ECLI:NL:RBAMS:2026:2837

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
13-034354-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 27 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam heeft op 11 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen voor een verdachte geboren in 1981. De zaak betreft strafbare feiten waaronder deelneming aan een criminele organisatie, medeplegen van opzettelijke overtredingen van de Opiumwet en witwassen. De verdachte verblijft al meer dan vijf jaar rechtmatig in Nederland en wordt gelijkgesteld met een Nederlander, waardoor de overlevering onder voorwaarden kan plaatsvinden.

De rechtbank heeft onderzocht of de opgeëiste persoon na overlevering een eerlijk proces zal krijgen en of de detentieomstandigheden in de Poolse voorarrestgevangenis Łódź Remand Prison voldoen aan de mensenrechten. Hoewel er algemene zorgen zijn over de Poolse detentieomstandigheden, is niet aangetoond dat er een individueel reëel gevaar bestaat voor de verdachte. Wel is onduidelijk hoeveel tijd de verdachte dagelijks buiten zijn cel zal kunnen doorbrengen, omdat de Poolse autoriteiten tegenstrijdige informatie hebben verstrekt.

Vanwege deze onduidelijkheid en het mogelijke individuele risico op schending van grondrechten houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan en stelt een redelijke termijn van 30 dagen vast om nieuwe informatie af te wachten. De gevangenhouding van de verdachte wordt verlengd en de zaak wordt heropend en geschorst tot uiterlijk 16 april 2026. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over de overlevering aan vanwege onduidelijkheid over detentieomstandigheden en verlengt de beslistermijn en gevangenhouding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-034354-25
Datum uitspraak: 11 maart 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 23 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 september 2024 door
the Regional Court in Piotrków Trybunalski, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 12 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Zitting 25 februari 2026
De rechtbank heeft - met instemming van partijen - in gewijzigde
samenstelling de behandeling van het EAB voortgezet op de zitting van 25 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N. de Leon, advocaat in Utrecht, waarnemend voor mr. L. de Leon en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van
the District Court for Łódź-Śródmieście in Łódźvan 3 november 2023 met kenmerk IV1 Kp 572/23.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst een deel van de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft een deel de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2A onder b van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft op de zitting van 12 februari 2026 verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. Daartoe zijn de op 21 januari 2026 ingediende stukken relevant. Inmiddels is er ook een voor opgeëiste persoon positief bericht van de IND. Bij brief van 19 februari 2026 hebben de Poolse autoriteiten gereageerd op de vraag een terugkeergarantie af te geven. De raadsvrouw heeft zich op de zitting van 25 februari 2026 op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is of hier werkelijk van een garantie sprake is en of de afgegeven ”garantie” onvoorwaardelijk is.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is het met de verdediging eens dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gegeven terugkeergarantie voldoende duidelijk is. In de aanvullende informatie wordt artikel 607j uit het Poolse Wetboek van Strafvordering genoemd. Onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank [4] wijst de officier van justitie erop dat de rechtbank bekend is met dat artikel en dat hiermee vast staat dat de opgeëiste persoon zal worden teruggestuurd naar Nederland nadat het vonnis in Polen onherroepelijk is geworden om hier zijn straf uit te zitten. De afgegeven terugkeergarantie is dus ook onvoorwaardelijk.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
De tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). Uit de brief van de IND van 17 februari 2026 volgt dat de verwachting niet is dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht zal verliezen.
De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW dan ook worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.
The Prosecutor - delegated to the Łódź Branch - Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Łódźheeft bij brief van 19 februari 2026, voor zover relevant, de volgende garantie gegeven:
"However, regarding the execution of [opgeëiste persoon] prison sentence in the Kingdom of the Netherlands, I would like to inform you that the Republic of Poland complies with all provisions of international agreements on international legal assistance in criminal matters to which it is a party, including the European Framework Decision on the European Arrest Warrant.
Furthermore, the Polish Code of Criminal Procedure of 6 June 1997 also regulates the subject of surrender subject to the execution of prison sentences in the executing country.
