Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2187

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
13/196400-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling belaging en bedreiging met TBS en vrijheidsbeperkende maatregelen

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte schuldig bevonden aan belaging en bedreiging van zijn ex-partner in de periode van januari tot juni 2025. Verdachte stuurde duizenden sms-berichten, voicemails en belde herhaaldelijk, ondanks herhaalde verzoeken van het slachtoffer om te stoppen. Daarnaast bedreigde hij haar met een foto van een kogelpatroon en een dreigende tekst.

Verdachte werd vrijgesproken van het voorhanden hebben van munitie omdat de aangetroffen patronen niet geschikt waren als munitie. De rechtbank nam de verminderd toerekeningsvatbaarheid van verdachte mee in de strafoplegging. Gezien het recidivegevaar en de psychische problematiek werd TBS met voorwaarden opgelegd, samen met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel en een contactverbod van vijf jaar.

De rechtbank kende aan het slachtoffer een materiële schadevergoeding van €706,50 toe voor verhuiskosten en opslagruimte, en een immateriële schadevergoeding van €2.000,- wegens de ernstige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. De voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst onder voorwaarden van de TBS-maatregel zodra hij wordt opgenomen in een kliniek.

De straf en maatregelen zijn gebaseerd op uitgebreide psychologische rapporten die een antisociale persoonlijkheidsstoornis, lichte verstandelijke beperking en middelengebruik bij verdachte vaststelden. De behandeling moet klinisch en langdurig zijn om recidive te voorkomen. De rechtbank wees een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af vanwege de opgelegde straf en maatregel.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 250 dagen gevangenisstraf, TBS met voorwaarden, een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel en een contactverbod van vijf jaar wegens belaging en bedreiging.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/196400-25
Parketnummer vordering tul: 13/212681-23
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
nu gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] ,
hierna te noemen: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 18 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [benadeelde partij] en van wat door [naam medewerkster] , medewerkster van Slachtofferhulp Nederland, namens haar naar voren is gebracht.
Ten slotte is mevrouw S. van Niekerken, reclasseringsmedewerkster bij GGZ Reclassering Inforsa, als deskundige ter terechtzitting gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
1. belaging van [benadeelde partij] in de periode van 24 januari 2025 tot en met 27 juni 2025 in Amsterdam;
2. bedreiging van [benadeelde partij] op 26 juni 2025 in Amsterdam;
3. het voorhanden hebben van munitie op 27 juni 2025 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

3.1.
De dagvaarding is geldig.
3.2.
Deze rechtbank is bevoegd om van de ten laste gelegde feiten kennis te nemen.
3.3.
Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3.4.
Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Belaging (onder feit 1) is een klachtdelict. Dit betekent dat voor belaging alleen vervolgd mag worden als – kort gezegd – het slachtoffer uitdrukkelijk verzoekt dat de dader wordt vervolgd.
De rechtbank heeft geconstateerd dat er geen klacht aanwezig is in het dossier. De officier van justitie en de verdediging hebben hierover geen standpunt ingenomen.
Juridisch kader
De klacht moet worden ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:13, volgt het volgende.
Voor belaging geldt dat voor het bepalen van het aanvangsmoment van de termijn waarbinnen de klachtgerechtigde een klacht moet indienen, niet gekeken dient te worden naar het moment dat de belaging een aanvang neemt, maar uiterlijk naar het moment dat de belaging tot een einde is gekomen. Er kan immers pas van belaging gesproken worden, indien er sprake is van herhaaldelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer gedurende een bepaalde periode, waarbij juist ook de duur van het gewraakte handelen bepalend is voor de belaging en aanleiding zal zijn om ter zake strafvervolging te wensen.
Indien een als klacht bedoeld stuk wel een aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt, kan niettemin het bestaan van een klacht als omschreven in het eerste lid van artikel 164 Sv Pro worden aangenomen indien op grond van het onderzoek ter terechtzitting komt vast te staan dat de klager ten tijde van het opmaken van bedoeld stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld.
