ECLI:NL:RBAMS:2026:1871

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
81.211291.20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf van 24 maanden voor medeplegen groothandel ketamine zonder registratie

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van een economisch delict, namelijk het zonder registratie in voorraad hebben van 1125 kilogram ketamine, het afleveren van 940 kilogram ketamine en het drijven van een groothandel in ketamine. De zaak werd behandeld door de economische kamer, ondanks dat de dagvaarding verwees naar de gewone strafkamer, omdat de tenlastelegging uitsluitend economische delicten betrof en de rechters als economische rechters waren aangewezen.

Het bewijs bestond uit verklaringen van verdachte, proces-verbalen van doorzoekingen, rapporten van het Douanelaboratorium en schriftelijke documenten. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte in Almere de ketamine in voorraad had en een groothandel dreef, en dat het afleveren in Nederland plaatsvond. Betrokkenheid bij afleveringen in Dubai werd niet bewezen, waarvoor verdachte werd vrijgesproken.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, lager dan de eis van vier jaar, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer 3,5 jaar. Verdachte had een belangrijke rol in de ketaminehandel, waaronder het beheren van de stashplaats en voorraadadministratie. Daarnaast werd een geldbedrag van €30.100,- verbeurd verklaard als opbrengst van de handel, en de ketamine werd onttrokken aan het verkeer. Overige inbeslaggenomen goederen worden teruggegeven, behoudens conservatoir beslag.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van groothandel in ketamine zonder registratie.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.211291.20
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
wonende op het adres [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12, 17 en 18 november 2025 (inhoudelijke behandeling) en 20 februari 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. F. Bahadin en J.P. Hopman (hierna gezamenlijk: de officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.W. Dirkzwager, naar voren hebben gebracht.
De zaak tegen verdachte is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met een andere strafzaak tegen verdachte onder parketnummer 1.191180.25.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is nadat de tenlastelegging op de zitting van 12 november 2025 nader is omschreven – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk zonder registratie:
  • in voorraad hebben van 1125 kilogram ketamine;
  • (laten) afleveren van 940 kilogram ketamine; en
  • het drijven van een groothandel in ketamine.
De volledige tekst van de uiteindelijke tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3.Bevoegdheid van de rechtbank

