ECLI:NL:RBAMS:2026:1409

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
AMS 24/3674
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging bijstandsuitkering wegens onduidelijke vermogenspositie door bezit onroerend goed in Marokko

Eiser had sinds 2016 een bijstandsuitkering die in 2022 werd ingetrokken vanwege het niet melden van bezit van onroerend goed in Marokko. Na diverse aanvragen en bezwaren werd hem in juni 2023 opnieuw bijstand toegekend, maar deze werd in oktober 2023 beëindigd omdat zijn vermogenspositie onduidelijk bleef.

Eiser voerde aan geen onroerend goed te bezitten en leverde diverse documenten en verklaringen aan ter onderbouwing, waaronder kadastrale gegevens en verklaringen van betrokkenen. De rechtbank oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende waren om het bezit te ontkennen, mede gelet op eerdere uitspraken en onderzoek.

Verder stelde eiser dat hij recht had op bijstand met terugwerkende kracht vanaf 2016, maar de rechtbank volgde de vaste jurisprudentie dat bijstand in principe niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden aannemelijk worden gemaakt, wat hier niet het geval was.

Ook de beroepen op het vertrouwensbeginsel en evenredigheidsbeginsel werden verworpen. De rechtbank concludeerde dat de beëindiging van de bijstand terecht was en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de bijstandsuitkering wegens onduidelijke vermogenspositie is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3674

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de toekenning en vervolgens beëindiging van eisers bijstandsuitkering in 2023. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toekenning en beëindiging van de bijstandsuitkering.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser had een bijstandsuitkering vanaf 23 december 2016. Het gerechtshof Amsterdam heeft met zijn beschikking van 14 mei 2019 [1] in het kader van de echtscheiding van eiser vastgesteld dat eiser over onroerend goed in Marokko beschikt of heeft beschikt. Dit vormde een aanleiding voor verweerder om onderzoek in te stellen naar de vermogenssituatie van eiser. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat vaststaat dat eiser onroerend goed heeft of heeft gehad en dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door dit niet te melden. Op 3 januari 2022 is de bijstandsuitkering van eiser daarom ingetrokken per 23 december 2016 in verband met het verzwijgen van vermogen in het buitenland.
3. In 2022 heeft eiser een aantal aanvragen gedaan om een bijstandsuitkering, die verweerder heeft afgewezen. Op 9 juni 2023 heeft eiser opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd bij de afdeling Bijzondere Doelgroepen. Eiser heeft op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats, daarom doet hij een aanvraag voor een bijstandsuitkering voor de kosten van levensonderhoud en een postadres. Eiser is, voordat hij de aanvraag indiende, naar Marokko gegaan en hij heeft daarvandaan een aantal documenten meegenomen. Eiser stelt zich op het standpunt dat deze documenten onderbouwen dat hij geen vermogen in Marokko heeft.
4. Met het besluit van 7 juli 2023 (het primaire besluit 1) heeft verweerder op de aanvraag van eiser van 9 juni 2023 beslist en hem een bijstandsuitkering toegekend met ingang van 9 juni 2023 naar de norm alleenstaande zonder woonkosten. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat hij niet eens is met de ingangsdatum van de uitkering. Volgens eiser heeft hij recht op bijstand vanaf 23 december 2016.
5. Op 28 september 2023 heeft verweerder een rapportage opgesteld met de strekking dat de door eiser overlegde bewijsstukken bij zijn aanvraag van 9 juni 2023 kennelijk foutief zijn geïnterpreteerd. Abusievelijk was er voorbijgegaan aan de bevindingen van de afdeling Sociale Recherche en de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2019 met betrekking tot eisers bezittingen in Marokko.
6. Met het besluit van 28 september 2023 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eisers bijstandsuitkering met ingang van 1 oktober 2023 beëindigd, omdat deze op onjuiste gronden is toegekend, aangezien eisers vermogenspositie onduidelijk is. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
7. Op 8 april 2024 heeft de rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan [2] betreffende de eerdere intrekking van eisers bijstand op 3 januari 2022 en de afwijzing van zijn aanvragen voor een bijstandsuitkering in 2022.
