ECLI:NL:RBAMS:2026:2799

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
13-288662-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 27 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering uitvoering Europees aanhoudingsbevel wegens detentieomstandigheden en verjaring

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 maart 2026 de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon, van Poolse nationaliteit, werd verdacht van een strafbaar feit gepleegd in 2002. De procedure kende meerdere zittingen, waaronder een tussenuitspraak op 21 januari 2026, waarin reeds werd geoordeeld over de strafbaarheid en de gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander.

De rechtbank onderzocht de evenredigheid van het EAB en concludeerde dat de Poolse autoriteiten het verzoek tot tenuitvoerlegging handhaven, maar dat de detentieomstandigheden in Polen een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon vormen. De Poolse autoriteiten konden niet garanderen dat de opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten de cel kan verblijven en dat zij over voldoende persoonlijke leefruimte beschikt. Dit leidde tot de conclusie dat het algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling niet kon worden uitgesloten.

Daarnaast werd de vraag behandeld of het toezenden van een M-formulier door het Poolse Sirene-bureau aan het Nederlandse Sirene-bureau op 18 februari 2021 een daad van vervolging is die de verjaring stuit. De rechtbank oordeelde dat dit wel het geval is, waardoor de verjaringstermijn is gestuit en de verjaring niet is ingetreden. De weigeringsgrond van artikel 9 lid 1 aanhef Pro en onder f OLW is daarmee niet van toepassing.

Gelet op de onaanvaardbare detentieomstandigheden en het niet weggenomen individuele gevaar, gaf de rechtbank geen gevolg aan het EAB en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. De geschorste gevangenhouding werd opgeheven en de overleveringsprocedure werd beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank weigert uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel vanwege onaanvaardbare detentieomstandigheden en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-288662-25
Datum uitspraak: 18 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 6 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 december 2013 door
the Circuit Court in Katowice, V Penal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1962,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 7 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 7 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 21 januari 2026
Bij tussenuitspraak van 21 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst. In de eerste plaats heeft de rechtbank de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om op een nader te bepalen zitting een (nader) standpunt in te nemen over de vraag of het toezenden van het M-formulier door het Poolse Sirene-bureau aan het Nederlandse Sirene-bureau op 18 februari 2021 een daad van vervolging is als bedoeld in artikel 72, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarnaast heeft de rechtbank een individueel gevaar van schending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) voor de opgeëiste persoon aangenomen vanwege de detentieomstandigheden in Poolse
remand prisonsen een redelijke termijn gesteld van 30 dagen om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen informatie aan te leveren waaruit blijkt dat een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Voorts heeft de rechtbank de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit te vragen of, in het licht van de in de tussenuitspraak geschetste stand van zaken, zij nog steeds om uitvoering van het EAB verzoekt of dat zij mogelijk gebruik wil maken van andere rechtshulpinstrumenten die haar ter beschikking staan.
Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid, onder c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen verlengd. De (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon is op grond van artikel 27, derde lid, OLW met 60 dagen verlengd.
Zitting van 4 maart 2026
De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 4 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. S. de Goede en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 21 januari 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid (onder 4) en de gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander en in verband daarmee de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5). De overwegingen van de rechtbank moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Evenredigheid