Pursuant to Article 607j [Surrender subject to execution of custodial sentences in the executing state]
Paragraph 1.
If the executing state has surrendered the requested person on the condition that the custodial sentence or other measure involving deprivation of liberty will be executed in that state, enforcement proceedings shall not be initiated.
Paragraph 2.
In the case referred to in paragraph 1, the court having jurisdiction to hear the case shall, immediately after the judgment becomes final, issue an order to transfer the sentenced person to the appropriate European Union Member State for the purpose of enforcing the sentence or other measure involving deprivation of liberty. A copy of the order, together with a copy of the enforceable judgment, shall be forwarded to the competent judicial authority of the executing state.
Therefore, if the judicial authorities of the Netherlands transfer the person sought to Poland on condition that the execution of the sentence of imprisonment or another measure involving deprivation of liberty will take place in that country, enforcement proceedings on the territory of Poland shall not be initiated, and the court competent to hear the case, immediately after the judgment becomes final, shall issue a decision to transfer the convicted person to the appropriate Member State of the European Union. (...)"
Deze garantie is naar het oordeel van de rechtbank voldoende.
In de garantie staat dat als de opgeëiste persoon wordt overgeleverd onder de voorwaarde dat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel in de uitvoerende lidstaat plaats zal vinden, zoals de rechtbank in dit geval doet door de overlevering van de opgeëiste persoon afhankelijk te maken van een terugkeergarantie, deze voorwaarde wordt gerespecteerd. De Poolse rechter zal een bevel afgeven tot overdracht van de veroordeelde persoon naar die uitvoerende lidstaat. Bovendien zijn de toepasselijke bepalingen uit het Poolse wetboek geciteerd. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat de opgeëiste persoon na een onherroepelijke veroordeling zijn straf in Nederland kan uitzitten en de hiervoor vermelde brief van 19 februari 2026 kan daarom als een onvoorwaardelijke terugkeergarantie worden beschouwd. [5] De rechtbank verwerpt het verweer.

6.Artikel 11 OLW Pro

6.1
Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen strafdossier beschikbaar is en dat daarom niet kan worden vastgesteld of de opgeëiste persoon een eerlijk proces in Polen zal krijgen. Het EAB ziet op feiten die tien en een half jaar geleden zijn gepleegd en het is niet bekend of de middelen die genoemd worden destijds wel strafbaar waren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is onderbouwd dat de structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
De rechtbank stelt vast dat het aan de Poolse rechter is om te oordelen over de strafbare feiten. De opgeëiste persoon heeft geen elementen aangevoerd waaruit blijkt dat de structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak. Niet is aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7] Het verweer wordt verworpen.
6.2
Artikel 11 OLW Pro: Poolse detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank heeft eerder geoordeeld [8] dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van
schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. Verder is de onduidelijkheid over de termijn waarop de opgeëiste persoon contact met de buitenwereld kan bewerkstelligen een bijkomende verzwarende omstandigheid.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het concrete geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dit nadere onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 2 februari 2026 de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
“1. In which remand prison will [opgeëiste persoon] most likely be detained after his
surrender?
2. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will [opgeëiste persoon] have
in a multi-occupancy cell? In case [opgeëiste persoon] will be provided with an amount of
personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a
multi-occupancy cell, could you please answer the following question(s):
3. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours
per day outside of his cell?
4. If not, how many hours per day on average would [opgeëiste persoon] under normal
circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he/she took
advantage of all opportunities offered to him to leave his cell?
The Court requests information on:
-
Which activities the wanted person can participate in;
-
The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library, common rooms, etc.);
-
The frequency of such activities and how much time the wanted person can access the common areas outside of the cell;
-
Whether the permission to participate in activities or access to common areas is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case, which conditions or procedural rules; and/or
-
Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general risk of ill-treatment has been discounted.”
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij mailbericht van 9 februari 2026 deze vragen, voor zover relevant, als volgt beantwoord:
“in response to your request of 2 February 2026 for additional information concerning the execution of the European Arrest Warrant for Polish citizen [opgeëiste persoon], born on [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats], Poland, due to concerns expressed by the Dutch judicial authorities regarding the violation of the fundamental rights of persons held in pre-trial detention, I hereby inform you as follows.