Beoordeling
Naar het oordeel van de rechtbank was bij [benadeelde partij] (hierna ook: aangeefster) de wens tot vervolging van verdachte aanwezig. Zij heeft op 5 maart 2025 aangifte gedaan van belaging (en bedreiging). Zij heeft toen onder meer verklaard dat zij met haar aangifte wil bereiken dat verdachte gestraft wordt voor het bedreigen en lastig vallen van haar en hun dochter. Aangeefster is vervolgens op 7 juni 2025 opnieuw gehoord, omdat zij nog steeds zou worden lastiggevallen door verdachte. Ook toen heeft zij gezegd dat zij strafvervolging wil. Aangeefster heeft daarnaast op 23 juli 2025 een verzoek tot schadevergoeding ingediend en op 9 september 2025 heeft zij bericht dat zij het spreekrecht op de terechtzitting wil uitoefenen. Gezien deze omstandigheden houdt de rechtbank het ervoor dat aangeefster tijdig, dat wil zeggen uiterlijk binnen drie maanden nadat de belaging tot een einde is gekomen, een klacht in de zin van artikel 164 Sv Pro heeft gedaan. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
Ten aanzien van feit 3 geldt dat in het proces-verbaal van munitieonderzoek is omschreven dat het gaat om munitie die strafbaar is gesteld volgens de Wet wapens en munitie (hierna: WWM). De aangetroffen kogelpatronen maken geen deel uit van een verzameling en er was geen sprake van een vrijstelling.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat de aangetroffen kogelpatronen geen kruit en geen slaghoedje bevatten, waardoor deze niet als munitie kunnen worden gebruikt. De aangetroffen patronen kunnen ook na een eenvoudige aanpassing niet als munitie worden gebruikt, zodat verdachte van feit 3 dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 en 2 geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 3: Vrijspraak voorhanden hebben munitie
De rechtbank zal verdachte vrij spreken van het voorhanden hebben van munitie en overweegt daartoe als volgt.
Uit onderzoek naar de bij verdachte aangetroffen munitiedelen (35 kogelpatronen en één huls) is gebleken dat deze niet bruikbaar zijn omdat er geen slaghoedjes en kruit aanwezig is.
In artikel 3, tweede lid van de WWM staat:
De bepalingen betreffende munitie zijn mede van toepassing op onderdelen van die munitie, voor zover geschikt om munitie van te maken.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de aangetroffen kogelpatronen en huls geschikt zijn om munitie van te maken. De verdediging heeft dit bij de vorige zitting op 11 december 2025 al gemotiveerd betwist. In dat geval ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie aan te tonen dat die hulzen wel geschikt zijn om (weer) munitie van te maken. [1] Niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie daar aanvullend onderzoek naar heeft laten doen. De rechtbank komt daarom tot het oordeel, dat niet vastgesteld kan worden dat de kogelpatronen en huls geschikt zijn om munitie van te maken, zodat het voorhanden hebben daarvan niet strafbaar is gesteld in de WWM. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 3 tenlastegelegde.
Feit 1: Bewezenverklaring belaging
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de periode van 24 januari 2025 tot en met 27 juni 2025 een grote hoeveelheid SMS-berichten heeft gestuurd aan, een grote hoeveelheid voicemailberichten heeft achtergelaten voor, en meermalen heeft gebeld naar aangeefster, terwijl verdachte wist dat aangeefster dit niet wilde. Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij haar veelvuldig en op verschillende manieren heeft benaderd.
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat naar objectieve maatstaven bezien van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. De invloed op de persoonlijke vrijheid van aangeefster is aanzienlijk geweest, blijkens haar verklaringen.
De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster in de periode van 24 januari 2025 tot en met 27 juni 2025, zoals hierna bij de bewezenverklaring naar voren komt.
Omdat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359 derde Pro lid van het Wetboek van Strafvordering, voor het bewezenverklaarde feit met de in de
bijlage IIgenoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.
Feit 2
Partiele vrijspraak
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij een spraakbericht aan de aangeefster heeft verstuurd, met daarin de bedreigende uitlatingen die onder de gedachtestreepjes in de tenlastelegging worden genoemd. Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin dit spraakbericht is uitgewerkt blijkt echter dat dit spraakbericht op 31 maart 2025 aan de aangeefster is verstuurd. Dit komt niet overeen met de de datum van 26 juni 2025 die in de tenlastelegging staat, waardoor verdachte van deze bedreigende uitlatingen zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring bedreiging
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte op de zitting vast dat wel kan worden bewezen dat verdachte op 26 juni 2025 de aangeefster heeft bedreigd door een foto te sturen van een kogelpatroon met daarbij de tekst: "bij deze ga ik je vanaf nu zoeken in Zaandam en bij Ginotje”.
Omdat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359 derde Pro lid van het Wetboek van
Strafvordering, voor het bewezenverklaarde feit met de in de
bijlage IIgenoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte:
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:
in de periode van 24 januari 2025 tot en met 27 juni 2025 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] , door
  • meermaals SMS-berichten te sturen aan die [benadeelde partij] terwijl die [benadeelde partij] niet reageerde op die berichten en aangaf dat hij moest stoppen en aangaf dat hij haar met rust moest laten en
  • meermaals te bellen naar die [benadeelde partij] en
  • meermaals de voicemail van die [benadeelde partij] in te spreken,
met het oogmerk die [benadeelde partij] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen.
ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:
op 26 juni 2025 in Nederland, [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door naar die [benadeelde partij] een afbeelding te sturen van een kogelpatroon met daarbij de tekst "bij deze ga ik je vanaf nu zoeken in Zaandam en bij Ginotje”.

6.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 250 dagen, met aftrek van het voorarrest, waardoor de gevangenisstraf gelijk is aan het voorarrest. De officier van justitie houdt in haar eis rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van feit 1 en 2. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, zal worden opgelegd, met uitzondering van het locatieverbod. De officier van justitie heeft voorts gevorderd om de dadelijke uitvoerbaarheid hiervan te bevelen en het bevel tot voorlopige hechtenis per de datum van de uitspraak te schorsen onder dezelfde voorwaarden als die aan de tbs-maatregel worden verbonden.
Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht gevorderd. Tot slot heeft de officier van justitie als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een contactverbod gevorderd voor de duur van vijf jaren met de aangeefster en haar dochter. De officier van justitie heeft gevorderd ook deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest en daarbij een voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd. Als aan verdachte de maatregel van tbs met voorwaarden wordt opgelegd zal verdachte zijn woning verliezen.
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de oplegging van een GVM of contactverbod.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van vijf maanden schuldig gemaakt aan
belaging van zijn ex-partner (de aangeefster). Hij heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van de aangeefster. Verdachte heeft op een zeer indringende en dreigende manier veelvuldig contact gezocht met de aangeefster. Daarbij heeft hij aangeefster minstens 2.683 SMS-berichten verstuurd, haar minstens 1.423 keer gebeld en een grote hoeveelheid voicemails met dreigende uitlatingen voor haar achtergelaten. Ondanks dat aangeefster verdachte herhaaldelijk heeft gevraagd te stoppen met het zoeken van contact bleef verdachte hiermee doorgaan. Als gevolg van het handelen van verdachte heeft aangeefster zich erg onveilig gevoeld. De impact van het handelen van verdachte blijkt ook uit de slachtofferverklaring die de aangeefster op de zitting heeft voorgelezen. Met zijn handelen heeft verdachte op indringende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster en dat rekent de rechtbank verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 19 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij op 25 april 2022 is veroordeeld voor belaging en in de periode van 2022 tot en met 2025 meerdere keren is veroordeeld voor bedreiging.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 22 december 2025, opgesteld door J. van der Meer, psychiater en N.P.A. van der Weegen, GZ-psycholoog en het reclasseringsadvies tbs met voorwaarden van 10 februari 2026, opgesteld door S. van Niekerken.
In het Pro Justitia rapport staat onder meer:
Advies psychiater J. van der Meer
“Er is bij betrokkene sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, zwakbegaafdheid
of een lichte verstandelijke beperking en stoornissen in het gebruik van cannabis (licht) en
een amfetamineachtig middel (matig). Een persoonlijkheidsstoornis en de genoemde lichte verstandelijke beperking of zwakbegaafdheid zijn chronische aandoeningen die er derhalve ten tijde de belaging en bedreiging van [benadeelde partij] ook waren. Betrokkene was door zijn stoornissen in verminderde mate in staat om zijn gedrag te sturen en om de gevolgen van zijn handelen te overzien. Het advies is om de tenlastegelegde bedreigingen en belaging in verminderde mate toe te rekenen als het bewezen wordt geacht.
Vanwege de ernst van het tenlastegelegde, het hoge recidive gevaar en het recidiverende karakter van het gedrag is het advies om TBS met voorwaarden op te leggen. Dit juridisch kader zorgt ervoor dat betrokkene in ieder geval niet onbehandeld zal terugkeren in de maatschappij.
Betrokkene geeft aan dat hij gemotiveerd is voor behandeling, al twijfelt hij wel over het ondergaan van een klinische behandeling. In detentie laat hij zien dat hij zich aan gedragsregels kan houden en zijn er geen incidenten. Eerdere ambulante behandelingen laten zien dat hij vaak wel aan de behandeling begint en dan ook naar de afspraken
komt en gemotiveerd is. Dit alles maakt dat wordt verwacht dat TBS met voorwaarden mogelijk kan zijn. Er moet echter wel een stevigere stok achter de deur staan dan alleen een voorwaardelijk strafdeel, omdat betrokkene anders de behandelingen niet volhoudt of niet tot gedragsverandering komt. De tbs maatregel met bevel tot verpleging wordt niet nodig geacht om het risico op recidive te verlagen.
Een voldoende hoog voorwaardelijk strafdeel zal betrokkene waarschijnlijk ook in enige mate kunnen motiveren, maar de verwachting is dat dit niet afdoende zal zijn om de behandeling vol te houden en met voldoende gedragsverandering af te sluiten. Eerdere behandelingen op basis van een voorwaardelijk strafdeel vonden wel plaats, maar hebben niet geleid tot gedragsverandering en konden de huidige recidive niet voorkomen."
Advies GZ-psycholoog N.P.A. van der Weegen
“Betrokkene lijdt aan een licht verstandelijke beperking, aan ernstige stoornissen in het gebruik van cannabis en een stimulantium, die ten tijde van de tenlastegelegde feiten nog niet in remissie waren. Daarnaast is sprake geweest van een scheefgroei in de persoonlijkheid, waardoor (in elk geval in classificerende zin) sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en narcistische trekken. Door de combinatie van deze stoornissen heeft betrokkene onvoldoende probleemoplossende- en emotieregulatievaardigheden. Onlustgevoelens worden niet verdragen, maar moeten direct worden bestreden, waarbij betrokkene ook door zijn gebrekkig functionerende geweten, gebrek aan empathie en sterke neiging tot externaliseren, geen oog heeft voor de gevolgen van zijn gedrag voor anderen. Dit leidde tot het belagen en bedreigen van zijn ex-partner toen zij hem onlustgevoelens bezorgde door hem het contact met zijn dochter te ontzeggen. Rapporteur adviseert hem het eerste en tweede tenlastegelegde verminderd toe te rekenen.
Betrokkene behoeft een intensieve behandeling van zijn problematiek. De behandeling dient gericht te zijn op het aanleren van vaardigheden om abstinent te blijven van middelen, het vergroten van emotieregulatievaardigheden en het vergroten van probleemoplossende vaardigheden. Eerdere behandelpogingen slaagden niet omdat betrokkene terugviel in middelengebruik.
Geadviseerd wordt dan ook de behandeling klinisch en in een besloten setting te laten plaatsvinden, waar expertise is op het gebied van mensen met een verstandelijke beperking, verslavingsproblemen en persoonlijkheidsproblematiek. Om het risico op impulsieve onttrekking te verlagen, denkt rapporteur aan het beveiligingsniveau van een FPK.
De problematiek van betrokkene bestaat al langdurig. De verstandelijke beperking is chronisch en de problemen samenhangend met de scheefgroei van de persoonlijkheid en de stoornissen in middelengebruik hardnekkig. Behandeling zal langdurig zijn. Na een klinische start zal nog langdurig ambulant behandeld moeten worden en toezicht moeten zijn. Om te zorgen dat toezicht langdurig gewaarborgd is, adviseert rapporteur het voorgestelde behandeltraject in het kader van een tbs- maatregel met voorwaarden te doen plaatsvinden."
De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en de psycholoog over en maakt deze tot de hare.
In het reclasseringsadvies staat onder meer, onder verwijzing naar de bevindingen van de Pro Justitia rapporteurs, het volgende:
“Betrokkene (…) werd voor zijn detentie ambulant behandeld bij het FACT-team van Inforsa. Betrokkene hield zich tijdens het reclasseringstoezicht voldoende aan voorwaarden. Hij was aangemeld bij het Sinaï-centrum voor behandeling van PTSS en werd daarnaast behandeld bij het FACT-team in Inforsa. Betrokkene stelde zich wat wantrouwend op tegenover de hulpverlening, maar kwam desondanks zijn afspraken na. Risicofactoren zijn het middelengebruik van betrokkene en de antisociale persoonlijkheidsstoornis die bij de heer [verdachte] zijn vastgesteld. Daarnaast worden zijn gebrek aan dagbesteding en een sociaal vangnet als risicofactoren gezien.
De reclassering heeft met betrokkene besproken wat tbs met voorwaarden inhoudt, welke voorwaarden er worden geadviseerd en welke consequenties er mogelijk verbonden zijn aan het overtreden van de voorwaarden. Wij achten hem voldoende in staat en bereid om zich te houden aan voorwaarden.
Wij adviseren positief over een tbs-maatregel met voorwaarden (…). De reclassering kan het toezicht hierop uitoefenen. Betrokkene heeft zich bereid verklaard tot medewerking aan deze voorwaarden.
Wij adviseren dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden.
Wij adviseren een combinatie met een schorsing van de voorlopige hechtenis onder dezelfde
voorwaarden als de tbs met voorwaarden.
Bij een veroordeling tot tbs of (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseren wij een
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM, artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs of gevangenisstraf. Dit kader biedt de
mogelijkheid om langdurig in te zetten op risicobeheersing.”
Ter terechtzitting heeft de reclasseringswerker in aanvulling op het advies verklaard dat verdachte is aangemeld voor de Forensisch Psychiatrische Kliniek [naam kliniek] . Het is nog niet bekend wanneer verdachte hier terecht kan. Als op de dag van de uitspraak in [naam kliniek] geen plaats is, dan wordt gezocht naar een overbruggingsplek. Als ook die plek er niet is op de dag van de uitspraak dan gaat verdachte naar huis tot er wel plek is.
De rechtbank stelt op grond van voornoemde rapporten vast dat er bij verdachte sprake is van een hoog recidive gevaar. Verdachte is eerder veroordeeld voor het belagen en bedreiging van aangeefster. Gelet op de conclusies en adviezen in de hiervoor genoemde rapportages, is een intensief en langdurig behandeltraject voor verdachte noodzakelijk om het recidivegevaar bij verdachte te verminderen. Eerdere behandelpogingen op basis van een voorwaardelijk strafdeel hebben niet geleid tot gedragsverandering en konden de huidige recidive niet voorkomen. De rechtbank vindt dat een behandeling in een ambulante kader door middel van bijzondere voorwaarden daarom onvoldoende waarborgen biedt. Daarbij komt dat er bij verdachte sprake is van gering ziektebesef, waarbij hij zichzelf enkel herkent in de stoornis met betrekking tot het middelengebruik. De rechtbank komt tot de conclusie dat slechts een tbs-maatregel met voorwaarden een toereikend kader biedt om gedragsverandering te bewerkstelligen en het recidivegevaar te verminderen.
