ECLI:NL:RBAMS:2026:1959

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
25/4696
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.L. Fernig - Rocour
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 ParticipatiewetArt. 6:19 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens niet gemelde inkomsten uit Marktplaatsverkopen

Eiser ontving sinds 2012 een bijstandsuitkering en verkocht gedurende een lange periode goederen via Marktplaats zonder deze inkomsten te melden aan het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Na een anonieme melding startte het college een onderzoek en trok de bijstandsuitkering in over de periode van september 2013 tot februari 2025 wegens schending van de inlichtingenplicht.

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit, dat in eerste instantie werd gehandhaafd, maar later werd ingetrokken en vervangen door een gewijzigd besluit. De rechtbank behandelde het beroep tegen dit gewijzigde besluit en oordeelde dat het college terecht uitging van niet incidentele inkomsten uit Marktplaatsverkopen en dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden.

De rechtbank stelde dat het college op basis van de vraagprijzen van de advertenties schattenderwijs het recht op bijstand mocht vaststellen, waarbij het risico van een lagere verkoop voor rekening van eiser komt. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar eiser kreeg een vergoeding van proceskosten vanwege het intrekken van het eerste bestreden besluit.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering wegens niet gemelde inkomsten uit Marktplaatsverkopen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4696

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.A. van Hoof),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers bijstandsuitkering. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de intrekking van de bijstandsuitkering. Het college heeft het besluit in de beroepsfase gewijzigd.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college met het gewijzigde besluit de bijstandsuitkering van eiser terecht heeft ingetrokken
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser ontving sinds 28 december 2012 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm van een alleenstaande.
4. Het college heeft naar aanleiding van een anonieme melding onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering van eiser. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegen in het ‘Rapport van bevindingen alleenstaande verzwegen (zwarte) inkomsten)’ van 20 mei 2025.
5. Met het besluit van 19 mei 2025 heeft het college de bijstandsuitkering ingetrokken over de periode 1 september 2013 tot en met 28 februari 2025 (de periode in geding), na schending van de inlichtingen- en medewerkingsplicht. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
6. Met het besluit van 14 augustus 2025 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit 1) is het college bij dat besluit gebleven. Het bezwaar is ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
7. Naar aanleiding van het beroep heeft het college met het bestreden besluit 2 van 25 september 2025 het bestreden besluit 1 ingetrokken en vervangen [1] . Het bezwaar van eiser is alsnog gegrond verklaard, waarbij de intrekking ten gunste van eiser is gewijzigd.
8. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit 1
9. Eiser heeft geen belang meer bij de beoordeling van het bestreden besluit 1, omdat dat is ingetrokken. Het beroep voor zover gericht tegen dat besluit zal de rechtbank daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten vanwege dit besluit, omdat het beroep terecht is ingesteld.
Standpunten van partijen
10. Het college gaat er in het bestreden besluit 2 van uit dat eiser inkomsten uit de verkoop van artikelen via Marktplaats heeft gehad en dat die inkomsten niet incidenteel van aard waren. Eiser heeft die inkomsten ten onrechte niet aan het college gemeld. Over de maanden waarin eiser geen verkoopadvertenties heeft geplaatst wordt het recht op bijstand niet ingetrokken. Over de maanden dat wel advertenties zijn geplaatst gaat het college er van uit dat de vraagprijzen van eiser zijn inkomsten zijn geweest. Die vraagprijzen/inkomsten zijn in een overzicht in het besteden besluit 2 per maand bij elkaar opgeteld om het recht per maand vast te kunnen stellen. Het bestreden besluit 2 gaat alleen over de intrekking van de uitkering en niet over de terugvordering, zo heeft het college op de zitting bevestigd.