The conditions for serving a preventive measure in the form of pre-trial detention are consistent with applicable law. Currently, pursuant to Article 110, paragraph 2 of the Executive Penal Code, the area of a residential cell is no less than 3 m² per person. Pursuant to paragraph 1, section 3 of Order No. 87/2025 of the Director General of the Prison Service of November 17, 2025, on technical and protective requirements for
buildings housing inmates in organizational units of the Prison Service, in planned accommodation buildings intended for persons under temporary arrest and inmates serving sentences of imprisonment in closed prisons, the area of a cell (excluding sanitary facilities) with a capacity of 3 to 4 inmates may be increased by a maximum
of 10% compared to the standard specified in Article 110, paragraph 2 of the Executive Penal Code, and for a capacity of 5 to 6 inmates it may be increased by 12-15% compared to this standard. [opgeëiste persoon], as a temporary detainee of the local Prosecutor's Office, will be held at the Łódź Remand Prison, in accordance with local jurisdiction.
As a rule, temporary detainees are housed in the aforementioned penitentiary in three- or four-person cells, in the residential pavilion opened after a general renovation in 2022. The second residential pavilion will be opened after a general renovation by the end of the first quarter of this year. Therefore, there is no concern that [opgeëiste persoon] could complain about inadequate social and living conditions while in the Łódź Remand Prison.
Every inmate, regardless of their legal status, is guaranteed the right to exercise all rights provided for in the regulations governing the execution of a prison sentence or the execution of temporary detention. Regarding the issues raised in your letter, it is impossible to determine how long a person in pretrial detention will be held outside their cell. This is because staying outside their cell depends on the internal regulations in force in each prison and the scope of rights a given person in pretrial detention wishes to exercise on a given day, including: a walk (at least one hour per day), visits with loved ones, visits with a proxy (no time limit on visits), use of a payphone (no time limit on calls with a proxy), cultural and educational activities (according to the schedule), religious services outside their cell, use of the bathhouse, use of the depository warehouse, access to the canteen for shopping, and, in the case of reports, access to a psychologist or counselor at the outpatient clinic.
Persons held in pretrial detention are guaranteed the opportunity to participate in community center activities, use library resources, and participate in competitions organized by correctional officers. The preventive measure of pretrial detention is intended to ensure the proper conduct of criminal proceedings. Therefore, pretrial detainees exercise their rights, including those in isolation groups. They are permitted to
contact other pretrial detainees (unless this conflicts with the preventive measure imposed on them) in areas such as exercise yards and departmental community centers. The use of community center activities and walks is determined by internal regulations and carefully regulated by ongoing plans for the implementation of walks and
community center activities. Participation in these activities and walks is based on notifications submitted to superiors.
The manner in which pre-trial detention is carried out at the Łódź Remand Center is subject to inspection by external entities such as the Penitentiary Judge, the Office of the Commissioner for Human Rights, and the Sanitary Inspectorate, as well as higher-level authorities such as the District Director of the Prison Service in Łódź and the Director General of the Prison Service. Therefore, any concerns expressed by Dutch judicial
authorities regarding the manner in which pre-trial detention is carried out in the Republic of Poland are unfounded.”
Op 16 februari 2026 heeft het IRC de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:

In response to your message of 9 February 2026, I would like to ask you the following:
If [opgeëiste persoon] decides to take advantage of all opportunities afforded to him to leave his cell, how many hours per day on average would [opgeëiste persoon], under normal circumstances, be able to spend outside of his cell at a minimum?”
Op 19 februari 2026 heeft
the Prosecutor - delegated to the Łódź Branch - Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Łódźde volgende aanvullende informatie toegevoegd:
"(
...) Evidence is currently being collected as part of the ongoing investigation and if this allows for a substantive decision to be made and an indictment to be filed with the Court against [opgeëiste persoon], then after the court proceedings are concluded and a conviction is issued, the Court, and not the prosecutor at this stage of the proceedings, will determine the conditions and place of serving the prison sentence. (...)