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 8 van de tussenuitspraak van 21 januari 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 21 januari 2026 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 3 februari 2026 een aanvullende vraag gesteld aan de Poolse autoriteiten over de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB.
De Poolse autoriteiten hebben op 16 februari 2026 geantwoord dat zij het verzoek om tenuitvoerlegging van het EAB handhaven.
Standpunt van de raadsman
De Poolse autoriteiten hebben de vraag van het IRC te summier beantwoord. Minder bezwarende mogelijkheden, zoals het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel zodat de opgeëiste persoon in Nederland kan worden verhoord, zijn buiten beschouwing gelaten. De raadsman heeft verwezen naar de (persoonlijke) omstandigheden van de opgeëiste persoon zoals ook al omschreven door de rechtbank in haar tussenuitspraak van 21 januari 2026. Bovendien duurt de voorlopige hechtenis in Polen vaak lang. De uitvaardiging van het EAB tegen de opgeëiste persoon is onder deze omstandigheden niet evenredig.
Standpunt van de officier van justitie
De Poolse autoriteiten hebben op 16 februari 2026 duidelijk geantwoord dat de Poolse autoriteiten nog steeds willen overgaan tot vervolging van de opgeëiste persoon. De toetsing van de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB ligt bij de Poolse autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid moet worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.
Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Poolse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om op 16 december 2013 een EAB uit te vaardigen. Vervolgens is later, in 2021 (en 2022), een zogenaamd M-formulier uitgegaan waarin gevraagd wordt aan de Nederlandse autoriteiten om de opgeëiste persoon aan te houden. Uit de brief van de Poolse autoriteiten van 16 februari 2026 blijkt tenslotte dat de Poolse autoriteiten het verzoek om tenuitvoerlegging van het EAB nog steeds handhaven. Hiermee is - een hernieuwde afweging van - de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB - in het licht van de in de tussenuitspraak geschetste omstandigheden - een gegeven. Wat de raadsman heeft aangevoerd maakt dat niet anders. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Poolse autoriteiten gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit - het voorkomen van straffeloosheid - te verwezenlijken.
Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. [4] Hoewel de rechtbank oog heeft voor de (persoonlijke) belangen van de opgeëiste persoon, is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval niet gebleken. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

