ECLI:NL:RBAMS:2026:154

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
13-277100-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel van Roemenië met betrekking tot detentieomstandigheden en strafbaarheid

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon aan Roemenië op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB, uitgevaardigd door de Cluj County Court op 22 mei 2025, betreft de aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon, die in Roemenië is geboren en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland verblijft. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 17 december 2025 en 7 januari 2026 gehouden, waarbij de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, en een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de relevante procedures in Roemenië en dat er geen beletselen zijn voor de overlevering op basis van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW). De rechtbank heeft ook de detentieomstandigheden in Roemenië beoordeeld en geconcludeerd dat de garanties die door de Roemeense autoriteiten zijn gegeven, voldoende zijn om te waarborgen dat de opgeëiste persoon niet zal worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandeling. De rechtbank heeft uiteindelijk de overlevering toegestaan, omdat aan de eisen van de OLW is voldaan en er geen weigeringsgronden zijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-277100-25
Datum uitspraak: 14 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 28 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 mei 2025 door de
Cluj County Court,Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen omtrent artikel 12 OLW.
De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling van de rechtbank, voortgezet op de zitting van 7 januari 2026, in aanwezigheid van
mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Roemeense taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
sentence no. 175 from 24 July 2024,van de
Cluj County Court,zoals gewijzigd bij arrest
no. 608/A/14 April 2025van de
Cluj Court of Appeal.Bij dit vonnis en arrest is tevens de tenuitvoerlegging bevolen van een voorwaardelijke straf, opgelegd bij het vonnis van de
Cluj County Courtvan 29 september 2023, met zaaknummer 230 en kenmerk 1710/117/2023.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en elf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon in zijn verdedigingsrechten is geschaad in beide instanties, met name ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot het arrest van de
Cluj Court of Appealvan
14 april 2025 met kenmerk No. 608/A. Hij heeft zelf geen hoger beroep ingesteld, wist niets van de procedure in hoger beroep en hij is niet vertegenwoordigd door een gekozen advocaat. Daarbij kan het voornoemde arrest nooit hebben geleid tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf die is opgelegd bij het vonnis van 29 september 2023. De aanvullende informatie die is verstrekt, blijft onduidelijk. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
Standpunt van de officier
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW geen beletsel vormt voor de overlevering. De opgeëiste persoon was aanwezig bij de procedure die tot het vonnis van de
Cluj County Courtvan 29 september 2023 heeft geleid; Voor wat betreft de andere procedure die in 2024-2025 heeft gespeeld moet het hoger beroep getoetst worden: nu de opgeëiste persoon is gedagvaard in persoon op 14 september 2024 om voor de
Cluj Court of Appealte verschijnen, levert de weigeringsgrond van artikel 12 OLW geen problemen op. De voorwaardelijke veroordeling is blijkbaar meegenomen in die procedure en omgezet in een onvoorwaardelijke straf: in ieder geval blijkt dat van eventuele (andere) veroordelingen voor “triggerende” feiten geen sprake is geweest.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het arrest van deCluj Court of Appealvan 14 april 2025 met kenmerk No. 608/A:
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Uit het EAB en de aanvullende informatie van 17 november 2025 volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden waarbij de zaak ten gronde is behandeld en waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het arrest van de
Cluj Court of Appealvan 14 april 2025 met kenmerk No. 608/A aan artikel 12 OLW toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van de aanvullende informatie van de Roemeense autoriteiten van
17 november 2025 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 6 september 2024 in persoon is gedagvaard, daarbij op de hoogte is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting in hoger beroep en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij de oproep heeft ontvangen is, mede gelet op het vertrouwensbeginsel, onvoldoende om de juistheid van de informatie in het EAB en de aanvullende informatie in twijfel te trekken. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.
Ten aanzien van het vonnis van deCluj County Courtvan 29 september 2023, met zaaknummer 230 en kenmerk 1710/117/2023:
Op basis van de aanvullende informatie van 17 november 2025 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon aanwezig was op de zitting van 30 augustus 2023 die heeft geleid tot het vonnis van 29 september 2023. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.
Bij het vonnis van 29 september 2023 is aanvankelijk een vrijheidsstraf in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd van één jaar, 9 maanden en 10 dagen, met een proeftijd van 2 jaar en 6 maanden. Bij de voornoemde beslissing van 14 april 2025 van de
Cluj Court of Appealis de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen en is voor alle in het EAB genoemde feiten een totale samengestelde gevangenisstraf van
1 jaar en 11 maanden opgelegd. Uit de aanvullende informatie van 23 december 2025 volgt dat het naar Roemeens recht mogelijk is om de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf te bevelen als gedurende de proeftijd blijkt dat de veroordeelde vóór de beslissing, waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd, andere strafbare feiten heeft gepleegd. Uit de aanvullende informatie van 23 december 2025 volgt dat de tenuitvoerlegging is bevolen vanwege de veroordeling in het arrest van de
Cluj Court of Appealvan
14 april 2025 met kenmerk No. 608/A en de omstandigheid dat de veroordeling plaatsvond binnen de proeftijd van twee jaren en zes maanden die bij vonnis van 29 september 2023 aan de opgeëiste persoon was opgelegd.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [5] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit dat ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Het proces dat tot het arrest van de
Cluj Court of Appealvan 14 april 2025 met kenmerk No. 608/A is evenwel al hierboven aan artikel 12 OLW getoetst.

