AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer verdedigingsrechten
De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 februari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen de opgeëiste persoon, die een vrijheidsstraf van drie jaar moet uitzitten waarvan nog ruim twee jaar resteert. De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de Poolse zitting en zijn verdedigingsrechten onvoldoende kon uitoefenen, mede door onduidelijkheid over de gemachtigde advocaat en de oproep voor de zitting.
De officier van justitie stelde dat de situatie viel onder de weigeringsgrond van artikel 12, onder b, van de Overleveringswet (OLW), omdat de opgeëiste persoon wel degelijk vertegenwoordigd was door een door de rechtbank aangewezen advocaat die hem ter zitting verdedigde. De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en de advocaat had gemachtigd, waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro niet van toepassing was.
Verder stelde de rechtbank vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, grotendeels lijstfeiten zijn waarvoor geen dubbele strafbaarheid hoeft te worden getoetst. Voor het ene feit dat niet op de lijst staat, is voldaan aan de vereisten van artikel 7 OLWPro. Hoewel er structurele gebreken zijn in de Poolse rechtsorde, is niet gebleken dat deze een concreet risico op schending van het recht op een eerlijk proces voor de opgeëiste persoon opleveren.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen weigeringsgronden aanwezig zijn die overlevering in de weg staan. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks het verweer over onvoldoende verdedigingsrechten.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-000245-26
Datum uitspraak: 11 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 augustus 2025 (en aangepast op 20 januari 2026) door the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, waarnemend voor mr. D.W.H.M. Wolters, beiden advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Poznańvan 5 maart 2024, met kenmerk III K 311/23.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren en vijftien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet aanwezig was op de zitting die tot het vonnis heeft geleid en hij zijn verdedigingsrechten onvoldoende heeft kunnen uitoefenen. Gelet op de wijziging van het EAB van 20 januari 2026 kan niet zonder meer worden uitgegaan van de juistheid van de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie. Deze wijziging doet afbreuk aan het vertrouwen dat daarin gesteld moet worden. Het is niet duidelijk of de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. Hij had geen kennis van de uitspraak of van de mogelijkheid van hoger beroep en hij heeft dit ook niet met de door de rechtbank aangewezen advocaat besproken. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij slechts kort contact heeft gehad met de aangewezen advocaat, maar dat deze niet veel heeft uitgevoerd. Het is niet duidelijk of de advocaat door de opgeëiste persoon is gemachtigd. In het EAB staat weliswaar dat de oproep voor de zitting naar zijn adres is gestuurd en dat hij een adresinstructie heeft gekregen: de opgeëiste persoon kan zich dat niet herinneren en het is de vraag of de oproep wel naar het goede adres is gegaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro niet van toepassing is, omdat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW zich voordoet. Het EAB van 20 januari 2026 moet worden gezien als een aanvulling op het eerder uitgevaardigde EAB. In het EAB van 20 januari 2026 wordt vermeld dat de opgeëiste persoon ter zitting is verdedigd door een door de rechtbank aangewezen advocaat, in plaats van een door de opgeëiste persoon gekozen advocaat. Het is juist zorgvuldig dat de uitvaardigende justitiële autoriteit dit aangepast heeft. Deze wijziging betekent niet dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de overige informatie in het EAB en de begeleidende brief van 20 januari 2026. De opgeëiste persoon heeft bij de voorgeleiding op 2 januari 2026 verklaard dat hij zijn advocaat gemachtigd had: dat is in overeenstemming met de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 20 januari 2026. Deze aangewezen advocaat heeft ter zitting de verdediging van de opgeëiste persoon gevoerd. Daarnaast heeft de advocaat - zo verklaart de opgeëiste persoon ten tijde van de voorgeleiding - overlegd met de opgeëiste persoon. Dat de advocaat niet goed zou hebben gefunctioneerd, maakt niet dat geen sprake is van een door de opgeëiste persoon gemachtigd advocaat.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Uit de toelichting onder D.2) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het feit dat er een procedure tegen hem liep en dat hij daaraan heeft deelgenomen. De oproep voor de zitting is niet door hem opgehaald en hij was ook niet op de zitting aanwezig. De door de rechtbank aangewezen advocaat heeft de zitting wel bijgewoond. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 20 januari 2026 blijkt dat deze advocaat tijdens de zitting hem vertegenwoordigd heeft en daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. Verder heeft de opgeëiste persoon bij de voorgeleiding op 2 januari 2026 verklaard dat hij de advocaat heeft gemachtigd om hem op zitting te verdedigen. Op de zitting van 25 februari 2026 heeft hij dat, op een vraag van de rechtbank, herhaald. Dat de opgeëiste persoon niet tevreden is over de verdediging door de advocaat, maakt dit niet anders. Dit alles tezamen maakt dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW zich voordoet. De weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro is daarom niet van toepassing. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
4.Strafbaarheid
4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten – met uitzondering van het hierna onder 4.2 bedoelde feit – aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
oplichting;
vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten;
handel in gestolen voertuigen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft één feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod.
5. Artikel 11 OLWPro: artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
6.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2 en 10 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [de opgeëiste persoon]aan de Regional Court in Poznań(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. C. Klomp en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (