ECLI:NL:RBAMS:2026:2211

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
26/259
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • L.M. Klinkhamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 3a OpiumwetArt. 8:81 AwbGemeentewetAlgemene plaatselijke verordening 2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet

De burgemeester van Amsterdam heeft op 19 januari 2026 besloten de woning van verzoekers voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet, vanwege de vondst van 120 kilogram softdrugs, een grote som contant geld en verpakkingsmateriaal dat duidt op drugshandel. Tevens vond er een gewapende overval plaats in de woning, wat de ernst van de situatie versterkt.

Verzoekers, bestaande uit vader, zoon en dochter, hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit en verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de sluiting te schorsen. Zij stelden dat de drugs en het geld waren verwijderd, de zoon de verantwoordelijkheid had bekend en vastzat, en dat de sluiting onevenwichtig was gezien hun onschuld en persoonlijke omstandigheden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang van verzoekers voldoende aannemelijk was, maar dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had. De burgemeester was bevoegd tot sluiting gezien de hoeveelheid drugs en de omstandigheden. De sluiting was noodzakelijk om de openbare orde te beschermen en evenwichtig, ondanks de persoonlijke omstandigheden van verzoekers.

De rechter weegt het belang van de openbare orde zwaarder dan het belang van verzoekers bij terugkeer in de woning. De woning wordt uit het criminele milieu onttrokken en mogelijke openbare orde verstoringen worden voorkomen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en de sluiting blijft van kracht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wordt afgewezen en de sluiting blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/359

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2024 in de zaak tussen

[verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] , uit [plaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. S.J. Römer),
en

