ECLI:NL:RBAMS:2026:1966

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
26/406
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:82 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenveroordeling na schorsing bestuursbesluit

Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam van 17 december 2025 en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is ingetrokken nadat het college de werking van het besluit heeft geschorst totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om proceskostenveroordeling beoordeeld en geoordeeld dat het college met de schorsing van het besluit aan het verzoek van verzoeker is tegemoetgekomen. Dit vormt een grond om het college te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

De proceskosten zijn vastgesteld op € 934,-, gebaseerd op de enkele proceshandeling van het indienen van het verzoekschrift door de gemachtigde van verzoeker. Het college is veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan verzoeker. Tevens wordt het griffierecht aan verzoeker terugbetaald.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van € 934,- proceskosten en het griffierecht wordt aan verzoeker terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/406

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F.W. Horstman),
en

het college van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek tegen het besluit van het college van 17 december 2025. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 december 2025.
1.1.
Hij heeft het verzoek ingetrokken omdat het college heeft laten weten de werking van dit besluit op te schorten totdat op het bezwaar is beslist.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft hierop niet gereageerd.
1.3.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [3]
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het verlengen van de begunstigingstermijn aan verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. [4] Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. [5] Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
4.1.
De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college met de verlenging van de begunstigingstermijn aan het verzoek van verzoeker is tegemoetgekomen. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient het college te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 934,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 934,- bedragen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat het college de werking van het besluit van 17 december 2025 heeft opgeschort totdat op het bezwaar is beslist, betaalt de griffier het griffierecht aan verzoeker terug. [6]

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3.Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
4.Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
5.Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
6.Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.