ECLI:NL:RBAMS:2026:2162

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
AMS 24/5287
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens misbruik van recht bij verkeersbesluit

Eisers hebben beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam waarin hun bezwaar tegen een verkeersbesluit niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeelt dat eisers misbruik maken van het recht om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had eerder vastgesteld dat eisers een patroon vertonen van procederen met als doel proceskostenvergoeding of dwangsommen te verkrijgen, terwijl de procedures inhoudelijk weinig betekenis voor hen hebben. Met name [eiser 2] C.V. ontplooit al lange tijd geen economische activiteiten, wat het belang bij het verkeersbesluit betwist.

De gemachtigde van eisers voerde aan dat er wel degelijk bedrijfsactiviteiten zijn, zoals het werken met ZZP’ers, belastingaangifte, een wagenpark en contracten met leveranciers. Echter, deze stellingen werden niet met stukken onderbouwd en het vermoeden van misbruik werd niet weerlegd.

De rechtbank volgt de Afdeling en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De zaak wordt niet inhoudelijk beoordeeld, en eisers krijgen geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep van eisers wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht en gebrek aan belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 24/5287

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Khallouk).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan,
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers misbruik hebben gemaakt van het recht om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het bestreden besluit van 6 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het verkeersbesluit van 27 maart 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het verkeersbesluit.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eisers deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 12 februari 2025 [1] overwogen dat uit eerdere zaken een patroon in het procedeergedrag van eisers blijkt waarbij wordt geprocedeerd met als kennelijk doel een proceskostenvergoeding, dwangsommen of vergoeding van immateriële schade te verkrijgen. Eisers beginnen procedures die inhoudelijk voor hen niet of nauwelijks van betekenis zijn. [eiser 2] C.V. (hierna: [eiser 2] ) ontplooit al zeer lange tijd geen enkele economische activiteit en op hervatting daarvan bestaat geen enkel concreet perspectief. De Afdeling acht het dus niet geloofwaardig dat eisers opkomen tegen de verkeersbesluiten omdat de besluiten de bedrijfsvoering (zullen) hinderen. Daarvoor is geen enkel overtuigend aanknopingspunt aangereikt en is volstaan met het schetsen van louter hypothetische toekomstige bedrijfsbelangen. Vanwege het patroon in het procedeergedrag van eisers wordt voorshands uitgegaan dat sprake is van misbruik van de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen. Het is aan eisers om dat vermoeden in individuele zaken te weerleggen. [2]
4. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers aangevoerd het niet eens te zijn met het standpunt van de Afdeling omtrent de bedrijfsactiviteiten van [eiser 2] . Volgens de gemachtigde is er wel sprake van een bestaande bedrijfsvoering. Zo werkt [eiser 2] met ZZP [3] ’ers, doet het elk kwartaal belastingaangifte, heeft het een wagenpark met
20 voertuigen, huurt het terrein van [eiser 1] , onderhoudt het contracten met leveranciers en parkeert de voertuigen in de openbare ruimte. Vanwege de verkeersbesluiten wordt de bedrijfsvoering van [eiser 2] juist gehinderd waardoor er geen economische activiteiten kunnen plaatsvinden. Dit bevestigt volgens de gemachtigde het belang van eisers bij het voeren van bestuursrechtelijke procedures.
5. De gemachtigde van eisers heeft niet met stukken onderbouwd dat de door hem genoemde bedrijfsactiviteiten van [eiser 2] ook daadwerkelijk worden ontplooid en heeft ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd om het vermoeden van misbruik van recht te weerleggen. De rechtbank ziet daarom geen reden om af te wijken van de uitspraak van de Afdeling en is van oordeel dat eisers misbruik hebben gemaakt van het recht om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4131 en van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:747.
3.Zelfstandige zonder personeel.