de burgemeester van Amsterdam, de burgemeester,

(gemachtigde: mr. M.I. Houben en mr. W. Strebus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoekers op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten voor de duur van drie maanden. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester. Zij verzoeken de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat zij weer terug kunnen naar hun woning.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Dit betekent dat de woning van verzoekers gesloten blijft
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 19 januari 2026 heeft de burgemeester de woning aan de [adres] (hierna: de woning) gesloten voor de duur van drie maanden. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen in de vorm van het schorsen van het sluitingsbevel.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers (zijnde vader, zoon en dochter), de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van het college. Ook de oudste dochter/zus van verzoekers, [persoon] , was aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
3. Vader is huurder van de woning. Hij woont samen met zijn dochter en zoon in de woning. De politie heeft naar aanleiding van een melding van een gewapende overval op de woning een onderzoek ingesteld naar de woning en het bijbehorende tuinhuis.
3.1.
Tijdens het onderzoek is in twee koelkasten in het tuinhuis en een koelkast in de tuin tezamen 120 kilogram drugs aangetroffen. Er is door de politie vastgesteld dat het gaat om hasj (softdrugs) zoals vermeld op lijst II van de Opiumwet. Ook is verpakkingsmateriaal aangetroffen. Daarnaast is in de bank in de serre van de woning € 431.990,- contant geld aangetroffen.
3.2.
Op basis van de bestuurlijke rapportage van de politie van 17 december 2025 heeft de burgemeester de woning gesloten voor de duur van drie maanden. [1] Doel van de sluiting is een einde te maken aan de met de Opiumwet strijdige situatie en de verstoring van de openbare orde onmiddellijk en blijvend te herstellen. Vanwege de ernst van de situatie kon naar het oordeel van de burgemeester niet worden volstaan met een waarschuwing. De burgemeester wijst op een aantal verzwarende omstandigheden:
  • de aanleiding van de doorzoeking, namelijk een woningoverval, waarbij twee bewoners zijn vastgebonden en bedreigd met (vuur)wapens;
  • de grote hoeveelheid aangetroffen hasj (120 kilogram);
  • de aanwezigheid van een grote som contant geld (€ 431.990,-);
  • er is sprake van een link met een andere woning in Amsterdam, waar eveneens een aanzienlijke hoeveelheid softdrugs is aangetroffen (680 kilogram);
  • de aanwezigheid van verpakkingsmateriaal en toebehoren die wijzen op handel of verwerking van verdovende middelen;
  • het risico dat bij een dergelijke hoeveelheid drugs rekening moet worden gehouden met criminele activiteiten in en in de omgeving van bovengenoemde woning, hetgeen ook blijkt uit de woningoverval die heeft plaatsgevonden.
Standpunt verzoekers
4. Verzoekers voeren in deze procedure aan dat de woningsluiting niet (meer) noodzakelijk is. Daarnaast voeren verzoekers aan dat de woningsluiting niet evenwichtig is.
4.1.
Verzoekers stellen zich op het standpunt dat met het weghalen van de aangetroffen goederen, het doel van artikel 13b Opiumwet al is bereikt. De zoon/broer van verzoekers heeft namelijk bij de politie bekend dat hij alleen verantwoordelijk is voor de gevonden drugs en het geld. Hij zit op dit moment vast. Er is dus geen gevaar meer voor de openbare orde. Verzoekers voeren verder aan dat de burgemeester had moeten volstaan met minder ingrijpende maatregelen en de maatregel om de woning te sluiten in hun geval onevenwichtig is. De belangenafweging zou in het voordeel van verzoekers moeten uitvallen omdat hun belang om de woning weer te kunnen bewonen zwaarder weegt dan het belang van de openbare orde. Verzoekers vinden dat de burgemeester zwaar gewicht moet toekennen aan het feit dat verzoekers geen verwijt kan worden gemaakt en zij juist slachtoffers zijn in deze zaak. Degene die verantwoordelijk is voor de hasj woont niet in de woning of het tuinhuis en heeft daarnaast bekend. De pakketten waren goed verstopt en vacuüm verpakt. Dit duidt erop dat de bewoners geen weet hadden van de drugs en hun gezinsleven wordt nu ontwricht, terwijl met name vader en dochter behoefte hebben aan een stabiele plek. Vader wijst op een brief van de huisarts waaruit volgt dat hij in 2021 een hersenbloeding heeft gehad. Hij heeft een hoge bloeddruk en gebruikt medicijnen. Dochter is bezig met een opleiding en heeft de rust van haar eigen kamer in de woning nodig. Zij voelt zich ook schuldig dat ze bij vriendinnen moet overnachten. De zoon heeft op zitting aangeven dat hij soms in zijn auto overnacht. Het is volgens verzoekers daarnaast van belang dat het om softdrugs gaat, die alleen tijdelijk werden bewaard. Verzoekers verwijzen naar vergelijkbare uitspraken waarin harddrugs was gevonden en het verzoek om een voorlopige voorziening werd toegewezen. [2] Ten slotte wijzen verzoekers erop dat de sluiting tot ontbinding van de huurovereenkomst leidt.
Toetsingskader
5. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. [3] Allereerst beoordeelt de voorzieningenrechter daarom of verzoekers in dit geval een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. Als een spoedeisend belang wordt aangenomen beoordeelt de voorzieningenrechter of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Als die redelijke kans er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet is, bestaat er in beginsel namelijk geen reden een voorlopige voorziening te treffen. Vervolgens maakt de voorzieningenrechter een afweging van enerzijds de belangen van verzoekers dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds de belangen die worden gediend door de onmiddellijke uitvoering van het besluit.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter overweegt dat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, hebben verzoekers immers drie maanden geen toegang tot de woning. De burgemeester heeft het spoedeisend belang ook niet betwist.
Het besluit tot sluiting van de woning
Bevoegdheid
7.1.
De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5,0 gram softdrugs, of vijf (hennep)planten (het criterium van het openbaar ministerie voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. [4] Uit de Beleidsregels volgt dat in het geval van hennepproducten van een handelshoeveelheid wordt gesproken bij een hoeveelheid van 30 gram of meer en in het geval van harddrugs bij een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram of 5 pillen.
7.2.
Verzoekers hebben de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten niet betwist. Gelet op de hoeveelheid drugs die is aangetroffen in de woning, was de burgemeester bevoegd om te woning te sluiten. Dit laat onverlet dat woningsluiting een zeer ingrijpende maatregel is en dat niet tot sluiting mag worden overgegaan als dat gelet op de omstandigheden niet evenredig is.
Noodzakelijkheid
8.1.