Regarding the determination of the time that [opgeëiste persoon] will be allowed to spend outside his cell while serving his sentence in a Polish prison, the related issues were clarified in the letter dated February 9, 2026. (...)
However, in addition to the information provided, I would like to inform you that Polish prisons observe nighttime hours, which last from 10:00 PM to 6:00 AM. Furthermore, meals are served in their cells. Therefore, prisoners must remain in their cells during this time. Every prisoner is entitled to at least one hour of outdoor exercise daily. Other outings depend on the organization of the given prison, the prisoner's attitude, and their willingness to exercise their rights to participate in sports, rehabilitation, educational, religious activities, work, contact with loved ones, defense counsel, and other activities."
Op 23 februari 2026 heeft het IRC in reactie op deze informatie nog de volgende aanvullende vraag gesteld:
“In previous cases in which the requested person would be detained in the detention centre in Lodz ( ECLI:NL:RBAMS:2024:8759 and ECLI:NL:RBAMS:2025:10068), the following information was provided by your authorities:
Inmates have the opportunity to participate in out-of-cell activities organized by the facility's administration, such as lectures or exhibitions. Information about the possibility of participating in such out-of-cell activities is provided to inmates and they make their own decisions regarding participation. The main venues for these activities are the recreation rooms located in the individual residential units, the library, and the workshops and rooms designed for this purpose. In addition, detainee are entitled to an hour-long walk outdoors and an hour-long stay in the recreation room each day (activities in the recreation room are conducted according to a schedule prepared by the counselor).
And:
An inmate in a prison has the right to walk for at least 1 hour a day. He also has the right to stay outside the cell if the inmate participates in cultural and educational activities organized by the prison administration. Currently, the Detention Center in Łódź conducts such classes in the number of 3 per day, each of them lasts 1 hour. This means that after signing up for such classes, an inmate can stay outside the cell for up to 4 hours every day.
Could you confirm whether this information also applies to [opgeëiste persoon]?”
Op 24 februari 2026 heeft
the Prosecutor - delegated to the Łódź Branch - Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Łódźde volgende aanvullende informatie toegevoegd:
“In response to your inquiries of February 23, 2026, regarding [opgeëiste persoon], a suspect in the case of this Department, I hereby inform you that [opgeëiste persoon] will be able to spend time outside his cell at the Remand Center and the Prison (if he is convicted by a final court judgment), for the same number of hours as other inmates in the above-mentioned penitentiary institutions in Poland, under the terms you described in your inquiry to this Prosecutor's Office of February 23, 2026, and under the terms specified in our correspondence regarding the extradition of [opgeëiste persoon].”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. De aanvullende informatie heeft het algemene gevaar op schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon niet weggenomen. Op 9 februari 2026 schrijven de Poolse autoriteiten dat het niet mogelijk is om te bepalen hoeveel tijd een gedetineerde buiten de cel zal verblijven, terwijl op 24 februari 2026 wordt vermeld dat de opgeëiste persoon evenveel tijd buiten de cel zal kunnen doorbrengen als de gedetineerden waarvoor in andere procedures detentiegaranties zijn afgegeven en waarnaar door het IRC naar wordt verwezen. Nergens wordt concreet genoemd hoeveel uur de opgeëiste persoon buiten zijn cel zal kunnen verblijven. De raadsvrouw heeft verzocht in deze zaak gelijkluidend te oordelen als in de uitspraak van deze rechtbank van 31 december 2025. [9] Zij heeft verzocht het openbaar ministerie nu al niet- ontvankelijk te verklaren en niet nog een termijn te geven om af te wachten of wijziging in de omstandigheden optreedt. Subsidiair heeft de raadsvrouw om aanhouding van de zaak verzocht om een redelijke termijn te stellen om na te gaan of zich een wijziging in omstandigheden voordoet.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemene gevaar op schending van de grondrechten voor de opgeëiste persoon is weggenomen met de aanvullende informatie van 24 februari 2026. De Poolse autoriteiten bevestigen met deze informatie dat de detentiegaranties uit de andere zaken ook op de opgeëiste persoon van toepassing zijn. De opgeëiste persoon zal dus minimaal twee of zelfs vier uur per dag buiten zijn cel kunnen verblijven. Daarnaast ziet de uitspraak van 31 december 2025 die de raadsvrouw aanhaalt op een andere detentie-instelling waardoor deze zaak niet vergelijkbaar is.