8. Met het besluit van 21 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit 1 en het primaire besluit 2. In de motivering van het bestreden besluit volgt verweerder de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2024. Noch de door eiser overgelegde stukken, noch de aanvullende verklaringen tijdens de zittingen hebben de rechtbank Amsterdam doen oordelen dat eiser recht heeft op een bijstandsuitkering. Eiser heeft bij zijn aanvraag van
9 juni 2023 opnieuw stukken overgelegd met betrekking tot zijn vermogen in Marokko. Eiser vermeldde bij de aanvraag dat deze stukken aantoonden dat hij bijstandsbehoevend is omdat hij niet over vermogen beschikt of kon beschikken. Hier is verweerder destijds, bij de aanvraag van 9 juni 2023 in meegegaan en een bijstandsuitkering toegekend aan eiser. Verweerder is echter nog steeds niet in staat om eisers vermogenspositie vast te stellen. De door eiser ingebrachte stukken hebben daar geen verandering in gebracht. De rechtbank is het in haar uitspraak van 8 april 2024 met verweerder eens dat ervan uit mag worden gegaan dat eiser beschikt of heeft beschikt over vermogen in Marokko. Dit heeft eiser niet aan verweerder gemeld en dat levert schending van de inlichtingenplicht op. De beëindiging van zijn bijstandsuitkering met ingang van 1 oktober 2023 op grond van de bekende maar op dat moment onvoldoende onder de aandacht zijnde bevindingen van het onderzoek van de afdeling Sociale Recherche is daarmee op terechte gronden genomen. De foutieve beoordeling van eisers recht op bijstand met ingang van 9 juni 2023 is daarmee hersteld, aldus verweerder.
9. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft gereageerd op het beroep met een verweerschrift.
10. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
11. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting geschorst zodat de relevante stukken waar partijen zich op beroepen aan het procesdossier van deze zaak kunnen worden toegevoegd. Verweerder heeft met een brief van 11 februari 2025de relevante stukken overgelegd. Eiser heeft hier op gereageerd met een brief van 10 maart 2025. Vervolgens heeft verweerder daar nog op gereageerd met een brief van 14 april 2025.
12. De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat zij een nadere zitting niet nodig acht. Eiser heeft hierop te kennen gegeven op een nadere zitting gehoord te willen worden.
13. De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2025 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Beëindiging bijstandsuitkering
14.1.
Eiser stelt dat verweerder de bijstandsuitkering van eiser ten onrechte heeft beëindigd met ingang van 1 oktober 2023. Eiser heeft geen vermogen en geen inkomsten, hij voorziet in zijn levensonderhoud door leningen af te sluiten bij familie. Verweerder is ten onrechte van de juistheid van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2029 uitgegaan. Eiser voert aan dat hij voldoende informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij geen vermogen heeft in Marokko. In opdracht van de rechtbank in Marokko zijn diverse kadastrale gegevens uit Marokko verstrekt. Hieruit volgt dat eiser geen onroerend goed heeft of heeft gehad in Marokko van 2015 tot 2022. Eiser stelt dat het afschrift van de koopakte waaruit het tegenovergestelde zou blijken valselijk is opgemaakt. In het origineel staat de ID van eiser [nummer 1] , maar in de vertaling staat [nummer 2] . De vertaling is onjuist, op de akte staat geen handtekening van eiser, een zegel met stempel van de gemeente ontbreekt, de naam van de notaris ontbreekt en de overdrachtspapieren van het kadaster ontbreken. Eiser verstrekt een brief van het Consulaat-generaal van Marokko van 2 oktober 2024 waarin wordt bevestigd dat het nummer niet aan eiser toebehoort maar aan een andere persoon. Ten aanzien van het perceel [naam 1] stelt eiser dat hij geen verkopende partij is geweest. Tevens is de akte van verkoop vervalst. Verder verwijst eiser naar een bankafschrift waarop het bedrag van 275.000 Dirham wordt gestort en later wordt overgeschreven aan de broer van zijn ex. Ook verwijst hij naar bankafschriften waarop diverse leningen zichtbaar zijn van zijn broers, zussen, vader, zoon en zwager. Over het project [naam 2] voert eiser aan dat hij geen appartementen gekocht heeft. Eiser overlegd in dit verband een verklaring van de eigenaar dat het project niet is doorgegaan. Verder voert eiser aan dat verweerder geen bewijs heeft geleverd van het kadaster, waarin het kadaster op nationaal niveau aangeeft dat het bezit van onroerende zaken in Marokko niet verplicht in een kadaster hoeft te worden geregistreerd. Met betrekking tot het project “ [naam 3] ” stelt verweerder dat eiser met tegenstrijdige verklaringen komt. Eiser heeft echter aangetoond dat dit project nooit is gebouwd/uitgevoerd. De projectontwikkelaar heeft dit ook verklaard. Eiser heeft niets gekocht en er is niets aanbetaald. Tot slot betoogt eiser dat het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden. Ook doet eiser een beroep op het vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel.
