Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
9 juni 2023 opnieuw stukken overgelegd met betrekking tot zijn vermogen in Marokko. Eiser vermeldde bij de aanvraag dat deze stukken aantoonden dat hij bijstandsbehoevend is omdat hij niet over vermogen beschikt of kon beschikken. Hier is verweerder destijds, bij de aanvraag van 9 juni 2023 in meegegaan en een bijstandsuitkering toegekend aan eiser. Verweerder is echter nog steeds niet in staat om eisers vermogenspositie vast te stellen. De door eiser ingebrachte stukken hebben daar geen verandering in gebracht. De rechtbank is het in haar uitspraak van 8 april 2024 met verweerder eens dat ervan uit mag worden gegaan dat eiser beschikt of heeft beschikt over vermogen in Marokko. Dit heeft eiser niet aan verweerder gemeld en dat levert schending van de inlichtingenplicht op. De beëindiging van zijn bijstandsuitkering met ingang van 1 oktober 2023 op grond van de bekende maar op dat moment onvoldoende onder de aandacht zijnde bevindingen van het onderzoek van de afdeling Sociale Recherche is daarmee op terechte gronden genomen. De foutieve beoordeling van eisers recht op bijstand met ingang van 9 juni 2023 is daarmee hersteld, aldus verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
23 november 2024 ingebracht. De rechtbank is van oordeel dat aan de verklaring van
23 november 2024 niet de waarde kan worden toegekend die eiser wenst te zien. Deze verklaring is volgens eiser gedaan door de hulpofficier van justitie bij de officier van justitie, waaruit na een grondige analyse van het proces-verbaal van 29 juli 2016 zou blijken dat eiser nooit zou hebben verklaard dat hij het stuk grond in " [naam 4] " heeft gekocht van zijn eigen geld. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, is de verklaring uit 2024 jaren later na 2016 gedaan. Onduidelijk is waaruit de "grondige analyse" bestaat. In het proces-verbaal van 29 juli 2016 is duidelijk vermeld dat eiser heeft verklaard dat hij als reactie op de antwoorden van zijn echtgenote de lap grond te " [naam 4] " van zijn eigen geld heeft gekocht en dat hij de naam van zijn echtgenote alleen heeft toegevoegd in de koopakte. De verklaring van 23 november 2024 biedt onvoldoende basis om hieraan te twijfelen.
13 september 2024 veel later opgemaakt. In de akte van verkoop vastgoedeigendom van
25 mei 2016 staat onder artikel 2 Gegevens Pro van het vastgoed vermeld: “Het geheel aan vastgoedeigendom genaamd " [naam 1] " gelegen in [adres 2] , hetgeen open grond vormt, met een oppervlakte van 170 vierkante meter. Onderwerp van kadasterakte nr. [nummer 3] .” Dit staat zowel op die manier vermeld in de Nederlandse als in de Franse vertaling van de akte van 25 mei 2016. Deze specifieke gegevens staan niet vermeld in de verklaring van 13 september 2024.
7 februari 2019. Dit is duidelijk. De verklaring van 5 november 2024 betreft een enkele ontkenning achteraf, jaren later (2016 - eind 2024) van de verkoop van eiser aan de heer [persoon 3] . De rechtbank kan verweerder hierin volgen.
Conclusie en gevolgen
mr.C. Simonis, griffier.