3.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt dat de rechtbank niet bevoegd is, omdat de zaak tegen verdachte is aangebracht bij de (gewone) strafkamer van de rechtbank, terwijl – na de nadere omschrijving van de tenlastelegging – alleen nog economische delicten zijn tenlastegelegd. Anders dan de rechtbank in reactie op het preliminair gevoerde verweer heeft gesteld, kan de rechtbank niet van pet wisselen en de zaak afdoen als economische kamer.
3.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bevoegd is om over de zaak te oordelen, nu de rechtbank voornemens is om als economische kamer uitspraak te doen. Omdat de feitelijke zittingscombinatie bestaat uit rechters die zijn aangewezen als economische rechters, zijn er ook geen belangen geschaad.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging – nadat deze op de zitting van 12 november 2025 nader is omschrijven – alleen nog een economisch delict bevat en dat daarom alleen de economische kamers van de rechtbank bevoegd zijn over het tenlastegelegde te oordelen. De rechtbank stelt ook vast dat verdachte gedagvaard en opgeroepen is voor de (gewone) strafkamer van de rechtbank Amsterdam.
Gelet hierop staat vast dat op de dagvaarding en de oproep niet langer het juiste forum is vermeld. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de bevoegdheid beoordeeld moet worden op basis van de uiteindelijke tenlastelegging. Dat bij aanvang van de zitting ook nog sprake was van een commune verdenking (die bij de nadere omschrijving van de tenlastelegging is komen te vervallen) is daarom niet van belang.
De rechtbank is echter van oordeel dat dit in dit geval niet hoeft te leiden tot het oordeel dat de rechtbank niet bevoegd is over de zaak tegen verdachte te oordelen. Daarvoor is van belang dat de rechtbank vaststelt dat de zaak is toebedeeld aan team 1 van de teams strafrecht van de rechtbank Amsterdam, het team waarin de economische zaken worden behandeld, en dat de individuele rechters die in deze zaak samen de meervoudige kamer vormen deel uitmaken van dit team en daarmee zijn aangewezen als economische rechter. Deze aanwijzing als economische rechter volgt uit het volgende wettelijke kader:
Artikel 38 van Pro de Wet op de economische delicten bepaalt dat economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van Pro Wet op de rechterlijke organisatie. In artikel 52 van Pro de Wet op de rechtelijke organisatie wordt bepaald dat het bestuur [van de rechtbank] voor het behandelen en beslissen van zaken betreffende economische delicten economische kamers vormt en de bezetting van deze kamers bepaalt. In het bestuursreglement van de rechtbank Amsterdam (Staatscourant 2025, 23151) is in artikel 4 opgenomen Pro:
“1. Het bestuur stelt jaarlijks (per 1 januari) een overzicht vast welke categorieën zaken door elk van de afdelingen en teams worden behandeld. Het schema wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en ligt op iedere zittingsplaats van het gerecht ter inzage.
2. Het bestuur stelt jaarlijks (per 1 januari) de bezetting van de afdelingen en teams vast, welke afdelingen en teams enkelvoudige en meervoudige kamers vormen.
Degenen die deel uitmaken van een afdeling of een team dat is belast met de behandeling van zaken als bedoeld in de artikelen 47, 48 en 50 tot en met 53 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO), zijn aangewezen als lid van de enkelvoudige en meervoudige kamers, bedoeld in die artikelen (…)”
Volgens het schema dat is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl worden economische zaken door team 1 behandeld.
Hieruit volgt dat materieel gezien wordt voldaan aan de voorwaarde dat economische rechters over de zaak van verdachte oordelen. Verdachte wordt berecht door rechters die voor dit soort zaken door de wetgever zijn aangewezen en er wordt niet in strijd met de bedoeling van de wetgever gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank volgt – tegen de hiervoor weergegeven achtergrond – uit de jurisprudentie dat de omstandigheid dat op de dagvaarding en/of oproep niet het juiste forum staat vermeld er niet aan in de weg staat de rechtbank bevoegd te achten. [1]
De rechtbank is daarom van oordeel dat zij bevoegd is over de zaak te oordelen en zij zal dat als economische kamer doen.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Inleiding
Verdachte is een van de verdachten in het onderzoek Kristal. Dit onderzoek is opgestart naar aanleiding van (anonieme) meldingen, waarbij de verdenking is ontstaan dat [medeverdachte] zich samen met anderen schuldig zou maken aan de handel in ketamine en witwassen. Verdachte is een van de verdachten die in dit dossier in beeld zijn gekomen bij de handel in ketamine. Verdachte zou degene zijn geweest die de voorraad opsloeg en de voorraadadministratie bijhield.
4.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
4.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen een bewezenverklaring van het tenlastegelegde, met uitzondering van een deel van de pleegplaatsen. De verdediging stelt dat verdachte de ketamine alleen in Almere in voorraad heeft gehad en alleen in Almere en Wormerveer ketamine heeft afgeleverd. De overige in de tenlastelegging genoemde pleegplaatsen, in het bijzonder Dubai, kunnen niet worden bewezen.
4.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het tenlastegelegde als medepleger heeft begaan, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte in Almere de ketamine in voorraad heeft gehad en een groothandel in ketamine heeft gedreven. Het afleveren of laten afleveren heeft naar het oordeel van de rechtbank ‘in Nederland’ plaatsgevonden.
