4.4Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
Mede gelet op wat de rechtbank reeds in haar tussenuitspraak van 14 januari 2026 heeft overwogen is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij inmiddels ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
De tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van IND. In een brief van 15 januari 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) een IND-bevraging gedaan, waarin onder meer de volgende informatie is verschaft over de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon:
“Omtrent de persoonlijke omstandigheden van [opgeëiste persoon] kan ik u het volgende
mededelen. [opgeëiste persoon] woont al sinds 2019 in Nederland. Hij is in februari 2021
begonnen met werken. Hij heeft echter een bedrijfsongeval gehad waardoor hij nu
niet meer kan werken. Echter heeft hij aangetoond dat hij wel beschikt over
voldoende middelen van bestaan.”
In de e-mail van de IND van 19 januari 2026 staat het volgende:
“In antwoord op uw adviesverzoek van 15 januari 2026 laat ik u weten dat de strafrechtelijke feiten die u beschrijft ertoe kunnen leiden dat [opgeëiste persoon] zijn verblijfsrecht verliest. (…) Het verblijfsrecht van een EU-burger kan ingevolge artikel 8.22, lid 1, van het Vreemdelingenbesluit worden beëindigd indien hij of zij een ‘actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving’ is. (…) Aan uw verzoek ontleen ik dat de Bulgaarse Justitie betrokkene wegens een misdrijf vervolgt. Op 19 augustus 2018 zou [opgeëiste persoon] illegale hulp bij een binnenkomst hebben verleend. Naar Nederlands recht zou overtreding aan de orde zijn van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht. De maximumstraf is zes jaar gevangenis. In een gelijk geval in Nederland eist het openbaar ministerie tussen 36 en veertig maanden.
Op basis van deze gegevens acht ik verblijfsbeëindiging in beginsel mogelijk. Om de precieze ernst te beoordelen is inhoudelijke informatie uit de strafzaak nodig. Uw omschrijving, de maximumstraf en de voorziene eis duiden niettemin op een ernstig feit. Ten aanzien van de actualiteit van de bedreiging is van belang dat het ruim zeven jaar oud is, maar daarmee is een actuele bedreiging nog allerminst uitgesloten. Afgaande op uw gegevens zou betrokkene na het misdrijf naar Nederland zijn gekomen en zich mogelijk aan vervolging onttrekken. Inherent aan een misdrijf als dit is dat het niet openlijk pleegt te gebeuren; dat sindsdien geen nieuw misdrijf aan het licht is gekomen is daarom op zichzelf niet alleszeggend. Over het doen en laten van [opgeëiste persoon] in Nederland heb ik onvoldoende gegevens. In de uiteindelijke besluitvorming zullen de persoonlijke feiten en omstandigheden worden betrokken. Beoordeeld moet worden of de leeftijd, de gezondheidstoestand, de gezinssituatie, de economische situatie, de sociale en culturele integratie en/of de binding met het land van herkomst wellicht tot een andere uitkomst leiden. Feiten en omstandigheden die al bij voorbaat aan intrekking en/of beëindiging van het verblijfsrecht in de weg staan, zijn mij vooralsnog niet bekend.”
De rechtbank stelt vast dat het advies van de IND deels is gebaseerd op door het IRC verschafte informatie die deels niet klopt. De opgeëiste persoon woont niet sinds 2019 in Nederland, maar sinds de tweede helft van 2020. Hij heeft zich na aankomst in Nederland op 24 september 2020 als niet-ingezetene geregistreerd in de Basisregistratie personen (Brp). Hij is, naar eigen zeggen, vanaf dat moment op zoek gegaan naar werk. Uit de stukken blijkt dat hij sinds 1 februari 2021 legaal in Nederland werkt en daaruit inkomen heeft gehad. In augustus 2022 heeft hij een ernstig arbeidsongeval gehad, waardoor hij sindsdien volledig arbeidsongeschikt is. Hij heeft echter tot op heden voldoende middelen van bestaan gehad, onder meer vanwege de voorschotten op de schadevergoeding die hij in verband met het arbeidsongeval van de verzekeraar heeft gehad. Sinds 31 oktober 2022 staat de opgeëiste persoon op een Nederlands adres ingeschreven in de Brp.
Blijkens de e-mail 19 januari 2026 lijkt aan het advies van de IND ten grondslag te liggen, voor zover het gaat om de actualiteit van de bedreiging, dat de opgeëiste persoon zich mogelijk aan vervolging heeft onttrokken. De rechtbank ziet in het dossier en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen echter geen aanleiding om aan te nemen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het strafrechtelijk onderzoek in Bulgarije dan wel de vervolging en dat hij zich daaraan heeft proberen te onttrekken. De rechtbank kan dan ook niet uitsluiten dat het advies van de IND op een onjuiste veronderstelling berust. Daarom zal de rechtbank het onderzoek ter zitting heropenen en aanhouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om een nadere motivering bij de IND op te vragen, waarbij de rechtbank verzoekt met name aandacht te besteden aan de actualiteit van de bedreiging, ervan uitgaande dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de opgeëiste persoon zich aan de vervolging heeft getracht te onttrekken.
Omdat de rechtbank niet kan uitsluiten dat de inhoud van het IND-advies zal veranderen, constateert de rechtbank – om proceseconomische redenen gelet op de beslistermijn - in deze tussenuitspraak al dat de uitvaardigende justitiële autoriteit met de aanvullende informatie van 6 februari 2026 geen onvoorwaardelijke terugkeergarantie heeft verstrekt. De rechtbank geeft daarom de officier van justitie in overweging om, voor het geval dat de IND tot een andere conclusie komt, aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen of een onvoorwaardelijke terugkeergarantie kan worden verstrekt.