De raadsman heeft op de zitting verzocht de zaak aan te houden als er onduidelijkheid is over de door de deskundigen geadviseerde TBS met voorwaarden. De rechtbank wijst dit verzoek af, nu zij zich voldoende voorgelicht acht door de adviezen van de psychiater, de psycholoog en de reclassering en de verklaring van die laatste tijdens de zitting. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de zaak aan te houden.
Strafoplegging
Gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde belaging en de bedreiging is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 250 dagen met aftrek van het voorarrest passend en geboden is. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Bij deze beslissing weegt de rechtbank mee dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.
Oplegging TBS-maatregel met voorwaarden
De rechtbank heeft vastgesteld dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van tbs met voorwaarden is voldaan. De bewezen geachte feiten zijn misdrijven die worden genoemd in artikel 37a lid 1 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, vereist het opleggen van deze maatregel. Verder volgt de rechtbank de psychiater en de psycholoog in de hierboven genoemde conclusies dat bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Om het gevaar voor recidive te kunnen beteugelen, om de problematiek van de verdachte zoveel mogelijk te beperken en ter optimale bescherming van de maatschappij zal de rechtbank aan verdachte de tbs-maatregel opleggen. De rechtbank is van oordeel dat kan worden volstaan met het stellen van de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van het locatieverbod. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden.
De totale duur van de maatregel is gemaximeerd, nu geen sprake is van veroordeling voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen in de zin van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bedreiging en belaging werden niet voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de aangever dan wel op enigerlei (andere) wijze ondersteund door niet-verbaal agressief gedrag. Evenmin is op grond van het dossier duidelijk geworden dat destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd. Het feit dat bij de doorzoeking van de woning van verdachte onbruikbare kogelpatronen en hulzen zijn aangetroffen maakt het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank niet anders.
Dadelijke uitvoerbaarheid tbs-maatregel met voorwaarden
Conform de vordering van de officier van justitie zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 38, eerste lid Sr te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Dat is gelet op de noodzaak van de behandeling en het gevaar voor recidive en daarmee het grote risico dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan, ook gepast.
Voorlopige hechtenis
Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte wordt opgenomen in de beoogde kliniek of een overbruggingskliniek. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als die aan de tbs-maatregel worden verbonden. Als de verdachte dan de in het kader van de tbs-maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situaties de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden. Het schorsingsbevel zal afzonderlijk worden geminuteerd.
Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (GVM)
Op basis van de Pro Justitia rapporten, het reclasseringsrapport en het strafblad is er naar het oordeel van de rechtbank een gegronde vrees voor herhaling. De rapporteurs spreken over de noodzaak van een intensieve en langdurige behandeling van verdachte. De rechtbank acht het daarom van belang dat er een mogelijkheid bestaat om na de tbs-maatregel, die met voorwaarden en gemaximeerd is, langdurig toezicht op verdachte te kunnen houden en hem eventueel te behandelen en te begeleiden, ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, mocht daartoe een noodzaak blijken. De rechtbank constateert verder dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van een GVM-maatregel is voldaan. De rechtbank zal daarom, naast de tbs-maatregel met voorwaarden, in navolging van het advies van de reclassering, ook de GVM als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
Artikel 38v Sr - contactverbod
De rechtbank legt aan verdachte als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een
contactverbodop met [benadeelde partij] en haar dochter [naam dochter] . Dit contactverbod houdt in dat verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen met [benadeelde partij] en [naam dochter] .
De rechtbank bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat niet aan deze maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De rechtbank acht oplegging van deze maatregel noodzakelijk, zodat het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens [benadeelde partij] wordt ingeperkt.
Dadelijke uitvoerbaarheid vrijheidsbeperkende maatregel
Gelet op het door de reclassering gestelde gevaar voor herhaling, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal begaan en dat hij zich belastend zal gedragen jegens [benadeelde partij] en haar dochter. De rechtbank zal daarom bepalen dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

9.Beslag

9.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de munitie verbeurd wordt verklaard.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft over het beslag geen standpunt ingenomen.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft geconstateerd dat er geen beslaglijst en geen kennisgevingen van inbeslagneming in het dossier aanwezig zijn. Dat maakt dat de rechtbank niet in staat is om een voldoende gespecificeerde beslagbeslissing te geven.