Oordeel van de rechtbank
Uit de aanvullende informatie van 9 februari 2026 leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon geplaatst zal worden in
Łódź Remand Prisonwaar hij minimaal 3 m2 (exclusief sanitair) tot zijn beschikking zal hebben in een meerpersoonscel.
Met betrekking tot de detentieomstandigheden – met name met betrekking tot het aantal uren dat de opgeëiste persoon buiten de cel kan doorbrengen – in deze gevangenis oordeelt de rechtbank als volgt.
De rechtbank constateert dat in de aanvullende informatie van 24 februari 2026 wordt verwezen naar “
our correspondence regarding the extradition of [opgeëiste persoon]”. De rechtbank begrijpt dit zo dat de Poolse autoriteiten verwijzen naar de inhoud van de brieven van 9 en 19 februari 2026. De rechtbank is van oordeel dat informatie in de brief van 24 februari 2026 niet samen kan gaan met de informatie in de eerdere correspondentie van 9 en 19 februari 2026 en licht dit als volgt toe.
Op 9 februari 2026 hebben de Poolse autoriteiten aangegeven dat zij niet kunnen aangeven hoeveel uur een gedetineerde per dag buiten zijn cel zal kunnen verblijven. Op 19 februari 2026 hebben de Poolse autoriteiten informatie verstrekt waarin zij garanderen dat een gedetineerde minimaal één uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Vervolgens staat in de informatie van 24 februari 2026 dat de opgeëiste persoon
“the same number of hours”buiten zijn cel zal kunnen verblijven als de gedetineerden in de zaken waar het IRC naar verwezen heeft in de aan hen toegezegde detentiegaranties. Dit zou betekenen dat hij vier uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Deze informatie strookt dus niet met de eerdere informatie die voor deze opgeëiste persoon is gegeven en die – zo blijkt uit de woorden “
under the terms specified in our correspondence”- ook nog steeds toepasselijk is. Het is de rechtbank op grond van deze informatie dus nog steeds onduidelijk welke toezegging van de Poolse autoriteiten geldt voor de situatie van de opgeëiste persoon en hoeveel uur per dag hij minimaal buiten de cel zal kunnen verblijven in
the Łódź Remand Prison. Op basis van de verstrekte informatie kan de rechtbank ook niet een bredere afweging van de invulling van een gemiddelde dag van de opgeëiste persoon in het Poolse
remand regimemaken. [10]
De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten door de detentieomstandigheden in
Łódź Remand Prisonals de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijzing van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank acht het echter – anders dan de raadsvrouw – niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen.
De rechtbank houdt daarom de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aan. De rechtbank stelt daarbij op grond van artikel 11, vierde lid, OLW een redelijke termijn vast van 30 dagen na deze uitspraak. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (die verstrijkt op 9 april 2026), of uiterlijk tien dagen daarna, zodat kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 19 maart 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW de beslistermijn met 60 dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

7.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van de redelijke termijn (die verstrijkt op 9 april 2026)
namelijk in de periode van 9 tot en met 16 april 2026.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met
60 dagen (eindigend op 17 mei 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste) gevangenhouding van de opgeëiste persoon met zestig dagen.
BEVEELTde
oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsmantegen de hiervoor genoemde datum en tijdstip.
BEVEELTde
oproeping van een tolk voor de Poolsetaal tegen de hiervoor genoemde datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. C. Klomp en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 9 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5170.
6.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
7.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
8.Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311
9.ECLI:NL:RBAMS: 2025:10568.
10.Vgl. Rechtbank Amsterdam, 1 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7310.