ECLI:NL:RBAMS:2026:2235

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
11415819
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:89 BWArt. 237 RvArt. 1.6 Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking vordering en bewijsopdracht huwelijk

In deze civiele procedure bij de Rechtbank Amsterdam heeft Vrijenban Vastgoed B.V. een vordering ingetrokken nadat de tegenpartij, bestaande uit twee gedaagden, een bewijsopdracht kreeg opgelegd om het huwelijk tussen hen aan te tonen. De echtgenote van gedaagde 1 had aanvankelijk geen bewijs van het huwelijk overgelegd, wat leidde tot een bewijsopdracht door de kantonrechter.

Hoewel Vrijenban de procedure in de hoofdzaak introk, vorderde zij vergoeding van proceskosten omdat zij meende dat deze nodeloos waren gemaakt. De kantonrechter oordeelde dat de echtgenote van gedaagde 1 in strijd met het procesreglement had gehandeld door het bewijs niet tijdig te leveren, waardoor zij veroordeeld werd tot betaling van de proceskosten aan Vrijenban.

Tegelijkertijd werd Vrijenban veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de gedaagden, omdat zij de vordering had ingetrokken en daardoor in het ongelijk werd gesteld. De proceskosten werden aan beide zijden begroot en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de echtgenote tot betaling van proceskosten wegens niet tijdig bewijs huwelijk en veroordeelt eiser tot betaling van proceskosten na intrekking vordering.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11415819 \ CV EXPL 24-14949
Vonnis van 20 januari 2026
in de zaak van
VRIJENBAN VASTGOED B.V.,
gevestigd te Delft,
eisende partij in de hoofdzaak
verweerster in het incident,
hierna te noemen: Vrijenban,
gemachtigde: mrs. J.G.M. de Koning en L.F.H. Berg,
tegen
[gedaagde 1],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
gemachtigde: mr. B. Coskun,
en
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gemachtigde: mr. B. Coskun.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 augustus 2025,
- de akte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , met producties,
- de akte overleggen processtukken van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
- de akte van Vrijenban,
- de nadere akte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling in het incident

2.1.
Bij tussenvonnis van 26 augustus 2025 is [gedaagde 2] als voegende dan wel tussenkomende partij toegelaten in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde 1] en is aan haar opgedragen te bewijzen dat zij de echtgenote is van [gedaagde 1] .
2.2.
[gedaagde 2] heeft in het kader van de bewijsopdracht kopieën van haar huwelijksboekje (‘Livret de Famille International’) overgelegd en een internationale huwelijksakte van 30 januari 2024 afkomstig van het Turkse consulaat in Amsterdam.
2.3.
Naar de mening van Vrijenban is daarmee niet aangetoond dat sprake is van een naar Nederlands recht geldig huwelijk. Dit is van belang, omdat slechts een echtgenoot over kan gaan tot vernietiging van een rechtshandeling verricht zonder zijn toestemming (zie art. 1:89 BW Pro), zoals [gedaagde 2] heeft gedaan bij o.a. bij haar conclusie van 21 januari 2025. Desalniettemin heeft Vrijenban op basis van de onder 2.2. genoemde huwelijksakte besloten de procedure in de hoofdzaak in te trekken. Wel maakt zij aanspraak op vergoeding van proceskosten, ook in het incident, nu deze kosten nodeloos zijn gemaakt
2.4.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzetten zich tegen een kostenveroordeling en zijn van mening dat juist Vrijenban, die uiteindelijk besloten heeft de vordering in de hoofdzaak in te trekken, hén nodeloos op kosten heeft gejaagd.
2.5.
Zoals de kantonrechter heeft overwogen in het tussenvonnis van 26 augustus 2025, heeft [gedaagde 2] niet onnodig laat haar incidentele conclusie tot voeging of tussenkomst, genomen. Bij die conclusie heeft zij ook de desbetreffende rechtshandeling van [gedaagde 1] vernietigd. Nadien heeft zich tussen partijen een discussie ontsponnen met betrekking tot de vraag óf [gedaagde 2] zich mocht voegen of mocht tussenkomen en of [gedaagde 1] W&B in vrijwaring mocht oproepen (zie tussenvonnis van 29 april 2025). Bij genoemde conclusie heeft [gedaagde 2] geen huwelijksakte of ander bewijs waaruit blijkt dat zij de echtgenote van [gedaagde 1] is, overgelegd. Ook in de conclusie van 24 juni 2025 heeft [gedaagde 2] geen bewijs ter zake geleverd of aangeboden. Dit had wel van haar verwacht mogen worden (vgl. art. 1.6 Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton versie 1 juli 2024). Het nalaten haar stellingen ter zake te onderbouwen heeft ertoe geleid dat uiteindelijk bij tussenvonnis van 26 augustus 2025 aan haar een bewijsopdracht is verstrekt. Hoewel aldus niet gesproken kan worden van het ‘nodeloos op kosten jagen’ moet deze handelwijze wel ertoe leiden dat [gedaagde 2] de proceskosten van Vrijenban moet vergoeden. Zij zal daartoe dan ook worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van Vrijenban worden begroot op € 1.290,-, bestaande uit het salaris van de gemachtigde (1,5 punt x € 815,-) en de nakosten (€ 67,50).

3.De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.
Bij akte van 21 oktober 2025 heeft Vrijenban de vordering ingetrokken en verzocht [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] te veroordelen in de proceskosten. Deze laatsten hebben zich daartegen verzet en op hun beurt aanspraak gemaakt op de door hen gemaakte proceskosten.
3.2.
Uit art. 237 Rv Pro volgt dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt veroordeeld. In de regel wordt het intrekken van een vordering gezien als een eisvermindering tot nihil, welke de rechter aanleiding geeft de eisende partij alsnog in de proceskosten te veroordelen (vgl. de conclusie van de AG onder 2.31 in haar advies van 19 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:75). De kantonrechter ziet geen aanleiding in deze kwestie tot een ander oordeel te komen, zodat Vrijenban veroordeeld zal worden tot de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] begroot op € 882,50, bestaande uit het salaris van de gemachtigde (1 punt x € 815,-) en de nakosten (€ 67,50).

4.De beslissing

De kantonrechter
in het incident:
4.1.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten aan de zijde van Vrijenban, dezerzijds begoot op € 1.290,-,
in de hoofdzaak:
4.2.
veroordeelt Vrijenban in de proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , dezerzijds begroot op € 882,50,
in het incident en de hoofdzaak:
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026, in aanwezigheid van de griffier.
47653