5.Artikel 9 OLW Pro: verjaring

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 21 januari 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het toezenden van het M-formulier van 18 februari 2021 geen daad van vervolging is als bedoeld in artikel 72, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr). Een daad van vervolging wordt in Tekst & Commentaar Strafrecht (T&C) gedefinieerd als ‘iedere formele daad uitgaande van OM of rechter om in de fase voorafgaand aan de tenuitvoerlegging tot een (uitvoerbare) rechterlijke beslissing te geraken’ (
[namen]1996, 3.5.3.4). In de jurisprudentie zijn meerdere handelingen aanvankelijk als stuitingshandelingen aangemerkt, terwijl later is gebleken dat deze niet als zodanig kunnen worden gekwalificeerd. Hierbij kan worden gedacht aan een verhoor door de politie of een brief van de officier van justitie met de mededeling dat hij niet voornemens is een verdachte te vervolgen. Het toezenden van het M-formulier door het Poolse Sirene-bureau is geen stuitingshandeling, aangezien er slechts sprake is geweest van informatie-uitwisseling tussen het Poolse Sirene-bureau en het Nederlandse Sirene-bureau. De primaire taak van bureau Sirene is het uitwisselen van informatie en coördinatie in verband met signaleringen. Het uitwisselen van informatie staat in een te ver verwijderd verband van een daad van vervolging zelf. Bovendien blijkt uit het M-formulier niet dat de daarin vermelde informatie ziet op het EAB dat is uitgevaardigd op 16 december 2013. Het M-formulier vermeldt alleen de vermoedelijke verblijfplaats van de opgeëiste persoon in Nederland en dat ‘
appropriate measures’ moeten worden genomen om haar te lokaliseren en aan te houden. Het is niet duidelijk welke maatregelen naar aanleiding daarvan zijn genomen door de Nederlandse autoriteiten.
Nu de opgeëiste persoon is gelijkgesteld met een Nederlander heeft Nederland rechtsmacht en gelden de Nederlandse regels voor verjaring. Aangezien het toezenden van het M-formulier niet als een stuitingshandeling kan worden aangemerkt, is er naar Nederlands recht sprake van verjaring. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het toezenden van het M-formulier door het Poolse Sirene-bureau van 18 februari 2021 een daad van vervolging is als bedoeld in artikel 72, eerste lid, Sr. De officier van justitie verwijst naar de definitie van een daad van vervolging uit T&C. Bureau Sirene stuurt, zoals vermeld in het M-formulier, alleen informatie uit op verzoek van de bevoegde autoriteit. In het onderhavige geval is de bevoegde autoriteit de
Circuit Court in Katowiceen dit is dan ook de instantie die het verzoek tot het sturen van het M-formulier heeft gedaan. In het M-formulier wordt door het Poolse Sirene-bureau gewezen op een adres in Nederland en wordt nadrukkelijk verzocht om dit adres te verifiëren en de nodige maatregelen te nemen. Het toezenden van het M-formulier is een handeling om de Nederlandse autoriteiten ertoe te bewegen gevolg te geven aan het EAB. De Poolse autoriteiten kunnen niet anders dan het uitvaardigen van het EAB en, op het moment dat meer concrete informatie beschikbaar is over de verblijfplaats van de opgeëiste persoon, deze informatie delen met de Nederlandse autoriteiten zodat zij tot aanhouding kunnen overgaan. De informatie die het Poolse Sirene-bureau, op verzoek van de bevoegde autoriteit, via het M-formulier naar het Nederlandse Sirene-bureau heeft toegestuurd, is erop gericht om de opgeëiste persoon naar Polen over te leveren ten behoeve van haar vervolging. Daarnaast komt het Schengen identiteitsnummer (hierna: “Schengen-ID), dat wordt vermeld op het M-formulier overeen met het Schengen ID van het A-formulier van 5 maart 2014, namelijk [id-nummer] . Het A-formulier is gekoppeld aan het EAB, waardoor duidelijk is dat het M-formulier betrekking heeft op het EAB dat thans voorligt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het toezenden van het M-formulier van 18 februari 2021 een daad van vervolging is als bedoeld in artikel 72, eerste lid, Sr. Met het toezenden van het M-formulier op 18 februari 2021 is informatie uitgewisseld tussen het Poolse Sirene-bureau en het Nederlandse Sirene-bureau. Deze informatie-uitwisseling vindt plaats op verzoek van de bevoegde autoriteit, in casu: de uitvaardigende justitiële autoriteit. In het M-formulier staat de vermoedelijke verblijfplaats van de opgeëiste persoon, wordt gevraagd om de verstrekte informatie te verifiëren en om passende maatregelen te nemen om de opgeëiste persoon te lokaliseren en aan te houden. Deze informatie-uitwisseling is erop gericht om de Nederlandse autoriteiten te bewegen tot aanhouding van de opgeëiste persoon ten behoeve van haar overlevering aan en vervolging in Polen. Bovendien ziet het M-formulier op het onderhavige EAB. Het M-formulier vermeldt dezelfde Schengen-ID als het A-formulier van 5 maart 2014. Het A-formulier kan worden gekoppeld aan het EAB. Hierdoor kan de rechtbank vaststellen dat het M-formulier ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon in Polen in verband met het onderhavige EAB.
Het voorgaande betekent dat met het toezenden van het M-formulier van het Poolse Sirene-bureau aan het Nederlandse Sirene-bureau op 18 februari 2021 de verjaring is gestuit. Na deze stuitingshandeling is vervolgens een nieuwe verjaringstermijn van twaalf jaren aangevangen, zodat het recht tot strafvervolging op dit moment nog niet is verjaard.
Evenmin is thans al sprake van verjaring naar Nederlands recht op de grond dat vanaf de aanvang van de verjaringsperiode op 3 juli 2002 - de datum waarop het feit is gepleegd - een periode van twee maal de voor het feit geldende verjaringstermijn van twaalf jaren is verstreken.
De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW is dus niet aan de orde. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

6.Artikel 11 OLW Pro: Poolse detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 7 van de tussenuitspraak van 21 januari 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Het is nu aan de rechtbank om na te gaan of er sprake is van een wijziging van de omstandigheden.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het IRC op 3 februari 2026 aanvullende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten, onder meer of de opgeëiste persoon in een andere detentie-instelling dan de onderzoeksgevangenis in Katowice kon worden geplaatst.
De Poolse autoriteiten hebben op 16 februari 2026, voor zover relevant, de volgende aanvullende informatie verstrekt:

Een persoon in voorlopige hechtenis verblijft in een inrichting waar de cellen ’s nachts en in principe ook overdag gesloten zijn. Deze persoon heeft recht op een dagelijkse wandeling van een uur (60 minuten) op het wandeltoneel, maar het verlaten van de cel is geen verplichting voor de gedetineerde. Zij kan de cel ook verlaten om deel te nemen aan culturele en educatieve activiteiten, kerkdiensten of religieuze bijeenkomsten, wat evenmin verplicht is. Culturele en educatieve activiteiten vinden voornamelijk plaats in gemeenschappelijke ruimtes in de wooneenheden, en de frequentie ervan varieert en is afhankelijk van de mogelijkheden van de instelling (…).
Samenvattend moet worden geconcludeerd dat het niet mogelijk is om te garanderen dat iemand “minstens twee uur per dag buiten de cel kan verblijven”. (…)
Het is niet mogelijk om [de opgeëiste persoon] in de onderzoeksgevangenis in Tarnowskie Gory of in de onderzoeksgevangenis is in Mylowice onder te brengen, aangezien deze penitentiaire inrichtingen geen afdelingen voor vrouwen hebben.
Het IRC heeft op 24 februari 2026 een aanvullende vraag gesteld aan de Poolse autoriteiten, te weten:

Can it be guaranteed that [de opgeëiste persoon] will have at least 4 m2 personal space (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell?
De Poolse autoriteiten hebben op 3 maart 2026 hierop als volgt geantwoord:

In response to your letter of 24 February 2026, in which you requested additional information concerning the European Arrest Warrant ref. V Kop 43/13, issued by the Regional Court in Katowice on 16 December 2013, I kindly inform you that it cannot be guaranteed that [de opgeëiste persoon] will have at least 4 m2 of personal space (excluding sanitary facilities) in a shared cell, as Polish regulations guarantee inmates at least 3 m2 of personal space. The area of 3 m2 does not include window recesses and radiator recesses, as well as the area outside the internal bars and separate sanitary corners.
Standpunt van de raadsman van de officier van justitie
De raadsman en de officier van justitie hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De verstrekte aanvullende informatie is onvoldoende om het individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon weg te nemen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 16 februari 2026 en 3 maart 2026 daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uit de aanvullende informatie van 16 februari 2026 blijkt dat de Poolse autoriteiten niet kunnen garanderen dat de opgeëiste persoon minstens twee uren per dag buiten de cel kan verblijven. Op grond van die aanvullende informatie kan verder niet worden vastgesteld hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden buiten de cel kan verblijven, indien hij aan alle aangeboden activiteiten deel zou nemen. [5] Hierdoor kan de rechtbank niet beoordelen of het algemene reële gevaar dat de opgeëiste persoon structureel 23 uur per dag in zijn cel moet doorbrengen, kan worden uitgesloten. Uit de aanvullende informatie van 3 maart 2026 blijkt dat de Poolse autoriteiten ook niet kunnen garanderen dat de opgeëiste persoon ten minste en dus a fortiori
meerdan 4 m2 persoonlijke leefruimte (exclusief sanitaire voorzieningen) tot haar beschikking heeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aanvullende informatie van 16 februari 2026 en 3 maart 2026 niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, terwijl de gegeven redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken.
Het individuele gevaar is voor de opgeëiste persoon niet weggenomen.
De rechtbank zal geen gevolg geven aan het EAB gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW en zal op grond van artikel 11, vierde lid, juncto artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee is de overleveringsprocedure beëindigd.

7.Slotsom

De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.

8.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 11 OLW Pro.

9.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde geschorste gevangenhouding.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 21 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:462.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 1 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203.
5.Zie Rb Amsterdam 26 september 2025, ECLI:RBAMS:2025:7088.