De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van verdachte op de zitting van 12 november 2025;
Een proces-verbaal doorzoeking van 1 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (IBN001-04-01, digitale pag. 2907-2917);
Een proces-verbaal van ambtshandeling van 2 december 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (AMB-023; digitale pag. 1064-1070);
Een rapport van het Douanelaboratorium van 28 september 2020, opgemaakt door [persoon] , wetenschappelijk medewerker (AMB-023a, digitale pag. 10711073);
Een geschrift, te weten een beschreven notitieblaadje (DOC-069, digitale pag. 3636);
Een proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (AMB101, losbladig).
Het oordeel van de rechtbank dat het (laten) afleveren van de ketamine niet beperkt was tot Almere en Wormerveer leidt de rechtbank in het bijzonder af uit de verklaring van verdachte. Uit zijn verklaring volgt namelijk dat verdachte de ketamine alleen in die gemeenten aan een ander heeft gegeven, maar uit die verklaring blijkt niet of die ander een mededader was van de bewezen geachte feiten of een derde aan wie de ketamine afgeleverd was. Nu die ander, uitgaande van de verklaring van verdachte, waarschijnlijk degene is geweest die de ketamine vervolgens daadwerkelijk heeft afgeleverd staat niet vast dat dit (laten) afleveren beperkt is gebleven tot Almere en Wormerveer. Gelet daarop gaat de rechtbank ervan uit dat dit (laten) afleveren ‘in Nederland’ plaatsvond. Uit het dossier kan niet opgemaakt worden dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij het (laten) afleveren van ketamine in Dubai of elders in de Verenigde Arabische Emiraten. Voor dat onderdeel van de tenlastelegging spreekt de rechtbank verdachte vrij.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 opgesomde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 18 maart 2020 tot en met 27 augustus 2020 tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
te Almere, opzettelijk,
zonder registratie een werkzame stof, te weten 1125 kilogram ketamine(hydrochloride) in voorraad heeft gehad
en
zonder registratie in een werkzame stof, te weten ketamine(hydrochloride), een groothandel heeft gedreven
en
in Nederland, opzettelijk,
zonder registratie een werkzame stof, te weten 940 kilogram ketamine(hydrochloride), heeft afgeleverd en/of heeft laten afleveren.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek van voorarrest.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke straf op te leggen die de duur van het reeds ondergane voorarrest overschrijdt (149 dagen). De verdediging heeft daarbij verzocht niet aan te sluiten bij straffen die voor harddrugs worden opgelegd, omdat ketamine minder verslavend en minder gevaarlijk is dan andere drugs. De verdediging heeft ook verzocht rekening te houden met een veranderend strafklimaat ten aanzien van ketamine en dat ten tijde van de bewezenverklaarde feiten lagere straffen werden opgelegd dan tegenwoordig.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 24 maanden. Daarvoor vindt de rechtbank het volgende van belang.
Verdachte heeft gedurende een halfjaar zonder de vereiste registratie een groothandel in ketamine gedreven en in dat kader 1125 kilogram ketamine in voorraad gehad, waarvan 940 kilogram is afgeleverd. De rol van verdachte was daarbij dat hij verantwoordelijk was voor de stashplaats van de ketamine en hij zorgde ervoor dat de ketamine uit de stashplaats werd gehaald zodat deze bij afnemers kon worden afgeleverd. Verdachte hield daarnaast de voorraadadministratie bij en hield bij wanneer hoeveel aan welke afnemer werd geleverd.
Gelet op de omvang van de partij ketamine en zijn rol daarbij, kan niet worden volstaan met een straf.
Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende omstandigheden.
Hoewel de strafbaarstelling van ketamine geregeld wordt via de Geneesmiddelenwet, is het bekend dat ketamine populair is als partydrug. De rechtbank leidt uit de manier waarop in de ketamine werd gehandeld af dat verdachte gericht was op de markt voor partydrugs en niet op de geneesmiddelenmarkt. In die zin bestaat er bij ketaminehandel aanleiding om aansluiting te zoeken bij straffen voor harddrugs.
Tegelijkertijd is de rechtbank het met de raadsvrouw eens dat er de afgelopen periode sprake is van een opwaartse ontwikkeling in de straffen die voor ketaminefeiten worden opgelegd. Als de strafzaak kort na het einde van de pleegperiode zou zijn berecht, zou vermoedelijk sprake zijn geweest van een lagere strafeis. De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel van verdachte enigszins rekening met de straffen die in de beginjaren ’20 voor illegale ketaminehandel werden opgelegd.
Tot slot houdt de rechtbank rekening met een overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is in de zaak van verdachte aangevangen op 27 augustus 2020, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank ziet – anders dan de officier van justitie - in deze zaak geen bijzondere omstandigheden die een langere redelijke termijn dan de gebruikelijke twee jaar zouden rechtvaardigen. Het lijkt er vooral op dat het onderzoek geruime tijd heeft stilgelegen, terwijl er van de zijde van de verdediging van verdachte en/of zijn medeverdachten niet tot weinig onderzoekswensen zijn ingediend. De rechtbank gaat daarom uit van een redelijke termijn van twee jaar, zodat sprake is van een overschrijding van ongeveer 3,5 jaar. De rechtbank zal verdachte voor deze overschrijding compenseren door een lagere straf aan hem op te leggen. Als geen sprake was van een overschrijding, zou aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden zijn opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