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat het roken van een joint, waarvoor de opgeëiste persoon bij vonnis en arrest van 2024-2025 onder meer is veroordeeld, niet strafbaar is in Nederland en wordt gedoogd. Daarom moet de overlevering worden geweigerd.
Standpunt van de officier
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezit van cannabis wel strafbaar is gesteld in Nederland. Dat het bezit van cannabis in de praktijk wordt gedoogd, maakt dat niet anders.
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De rechtbank is met de officier van oordeel dat het bezit van cannabis in Nederland strafbaar is gesteld en dat dus aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat voor de eerste periode van drie weken niet is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon 3 m2 persoonlijke leefruimte heeft. Daarom is de detentiegarantie onvoldoende.
Standpunt van de officier
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld de detentiegarantie het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. [6]
Bij brief van 27 november 2025 heeft de
National Prison Administrationde volgende garantie gegeven:
"Should the person deprived of liberty be surrendered to the Romanian authorities at Henri Coandä Bucharest Airport, he will initially be placed in the Bucharest Rahova Prison, in order to undergo a 21-day quarantine period, in a detention room that will provide him with a minimum personal space of 3 m2 (...)
Each person deprived of liberty undergoing the quarantine and observation period is entitled to a daily outdoor walk of two hours. Furthermore, each inmate is provided with a range of activities from which they may choose, thereby creating the possibility of spending a considerably longer period outside the cell, should they choose to participate. It should be noted that participation in these activities is voluntary. (...)
It should be noted that in all detention rooms, inmates are provided with individual bunk bed and the number of detention room occupants does not exceed the number of bunk beds fitted in each room. (...)
Considering the length of the sentence, he will most likely serve the custodial sentence initially in a semi-open prison regime. Additionally, taking into account his place of residence, he will most likely serve his sentence initially at Bistrita Prison. (...)
Mr [opgeëiste persoon] shall be provided with a minimum individual space of 3 m2 throughout the entire period of sentence enforcement, except during his placement under the open prison regime, where he shall be provided with 4 m2. This area includes the bed and the corresponding furniture, but does not include the sanitary facilities, (...)”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [7] De rechtbank is, gelet op de op 27 november 2025 afgegeven garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor de overlevering van de opgeëiste persoon. Ook in de quarantaine periode wordt immers een persoonlijke ruimte van 3 m2 in een meerpersoonscel gegarandeerd.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Cluj County Court,Roemenië voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
6.Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463.
7.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.