Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de Dienst Toeslagen, verweerder.
Samenvatting
Procesverloop
8 september 2023 opnieuw aan voor behandeling. Eiser is vervolgens van 13 februari 2024 tot 4 december 2024 behandeld door een psycholoog. Na afronding van de tweede behandeling heeft eiser zich zo snel mogelijk aangemeld voor een herbeoordeling. Eerder was hij mentaal gezien niet in staat om zich bezig te houden met zaken die niet waren gericht op zijn herstel. Eiser voert aan dat hij aanhoudend beperkt is geweest in zijn doenvermogen. Dat eiser niet aanhoudend is behandeld ligt niet aan de afwezigheid van klachten. Tot slot blijkt volgens eiser uit het feit dat hij relevante (rechts)handelingen heeft verricht niet dat hij doenvermogen heeft. Hij had daarbij hulp van zijn toenmalige vriendin, die dit soort zaken voor hem oppakte.
30 januari 2024 van belang. [5] Uit deze uitspraken volgt dat er bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden die de betrokken aanvrager betreffen. Daarbij valt te denken aan persoonlijke omstandigheden, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval, en aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de aanvrager zorgen. Omdat het bij de Wht om een eenmalige aanvraag gaat waarin herstel van door de overheid toegebracht onrecht centraal staat, acht de rechtbank een zeer terughoudende uitleg van de hardheidsclausule niet passend. De rechtbank dient per concreet geval te toetsen of, gelet op de aard van deze bijzondere regeling, de mate van termijnoverschrijding en de door de betreffende ouder genoemde redenen, de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het besluit van 24 maart 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na dat dag van verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen op de aanvraag van eiser;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.200,-aan proceskosten aan eiser.
mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.