9.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: personenauto’s, fietsen, een bromfiets en een geldbedrag van in totaal € 30.100,-.
De officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag verbeurd verklaard wordt. Het klassieke beslag ten aanzien van de overige voorwerpen kan komen te vervallen. In aanvulling op de beslaglijst vordert de officier van justitie dat de in beslag genomen ketamine onttrokken wordt aan het verkeer.
De verdediging betwist dat het geldbedrag van verdachte is en verzoekt het geldbedrag niet verbeurd te verklaren, maar te retourneren aan de rechtmatige eigenaar, de vader van verdachte.
Verbeurdverklaring € 30.100,-
De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen geldbedragen in de woning van de vader van verdachte aan verdachte toebehoren. De rechtbank neemt daarvoor als uitgangspunt dat verdachte de woning van zijn vader gebruikte als opslaglocatie voor de ketamine en dat hij vanuit die woning het bewezen geachte en lucratieve feit heeft gepleegd. De rechtbank beschouwt de geldbedragen daarom als (een deel van) de opbrengst van de ketaminehandel.
De verklaringen van verdachte en zijn vader dat het geld van de vader van verdachte is, acht de rechtbank niet aannemelijk. Daarvoor is van belang dat de vader van verdachte voorafgaand aan de doorzoeking en in zijn getuigenverhoor wisselende, tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over contante geldbedragen in de woning. Bovendien is het niet logisch dat de vader van verdachte zoveel geld op deze manier in zijn huis heeft bewaard, gelet op wat er bekend is over de financiële positie van de vader van verdachte.
Nu de rechtbank vaststelt dat het geldbedrag aan verdachte toebehoort en hij dit door middel van het bewezen geachte heeft verkregen, ziet de rechtbank voldoende aanleiding om het geldbedrag verbeurd te verklaren.
Onttrekking aan het verkeer ketamine
De rechtbank zal de ketamine onttrekken aan het verkeer. Het bewezen geachte feit is met betrekking tot deze voorwerpen begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.
Teruggave overig beslag
Ten aanzien van het overige beslag ziet de rechtbank geen aanleiding om de voorwerpen niet aan verdachte terug te geven. Daarbij merkt de rechtbank op dat op deze voorwerpen ook conservatoir beslag ligt en dat dit aan feitelijke teruggave in de weg staat.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c en 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 38 van Pro de Geneesmiddelenwet.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 38 van Pro de Geneesmiddelenwet gegeven verbod
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart verbeurd:
  • Goednummer 143021: 20.000 euro (beslaglijst onder 10)
  • Goednummer 143024: 10.100 euro (beslaglijst onder 11)
Verklaart onttrokken aan het verkeer (overeenkomstig lijst van inbeslaggenomen goederen, digitaal dossier p. 2912):
  • IBNcode: C.02.02.001 1 doos met daarin zakken ketamine
  • IBNcode: C.02.02.002 1 doos met daarin zakken ketamine
  • IBNcode: C.02.02.003 1 doos met daarin zakken ketamine
  • IBNcode: C.02.02.005 1 doos met daarin zakken ketamine
  • IBNcode: C.02.02.006 Papieren zak Biodore waarin verpakt 1 doos met daarin ketamine
  • IBNcode: C.03.02.001 1 doos met daarin zakken ketamine
  • IBNcode: C.05.01.001 1 doos met daarin zakken ketamine
  • IBNcode: C.05.01.002 1 doos met daarin zakken ketamine
  • IBNcode: C.05.01.003 1 doos met daarin zakken ketamine
  • IBNcode: C.05.01.004 1 doos met daarin zakken ketamine
Gelast de teruggave aan verdachte van:
  • Goednummer 143153: Volvo (vervreemdingsopbrengst: 25.739,-) (beslaglijst onder 1);
  • Goednummer 143138: Damesfiets (vervreemdingsopbrengst: € 620,68 (beslaglijst onder 2);
  • Goednummer 143139: Damesfiets (vervreemdingsopbrengst: € 1.064,68 (beslaglijst onder 3);
  • Goednummer 143019: Herenfiets (vervreemdingsopbrengst: € 5.200,- (beslaglijst onder 4);
  • Goednummer 143018: Bromfiets (zekerheidsstelling: € 1.500,-) (beslaglijst onder 5)
  • Goednummer 143150: Opel (vervreemdingsopbrengst: € 9.789,-) (beslaglijst onder 6);
  • Goednummer 143151: Jeep (vervreemdingsopbrengst: € 23.680,-) (beslaglijst onder 7)
  • Goednummer 143558: Herenfiets (vervreemdingsopbrengst: € 5.011,-) (beslaglijst onder 8)
Dit vonnis is gewezen door
mr. F. Dekkers, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en M. Wiewel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2026.
[(...)]

Voetnoten

1.ECLI:NL:PHR:2006:AY8322, randnummers 7 en 8 (ECLI:NL:HR:2006:AY8322: 81 RO) en ECLI:NL:PHR:2023:818, randnummers 16 en 17 (ECLI:NL:HR:2023:1267: 81 RO).