Voor de vraag of het noodzakelijk is om de woning te sluiten is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. [5] Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of druggerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. [6]
8.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking daarvan en dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de “loop” naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan de keten van drugshandel wordt onttrokken. Dat brengt in beginsel de noodzakelijkheid van sluiting van de woning met zich. Verzoekers voeren hiertegen aan dat de dader inmiddels is opgepakt en dat er op dit moment geen noodzaak meer bestaat om de woning te sluiten. Ook omdat de drugs slechts tijdelijk werden bewaard, is er volgens verzoekers geen sprake van een handelslocatie en geen gevaar voor de openbare orde. De voorzieningenrechter is het hier niet mee eens. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat er een aanzienlijke hoeveelheid drugs en geld in de woning is aangetroffen. Ook heeft de politie verpakkingsmaterialen aangetroffen die duiden op handel of verwerking in de woning. Bovendien weegt zwaar mee dat verzoekers gewapend zijn overvallen in de woning, waaruit lijkt te volgen dat de woning bekend was in het criminele circuit. Dit was een gebeurtenis die voor verzoekers zeer ingrijpend is geweest en ook voor overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving zorgt. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de openbare orde in het geding is en de burgemeester in dit geval op goede gronden heeft kunnen beslissen dat de noodzaak bestond om de woning te sluiten voor drie maanden.
Evenwichtigheid
9.1.
Als de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting van de woning noodzakelijk is, komt vervolgens de vraag aan de orde of de sluiting ook evenwichtig is. Er moet evenwicht zijn tussen de bescherming van het algemeen belang, in dit geval de bescherming of het herstel van de openbare orde en de woon- en leefomgeving, en de te respecteren grondrechten van verzoekers. Of de sluiting evenwichtig is, hangt af van verschillende omstandigheden. De duur van de sluiting moet evenwichtig zijn, ook als de burgemeester daarin zijn eigen beleid heeft gevolgd. Of de sluiting evenwichtig is hangt ook af van de (mate van) verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, of er een bijzondere binding met de woning is en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de omstandigheden die maken dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. [7]
9.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat – ondanks hetgeen is aangevoerd door verzoekers – de sluiting van de woning niet onevenwichtig is. Het is allereerst inherent aan de sluiting van een woning dat de bewoners de woning moeten verlaten. Dat is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. De omstandigheid dat de verhuurder mogelijk het huurcontract van verzoekers zal ontbinden maakt, gezien de ernst van de overtreding, ook niet dat de sluiting onevenwichtig is. [8] De voorzieningenrechter overweegt dat van verzoekers mag worden verwacht dat zij weten wat zich in hun woning en tuinhuis afspeelt. Verzoekers verklaren dat de hasj en het geld goed verstopt waren. Ook stellen zij geen geur van de hasj te hebben geroken, omdat de pakketten vacuüm verpakt waren en pas zijn opengesneden tijdens de overval. Deze omstandigheden betekenen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat verzoekers als bewoners niet verantwoordelijk zijn voor datgene wat zich in hun huis afspeelt. [9] Daarbij komt dat de dochter heeft verklaard dat zij in het tuinhuis de was doet en de zoon heeft verklaard dat hij in het tuinhuis woont. Daarnaast zijn in de koelkasten in het tuinhuis en de tuin, waarin de pakketten hasj zijn aangetroffen, levensmiddelen aangetroffen.
9.3.
Voor zover verzoekers aanvoeren dat hen een minder zwaarwegend verwijt kan worden gemaakt omdat er sprake is van softdrugs, volgt de voorzieningenrechter dit standpunt niet. De burgmeester heeft ter zitting terecht toegelicht dat voor een woningsluiting op grond artikel 13b van de Opiumwet geen onderscheid wordt gemaakt tussen lijst I of lijst II van de Opiumwet. De toets die voorligt is of de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is om de woning te sluiten en die sluiting evenredig is. Ook de uitspraken die verzoekers aanhalen waarin het verzoek om een voorlopige voorziening is toegewezen zijn niet vergelijkbaar met de situatie zoals in deze zaak voorligt. In de zaken waarnaar verzoekers hebben verwezen ging het om (kleine) hoeveelheden harddrugs, waarbij de grootste aangetroffen hoeveelheid 282,6 gram was. In deze zaak, zoals ook overwogen in het kader van de noodzakelijkheid, gaat het om 120 kilogram softdrugs. In de aangehaalde zaken speelde ook dat minderjarige kinderen als bewoners werden geraakt of noodzakelijke hulpverlening niet meer kon worden verleend zonder vaste woonplek. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers allemaal meerderjarig zijn. Ook is er in het geval van verzoekers geen sprake van hulpverlening die aan huis wordt verleend. De hersenberoerte die vader in 2021 heeft gehad en waar hij nu nog steeds last van heeft, leidt er niet toe dat hij aan de woning gebonden is. En hoewel het zeer invoelbaar is dat de dochter als gevolg van de woningsluiting haar veilige plek kwijtraakt, levert dit ook geen omstandigheid op die ertoe leidt dat de burgemeester een onevenwichtig besluit heeft genomen.
9.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van de bescherming van de openbare orde in dit geval zwaarder dan het belang van verzoekers bij schorsing van het sluitingsbevel. Het feit dat er een gewapende overval heeft plaatsgevonden, weegt de voorzieningenrechter mee in het belang van de openbare orde. Door de sluiting wordt de woning uit het criminele milieu onttrokken. Hiermee kunnen potentiële, openbare orde verstorende situaties, zoals bijvoorbeeld ripdeals of inbraken, worden voorkomen.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het sluitingsbevel van 19 januari 2026 niet wordt opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Klinkhamer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet en het Besluit van de burgemeester van de gemeente Amsterdam houdende beleidsregels over de sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet, de Gemeentewet en de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (Beleidsregels sluitingen en heropeningen Amsterdam).
2.Uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 28 februari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:3224 en van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7274 en van de Rechtbank Limburg van 25 april 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:3927.
3.Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1698.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
6.Zie de uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, onder 10.2.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910.
8.Zie de uitspraak van de afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2912.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6159.