14.2.
De rechtbank overweegt dat veel argumenten van partijen gericht zijn op de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2024. [3] De onderhavige procedure vormt echter geen verkapt hoger beroep tegen die uitspraak. Daarom zal de rechtbank niet ingaan op de gronden die zien op die uitspraak. Dat hoort thuis in de procedure die loopt bij de Centrale Raad van Beroep en valt buiten de omvang van dit geding.
14.3.
Dit neemt niet weg dat in de uitspraak van 8 april 2024 ook het recht van eiser op een bijstandsuitkering ter beoordeling stond. Weliswaar ging het daar om intrekking van de uitkering in 2022 en de afwijzing van aanvragen in 2022 en betrof het een (deels) andere periode, maar in beide situaties moet worden beoordeeld wat de vermogenssituatie van eiser is en of hij onroerend goed heeft of heeft gehad in Marokko.
14.4.
Het geschil in de onderhavige zaak spitst zich toe op de vraag of eiser onroerend goed in Marokko heeft of heeft gehad en of zijn vermogenssituatie om die reden onvoldoende duidelijk was, waardoor zijn bijstandsuitkering met ingang van 1 oktober 2023 terecht is beëindigd. Het besluit tot beëindigen van de bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor beëindigen is voldaan in beginsel op verweerder.
14.5.
De rechtbank stelt vast dat de feiten en argumenten die bekend waren tijdens de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2024 niet veranderd zijn. Een groot deel van de stukken en de kern van de beroepsgronden in de onderhavige procedure komt neer op een herhaling van hetgeen al is voorgelegd en door de rechtbank gemotiveerd is beoordeeld in de vorige procedure. De rechtbank ziet nu geen aanleiding om anders te oordelen over dezelfde stukken en argumenten die in de huidige procedure opnieuw zijn aangevoerd en volstaat daarom ten aanzien daarvan met een verwijzing naar de motivering van de uitspraak van 8 april 2024. [4]
14.6.
Wat betreft de door eiser overgelegde nieuwe stukken en argumenten oordeelt de rechtbank ten aanzien van de beëindiging van de bijstand per 1 oktober 2023 als volgt
Registratie kadaster
15. Voor zover eiser stelt dat hij blijkens de stukken van het kadaster geen onroerend goed heeft in Marokko, verwijst de rechtbank, naast hetgeen in de uitspraak van 8 april 2024 hierover is overwogen, ook naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 februari 2018, waaruit volgt dat in Marokko wel een kadaster aanwezig is, maar de daarin opgenomen informatie niet volledig is, omdat de inschrijving in het kadaster niet altijd verplicht is. [5] Dat eiser blijkens de stukken van het kadaster geen onroerend goed heeft in Marokko, toont dan ook niet de valsheid van de genoemde andere stukken aan, waar verweerder zich op beroept. Deze stelling is daarom onvoldoende om tot de conclusie te komen dat eiser geen onroerend goed heeft of heeft gehad in Marokko.
Stuk grond ‘ [naam 4] ’
16.1.
Ten aanzien van dit stuk grond heeft eiser een recente verklaring van
23 november 2024 ingebracht. De rechtbank is van oordeel dat aan de verklaring van
23 november 2024 niet de waarde kan worden toegekend die eiser wenst te zien. Deze verklaring is volgens eiser gedaan door de hulpofficier van justitie bij de officier van justitie, waaruit na een grondige analyse van het proces-verbaal van 29 juli 2016 zou blijken dat eiser nooit zou hebben verklaard dat hij het stuk grond in " [naam 4] " heeft gekocht van zijn eigen geld. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, is de verklaring uit 2024 jaren later na 2016 gedaan. Onduidelijk is waaruit de "grondige analyse" bestaat. In het proces-verbaal van 29 juli 2016 is duidelijk vermeld dat eiser heeft verklaard dat hij als reactie op de antwoorden van zijn echtgenote de lap grond te " [naam 4] " van zijn eigen geld heeft gekocht en dat hij de naam van zijn echtgenote alleen heeft toegevoegd in de koopakte. De verklaring van 23 november 2024 biedt onvoldoende basis om hieraan te twijfelen.