10.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij, [benadeelde partij] , vordert in totaal € 2.706,50 aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding van € 2.000,- en een materiële schadevergoeding van € 706,50, bestaande uit verhuiskosten (€ 360,-) en kosten opslagruimte (€ 346,50).
Hei standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om de gevorderde schadevergoeding van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering pas een dag voorafgaand aan de terechtzitting, is ingediend. Subsidiair heeft de raadsman de vordering betwist. De immateriële schade is onvoldoende onderbouwd en de causaliteit ontbreekt. Nu nog gelegenheid bieden de vordering te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding is volgens de raadsman geen sprake van rechtstreekse schade, omdat de verhuizing plaatsvond vóór de belaging en bedreiging.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe
te wijzen, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
aangezien deze voldoende is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
Materieel
Naar het oordeel van de rechtbank komen de posten ten aanzien van de verhuiskosten en kosten voor de opslagruimte voor vergoeding in aanmerking. [benadeelde partij] verbleef blijkens de toelichting op de vordering al meer dan twee jaar niet meer in haar eigen huurwoning vanwege haar gevoel van onveiligheid dat door verdachte werd veroorzaakt. Verdachte wist immers waar zij woonde en zij was bang dat verdachte naar haar woning zou komen en haar iets zou aandoen. Zij is daarom verhuisd naar een geheime locatie bij haar moeder. In deze periode hield zij haar eigen huurwoning aan, in de hoop dat zij op een gegeven moment terug kon keren. Bijna al haar spullen stonden nog in haar eigen huurwoning, omdat er in haar huidige verblijfplaats te weinig ruimte voor was. In januari 2025 is de situatie verergerd toen verdachte weer begon met het belagen van [benadeelde partij] . Hierdoor wist zij dat zij niet meer kon terugkeren naar haar huurwoning en zag zij zich genoodzaakt om in maart 2025 haar huurwoning op te zeggen. Op 30 april 2025 is de huur beëindigd en op 25 april 2025 is zij verhuisd met behulp van een verhuisbedrijf. Op 8 april 2025 heeft [benadeelde partij] een opslagruimte in gebruik genomen zodat zij haar spullen kon opslaan, omdat er bij haar moeder te weinig ruimte was. Doordat [benadeelde partij] heeft moeten verhuizen als gevolg van de belaging en zij haar huur heeft opgezegd in de periode dat de belaging plaatsvond is de rechtbank van oordeel dat sprake is van rechtstreekse schade. De rechtbank wijst daarom het gevorderde bedrag van € 706,50 toe.
Immaterieel
De rechtbank is van oordeel dat verdachte rechtstreeks immateriële schade aan de
benadeelde partij [benadeelde partij] heeft toegebracht. Als gevolg van de belaging en bedreiging
is stelselmatig en opzettelijk inbreuk gemaakt op de privacy van de benadeelde. [benadeelde partij] heeft veel last ondervonden van de belaging en bedreiging door verdachte. Zij heeft gedurende een periode van vijf maanden een grote hoeveelheid SMS-berichten, voicemails en een spraakbericht met bedreigende inhoud van verdachte ontvangen. Daarnaast heeft verdachte gedurende deze periode ook vele malen geprobeerd telefonisch contact te krijgen met de aangeefster. Zij heeft zich als gevolg van het gedrag van verdachte erg onveilig gevoeld. Verdachte is ook eerder veroordeeld voor het bedreigen en belagen van [benadeelde partij] . Zij is bij de huisarts geweest vanwege haar psychische klachten en is hiervoor doorverwezen naar een Psycho-trauma Expertise Centrum, zoals blijkt uit het schade-onderbouwingsformulier.
