Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2723

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
AMS 26/535 en 26/536
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 2.4 Wet BrpArt. 2.21 Wet BrpArt. 2.43 Wet Brp
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing briefadres na verblijf buitenland langer dan acht maanden

Verzoeker verbleef vanwege medische behandeling vanaf eind 2024 in het buitenland en vroeg om inschrijving met een briefadres in de Basisregistratie Personen (Brp). Na een eerste toekenning voor acht maanden, werd zijn aanvraag voor verlenging afgewezen omdat hij langer dan acht maanden in het buitenland verbleef, wat volgens de Wet Brp niet is toegestaan.

Verzoeker stelde dat de gemeente Amsterdam onzorgvuldig handelde en het motiveringsbeginsel schond door zijn bezwaar niet inhoudelijk te beoordelen en uit te gaan van een onjuist feitencomplex. De voorzieningenrechter stelde vast dat de gemeente ten onrechte aannam dat verzoeker een briefadres in Zaandam wilde en dat zij niet bevoegd zou zijn om over de aanvraag te beslissen.

De rechtbank vernietigde het besluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat de wet geen grond biedt voor een briefadres na acht maanden verblijf in het buitenland. Verzoeker kreeg vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de briefadresaanvraag wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege de wettelijke termijn van acht maanden verblijf in het buitenland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 26/535 en AMS 26/536
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. D.A.M. Blom),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Lensink).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor een briefadres in de Basisregistratie personen (Brp). Verzoeker is het niet eens met die afwijzing. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit strijdig is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en daarom moet worden vernietigd. De rechtsgevolgen blijven echter in stand omdat er wettelijk geen grond is om een briefadres te verlenen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2.1.
Op 7 augustus 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een briefadres in de Brp afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 december 2025 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
2.3.
Op de zitting is het onderzoek geschorst omdat de voorzieningenrechter en verzoeker en zijn gemachtigde door een administratieve omissie nog geen kennis hadden kunnen nemen van de door verweerder toegezonden op de zaak betrekking hebbende stukken. De gemachtigde van verzoeker heeft de gelegenheid gekregen om binnen twee weken na verzending te reageren op deze stukken.
2.4.
De gemachtigde van verzoeker heeft op 2 maart 2026 schriftelijk gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft op 5 maart 2026 het onderzoek gesloten.
2.6.
Omdat de voorzieningenrechter tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoeker daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoeker verbleef vanwege een medische behandeling vanaf eind 2024 in het buitenland. Hij heeft daarom bij verweerder een aanvraag gedaan om met een briefadres in de Brp te worden ingeschreven. Bij besluit van 3 januari 2025 heeft verzoeker een briefadres gekregen aan de [adres] voor de duur van acht maanden, te weten van 11 november 2024 tot 11 augustus 2025.
4. Verzoeker heeft op 4 augustus 2025 wederom een aanvraag gedaan voor een briefadres, maar dan voor de periode ná 11 augustus 2025. Verweerder heeft dat verzoek op 7 augustus 2025 afgewezen omdat verzoeker inmiddels al acht maanden in het buitenland verblijft en dit op grond van de Wet Basisregistratie personen (Wet Brp) de maximale termijn is dat iemand in het buitenland kan verblijven zonder uitgeschreven te worden uit de Brp. In het bestreden besluit heeft verweerder dit ook overwogen en daarmee het bezwaar ongegrond verklaard. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat verzoeker zich vanwege de feiten bij de gemeente Zaandam had moeten melden en dat verweerder niet bevoegd zou zijn om over deze aanvraag voor een briefadres te beslissen.
5. Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder in de besluitvorming is uitgegaan van het verkeerde feitencomplex en daarmee niet zorgvuldig en in strijd met het motiveringsbeginsel heeft gehandeld door het bezwaar niet inhoudelijk te beoordelen en de persoonlijke belangen van verzoeker niet mee te wegen. Er heeft dus geen deugdelijke heroverweging plaatsgevonden. Bovendien heeft verweerder inmiddels geregistreerd dat verzoeker naar onbekende bestemming is vertrokken, hetgeen vele negatieve effecten tot gevolg heeft.
6. De voorzieningenrechter constateert dat verweerder in de bezwaarfase inderdaad fouten heeft gemaakt. Verzoeker heeft na zijn eerste aanvraag een kennis gemachtigd om zijn post op te halen. Deze kennis is woonachtig in Zaandam. Verweerder heeft het dossier over de nieuwe aanvraag in de bezwaarfase echter zo geïnterpreteerd dat verzoeker een briefadres in Zaandam wenste en daarom ook overwogen dat verweerder niet bevoegd zou zijn en verzoeker zich zou moeten wenden tot de gemeente Zaandam. Dit is overduidelijk een verkeerde voorstelling van zaken. Verzoeker voert daarom terecht aan dat in strijd is gehandeld met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het besluit kan om die reden niet in stand blijven en het beroep tegen het bestreden besluit is daarmee gegrond.
7. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de voorzieningenrechter laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Die rechtsgevolgen zien namelijk op het niet langer ingeschreven kunnen staan in de Brp op een briefadres in Nederland. In beide besluiten heeft verweerder verwezen naar het overschrijden van de maximale termijn van acht maanden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit op de grond van de Wet Brp ook de enige uitkomst zijn. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende.
8. Aan de hand van de bepalingen in de Wet Brp [2] hanteert verweerder een maximale periode van acht maanden die een persoon in het buitenland kan verblijven zonder dat dit gevolgen heeft voor de inschrijving. Niet in geschil is dat verzoeker al geruime tijd en in ieder geval langer dan acht maanden in het buitenland verblijft. Om die reden heeft verweerder terecht overwogen dat het niet mogelijk is om verzoeker nog langer op een briefadres in Nederland ingeschreven te laten staan, terwijl hij al meer dan acht maanden in het buitenland verblijft. Verzoeker zou volgens de wet aangifte moeten doen van zijn vertrek uit Nederland, waarbij de enige uitzondering daarop ziet op ingezetenen die gedurende hun verblijf buiten Nederland varen aan boord van een schip dat in Nederland de thuishaven heeft. [3] Daarvan is hier geen sprake. De redenen die verzoeker aanvoert voor zijn vertrek naar het buitenland, de duur van zijn verblijf aldaar, de obstakels van de woningnood die terugkeer naar Nederland voor verzoeker onmogelijk zouden maken en de gevolgen van het niet verstrekken van een briefadres zijn daarbij niet relevant voor de registratie in de Brp. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker zijn persoonlijke situatie naar voren heeft willen brengen, maar dat kan hem niet baten. Het doel van de Wet Brp is dat de in de Brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat gebruikers van deze gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de Brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. [4] Er is wat betreft de Wet Brp daarom ook geen ruimte voor een belangenafweging en verweerder hoeft alleen de feiten te beoordelen. [5]
9. Omdat het beroep gegrond is en de rechtsgevolgen in stand worden gelaten, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden en krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van twee maal € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikelen 2.4, 2.21 en 2.43 Wet Brp.
3.Zie de MvT 33 219 bij artikel 2.43 Wet Brp, p. 140.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3241.
5.Vgl de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3001.