11. Eiser is het niet eens met de (hele) periode van de intrekking en stelt dat hij niet in alle gevallen de vraagprijs heeft ontvangen voor de aangeboden spullen op Marktplaats. Ook is niet alles verkocht en zijn sommige artikelen meermalen aangeboden. Hij heeft dus minder verdiend dan waar het college van uit gaat. De wijze van vaststelling van het recht op bijstand door het college is volgens eiser verder onevenredig, omdat uit onderzoek is gebleken dat maar 50% van de artikelen op Marktplaats wordt verkocht. Tot slot wijst eiser op het wetsvoorstel ‘Wet handhaving sociale zekerheid’ waarin een wijziging van artikel 54 van Pro de Pw wordt voorgesteld. Deze wijziging kan gaan inhouden dat de periode waarover wordt herzien of ingetrokken wordt vastgesteld op maximaal 5 jaar. Eiser vindt de herziening over een periode van 12 jaar onredelijk.
Het juridische kader en de beoordeling
12. De rechtbank overweegt als volgt. Een besluit tot herziening of intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw is een voor eiser belastend besluit. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats aan het college is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en op het college de last rust aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening of intrekking is voldaan. [2]
13. De rechtbank stelt vast dat uit het overzicht van Marktplaats van door eiser geplaatste advertenties blijkt dat zijn account actief is vanaf 7 september 2013 tot en met 14 februari 2025. In deze periode heeft eiser 1.590 advertenties geplaatst waarmee hij een divers assortiment van goederen heeft aangeboden. De rechtbank is met het college van oordeel dat gedurende de periode in geding sprake is van niet incidentele verkoop van artikelen via Marktplaats en dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door de inkomsten hieruit niet te melden aan het college. Dit is tussen partijen niet in geschil.
14. Wanneer de inlichtingenplicht niet is nagekomen en daardoor ten onrechte of teveel bijstand is uitgekeerd, dan is het college op grond van de wet verplicht om het recht op bijstand in te trekken dan wel te herzien en terug te vorderen. Hierop is wel een uitzondering mogelijk, namelijk als eiser aantoont dat hij ook recht op volledige dan wel aanvullende bijstand had gehad als hij de inlichtingenplicht wel was nagekomen. Het is echter aan eiser om dit aannemelijk te maken. Indien na een schending van de inlichtingenplicht de door eiser gestelde en aannemelijk gemaakte feiten onvoldoende zijn voor een precieze vaststelling van de inkomsten, dan is het bijstandsverlenend orgaan gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs op basis van de vaststaande feiten vast te stellen tot welk bedrag eiser in ieder geval recht op bijstand zou hebben gehad. Het eventuele nadeel voor eiser doordat wordt geschat, komt wegens schending van de inlichtingenplicht voor zijn rekening. [3]
15. De rechtbank is van oordeel dat het college bij de vaststelling (schattenderwijs) van het recht op bijstand van eiser uit heeft kunnen gaan van de vraagprijzen van de artikelen op Marktplaats. [4] Voor zover artikelen niet of voor een lager bedrag zijn verkocht komt dat voor risico van eiser, nu hij zelf geen administratie heeft bijgehouden en overgelegd. De op zitting ingenomen stelling dat uit onderzoek blijkt dat gemiddeld 50% van de artikelen op Marktplaats niet wordt verkocht leidt alleen al vanwege het gebrek aan verdere onderbouwing niet tot succes.
16. Uit het voorgaande volgt dat het college op grond van een wet in formele zin, in dit geval de Pw, verplicht was de uitkering in te trekken over de maanden zoals omschreven in het bestreden besluit 2. Het evenredigheidsbeginsel maakt de uitkomst voor eiser niet anders, omdat aan mag worden genomen dat de wetgever bij de redactie van artikel 54, derde lid, van de Pw ook langere intrekkingsperioden voor ogen heeft gehad. Het nieuwe wetsontwerp over dit artikel - waarin de intrekkingsperiode wordt ingekort - kan ook (nog) niet afdoen aan de huidige intrekkingsperiode, omdat de huidige wetgeving nog leidend is en de toekomstige onzeker.
17. Het voorgaande betekent dat het college terecht tot intrekking van de uitkering is ingegaan conform het in het bestreden besluit 2 gegeven maandoverzicht. De juistheid van het maandoverzicht is verder door eiser niet betwist, zodat de rechtbank het overzicht voor juist houdt.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. De uitkering is terecht ingetrokken. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten, omdat het beroep heeft geleid tot intrekking van het bestreden besluit 1. De rechtbank veroordeelt het college alleen in de kosten van de beroepsprocedure, omdat die van de bezwaarprocedure al zijn toegekend in het bestreden besluit 2. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat het college het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 53 ,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1644.
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 17 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2130.
4.Zie de uitspraak van 14 juni 2022 van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2022:1313.