De rechtbank komt tot de conclusie dat er, gelet op de aard en ernst van de normschending
en de genoemde gevolgen die de benadeelde partij heeft ondervonden, sprake is van
aantasting in de persoon op andere wijze. Dit betekent dat de immateriële schade voor
vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank acht, gelet op de aard, de ernst en intensiteit van de bewezen geachte feiten, gezien de onderliggende onderbouwing van de vordering, en rekening houdend met de bedragen zoals opgenomen in de Rotterdamse Schaal 2025 voor belaging (categorie b ‘ernstige belaging’), de toewijzing van het gevorderde geldbedrag van
€ 2.000,- billijk.
Concluderend wordt een bedrag van € 706,50 toegewezen als vergoeding voor materiële
schade en een bedrag van € 2.000,- als vergoeding voor immateriële schade, beide te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2025 tot aan de dag der algehele
voldoening.
Daarnaast zal de rechtbank in het belang van de benadeelde partij als extra waarborg voor
betaling aan haar de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte
opleggen.

11.De vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling (13/212681-23)

Bij de stukken bevindt zich de op 16 september 2025 ter griffie van deze rechtbank
ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de
zaak met parketnummer 13/212681-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van
24 januari 2025 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een
gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bij de stukken zit ook een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel
366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
11.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd.
11.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging.
11.3.
Het oordeel van de rechtbank
Gelet op de hierna op te leggen straf en maatregel acht de rechtbank toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging niet opportuun en wijst deze af.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38v, 38w, 38z, 55, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

13.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 en 2:
eendaadse samenloop van belaging en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gestelden stelt daarbij de volgende voorwaarden:
1.
Geen strafbaar feit plegen
Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
  • Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
  • Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen.
  • Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
  • Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
  • Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.
  • Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
  • Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
  • Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
3.
Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
4.
Niet naar het buitenland
Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5.
Opname in een zorginstelling
Verdachte wordt verplicht om zich te laten opnemen en behandelen in een intramurale instelling, zulks ter beoordeling van de Divisie Individuele Zaken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven, zolang de reclassering dat in overleg met die instelling nodig acht. Hij is aangemeld bij FPK [naam kliniek] . Thans is onduidelijk of en wanneer hij geplaatst kan worden.
Mocht er niet direct een plek voor verdachte zijn in de kliniek waar hij is geaccepteerd, dan dient verdachte mee te werken aan plaatsing in een andere kliniek in het kader van een overbruggingsplaatsing.
Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6.
Ambulante behandeling
Verdachte laat zich aansluitend aan de klinische behandeling behandelen door de forensisch ambulante zorg van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
7.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Verdachte verblijft aansluitend aan de klinische behandeling in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
8.
Verbod verdovende middelen
Verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.
9.
Alcoholverbod
Verdachte gebruikt geen alcohol. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
10.
Contactverbod
Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met, [benadeelde partij] geboren op [geboortedatum] en [naam dochter] , geboren op [geboortedatum] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
11.
Dagbesteding
Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Beveelt de
dadelijke uitvoerbaarheidvan de terbeschikkingstelling met voorwaarden.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Legt aan verdachte als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een
contactverbodop met [benadeelde partij] en haar dochter [naam dochter] . Dit contactverbod houdt in dat verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze, direct of indirect, contact zal opnemen met [benadeelde partij] en [naam dochter] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat niet aan deze maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
Beveelt de
dadelijke uitvoerbaarheidvan de vrijheidsbeperkende maatregel.
GVM
Legt aan verdachte op de
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf van 250 (tweehonderdvijftig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe van € 706,50 (zevenhonderd zes euro en vijftig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juni 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 2.706,50 (tweeduizend zevenhonderd zes euro en vijftig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juni 2025 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 27 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijk veroordeling (13/212681-23)
Wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging van de straf.
Voorlopige hechtenis
Schorst het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het moment dat verdachte kan worden geplaatst in [naam kliniek] of een soortgelijke instelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De schorsing van de voorlopige hechtenis duurt tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 11 genoemde voorwaarden verbonden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.S. Dogan, voorzitter,
mrs. B. Vogel en B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2026.