Verzoekster, huurder van een woning waar aanzienlijke hoeveelheden cocaïne en heroïne werden aangetroffen, werd geconfronteerd met een besluit van de burgemeester tot sluiting van de woning voor drie maanden op grond van de Opiumwet. De burgemeester baseerde dit besluit op de aanwezigheid van drugs die volgens het beleid duiden op handel.
Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel de burgemeester bevoegd was en sluiting een geschikt middel is, de noodzaak en evenwichtigheid onvoldoende waren gemotiveerd. Er was onvoldoende bewijs dat de woning nog als afhaallocatie fungeerde en dat sluiting noodzakelijk was voor het herstel van de openbare orde.
Daarnaast werd meegewogen dat verzoekster geen verwijt treft, haar middelste zoon niet meer in de woning woont, en dat haar jongste minderjarige zoon afhankelijk is van een stabiele thuissituatie. De sluiting zou ernstige gevolgen voor hem hebben. De voorzieningenrechter schorst daarom het besluit tot twee weken na de beslissing op bezwaar en veroordeelt de burgemeester tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.