zijn. [gedaagden] wijzen er ook nog op dat een kans bestaat dat de woningen worden vervreemd, maar dat maakt het voorgaande niet anders. Zekerheid over de mogelijkheid van verhaal is immers niet vereist [3] .
4.11.
De rechtbank zal de vordering tot zekerheidsstelling dan ook afwijzen.
Proceskosten
4.12.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in het incident betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
653,00
(1 punt × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
842,00
5.De beslissing
De rechtbank
in het incident tot zekerheidsstelling
5.1.
wijst de vordering van [gedaagden] af,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten in het incident van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.4.
verwijst de zaak naar de rol van 6 mei 2026voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden] ,
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door B.M. Visser, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.