AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens misbruik van recht bij evenementenvergunning
Bij besluit van 1 juli 2022 verleende de burgemeester van Amsterdam aan SportWays Amsterdam B.V. een vergunning voor het organiseren van het evenement ‘SportWays Hockeykampen’ op een sportveld aan de Sloterweg 1043 C. Appellant, die een pand bezit op circa 400 meter afstand van het sportveld, maakte bezwaar tegen deze vergunning. Dit bezwaar werd door de burgemeester ongegrond verklaard en ook de rechtbank wees het beroep van appellant af.
Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij voerde onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het evenemententerrein voldeed aan de brandweerhandreiking en dat de doorrijhoogte geen risico vormde. Tevens stelde appellant dat er sprake was van misbruik van bevoegdheid door de burgemeester en dat het bezwaar niet volgens de Awb was behandeld vanwege het ontbreken van een fysieke hoorzitting.
De Afdeling overwoog dat op grond van artikel 3:13 BWPro het misbruik van bevoegdheid leidt tot niet-ontvankelijkheid van het bestuursrechtelijk rechtsmiddel. Uit eerdere uitspraken bleek een patroon in het procederen van appellant, gericht op het verkrijgen van proceskostenvergoedingen en andere financiële voordelen zonder inhoudelijk belang. Appellant had in deze zaak niet aannemelijk gemaakt dat het hoger beroep voor hem inhoudelijk van betekenis was. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De Afdeling wees ook een proceskostenvergoeding aan appellant af en waarschuwde dat bij toekomstige niet-ontvankelijkverklaringen wegens misbruik van recht mogelijk kostenveroordelingen volgen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.
Uitspraak
202403353/1/A3.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en Truck Care Amsterdam C.V. (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), gevestigd in Amsterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2024 in zaak nr. 23/252 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2022 heeft de burgemeester aan SportWays Amsterdam B.V. (hierna: SportWays) een vergunning verleend voor het organiseren van het evenement ‘SportWays Hockeykampen’.
Bij besluit van 25 november 2022 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De burgemeester heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 augustus 2025, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door D. Jansen, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij besluit van 1 juli 2022 heeft de burgemeester aan SportWays een vergunning verleend voor het organiseren van het evenement ‘SportWays Hockeykampen’ van 2 juli 2022 tot en met 30 juli 2022 op het sportveld aan de Sloterweg 1043 C. [appellant] heeft een pand aan de [locatie] op ongeveer 400 meter van het sportveld, en heeft bij brief van 12 augustus 2022 bezwaar gemaakt tegen de verlening van de vergunning. De burgemeester heeft dat bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Hoger beroep
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de evenementenvergunning mocht verlenen. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het evenemententerrein voldoet aan de Handreiking Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening van Brandweer Nederland (hierna: Handreiking) en dat de Adviseur Risicobeheersing van de Sector Brandweerzorg en de politie van Amsterdam de situatie hebben beoordeeld en hebben geadviseerd dat de doorrijhoogte van 3,80 meter geen risico vormt. Volgens [appellant] is die doorrijhoogte namelijk pas na afloop van het evenement gemeld tijdens de bezwaarprocedure.
Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester geen misbruik heeft gemaakt van bevoegdheden. Zoals de rechtbank namelijk heeft onderkend, had de verleende vergunning eerder bekendgemaakt moeten worden.
Ook betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bezwaar niet volgens de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is behandeld door geen fysieke hoorzitting te houden, omdat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen een digitale hoorzitting.
Misbruik van recht
3. Op grond van artikel 3:13, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet inroepen voor zover hij deze misbruikt. Op grond van het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of ingeval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
Op grond van artikel 3:15 vanPro het BW vindt artikel 3:13 toepassingPro buiten het vermogensrecht voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, brengen deze artikelen met zich dat de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich daarom tegen inhoudelijke behandeling van een bestuursrechtelijk rechtsmiddel dat misbruik van recht behelst en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van dat rechtsmiddel als van dat misbruik sprake is.
4. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:542 onder 1, blijkt uit eerdere zaken van een patroon in het procedeergedrag van [appellant] waarbij hij procedeert met als kennelijk doel om een proceskostenvergoeding, dwangsommen of vergoeding van immateriële schade te verkrijgen. [appellant] begint procedures die inhoudelijk voor hem niet of nauwelijks van betekenis zijn. Verder ontplooit TCA al zeer lange tijd geen enkele economische activiteit en bestaat op hervatting daarvan geen enkel concreet perspectief. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4131 onder 5, wordt er vanwege het patroon in het procedeergedrag van [appellant] voorshands vanuit gegaan dat hij misbruik maakt van de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen. Het is aan [appellant] om dat vermoeden in individuele zaken te weerleggen.
4.1. Daarbij komt dat [appellant], gelet op de afstand tussen zijn pand en het hockeyveld van SportWays, ook in deze zaak niet heeft onderbouwd hoe een procedure over het intrekken van de evenementenvergunning, of een uitspraak van de Afdeling daarover, inhoudelijk voor hem van betekenis zou zijn. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd om het vermoeden van misbruik te weerleggen. Ook in deze zaak wordt [appellant] vertegenwoordigd door Juradvin, waarvan hijzelf en zijn zoon deelgenoten zijn. [appellant] heeft het hoger beroep in deze zaak dan ook kennelijk ingesteld met als enig doel om daar geld aan te verdienen. Daarmee komt de Afdeling tot het oordeel dat hij misbruik heeft gemaakt van het recht om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen.
Slotsom
5. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
6. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen - bijvoorbeeld in haar uitspraak van 15 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:542 onder 28 - sluit de Afdeling niet uit dat [appellant] op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in de kosten van het geding wordt veroordeeld in geval van een toekomstige niet-ontvankelijkheidverklaring van een (hoger) beroep wegens misbruik van recht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.