16.2.
Voorts staat in de verklaring van 23 november 2024 dat nader onderzoek door de politieagent uitwees dat eiser geen onroerend goed bezit. Met verweerder oordeelt de rechtbank dat ook dit element van de verklaring onvoldoende is om de conclusie te dragen dat eiser geen onroerend goed heeft of heeft gehad in Marokko. In beginsel is de politie niet belast met onderzoeken naar onroerend goed bezit, tenzij dit betrekking heeft op een mogelijk misdrijf. Onduidelijk is wat het doel en omvang van het gestelde onderzoek is en op welke wijze het is verricht.
[naam 1]
17.1.
Ten aanzien van het vastgoed in [adres 1] , genaamd [naam 1] , dat eiser blijkens een duplicaat van een notariële akte heeft verkocht in 2016, heeft eiser twee recente stukken ingebracht, een brief van 13 september 2024 en een verklaring van
5 november 2024.
17.2.
Eiser voert in productie Q aan dat hij geen eigenaar is geweest van [naam 1] en daarmee niet de verkopende partij. Ter onderbouwing verstrekt hij een brief van
13 september 2024 van notaris [persoon 1] , notaris te [adres 1] , waarin wordt vermeld dat het object " [bedrijf 1] " geen bouwgrond betreft maar een commerciële ruimte/garage waarbij eiser niet de verkopende partij is in deze transactie.
17.3.
Met verweerder oordeelt de rechtbank dat de brief van 13 september 2024 onvoldoende aanleiding geeft te twijfelen aan de juistheid van de notariële akte uit 2016. Deze brief is namelijk opgemaakt op basis van de documenten die [persoon 1] van de advocaat van eiser heeft ontvangen. Onbekend is wat voor documenten dit zijn. Verder verklaart [persoon 1] in zijn brief van 13 september 2024 dat uit de verstrekte documenten blijkt dat het project in meerdere opzichten vervalst is. Onduidelijk is waaruit deze vervalsing dan zou blijken en over welk project het gaat. Verweerder merkt hierover terecht op dat de notaris in zijn verklaring van 13 september 2024 niet zegt dat de akte van 25 mei 2016, die door hemzelf is opgesteld, is vervalst. Bovendien is de verklaring van
13 september 2024 veel later opgemaakt. In de akte van verkoop vastgoedeigendom van
25 mei 2016 staat onder artikel 2 Gegevens Pro van het vastgoed vermeld: “Het geheel aan vastgoedeigendom genaamd " [naam 1] " gelegen in [adres 2] , hetgeen open grond vormt, met een oppervlakte van 170 vierkante meter. Onderwerp van kadasterakte nr. [nummer 3] .” Dit staat zowel op die manier vermeld in de Nederlandse als in de Franse vertaling van de akte van 25 mei 2016. Deze specifieke gegevens staan niet vermeld in de verklaring van 13 september 2024.
17.4.
Ook aan de andere door eiser overgelegde verklaring van 5 november 2024 van de kopende partij van [bedrijf 1] ( [naam 1] ), vertegenwoordigd door de heer [persoon 2] , waarin is vermeld dat eiser niet de verkoper is geweest, hecht verweerder geen waarde. In de koopakte van 25 mei 2016 staan alle personalia van eiser specifiek omschreven, zoals zijn naam, adres, geboorteplaats, geboortedatum en zijn nationale identiteitskaart, nr. [nummer 2] , met de geldigheidsdatum van deze kaart, zijnde
7 februari 2019. Dit is duidelijk. De verklaring van 5 november 2024 betreft een enkele ontkenning achteraf, jaren later (2016 - eind 2024) van de verkoop van eiser aan de heer [persoon 3] . De rechtbank kan verweerder hierin volgen.
Project Almers
18. Op 6 september 2022 verzoekt eiser om een verklaring omtrent de niet-aankoop of reservering van vier appartementen bij de [bedrijf 2] van het [naam 2] ". Op 8 september 2022 ontvangt hij een antwoord waarin staat vermeld dat de verkoopbelofte van een viertal appartementen door de directie van het bedrijf is geannuleerd, nadat eiser de brief met de herhaalde oproepen van de directie van het bedrijf niet heeft beantwoord en daarom is de verkoopbelofte in 2017 definitief geannuleerd.
Deze verklaring is onvolledig. Er wordt niet verklaard wélke appartementen zouden worden
gekocht en hoeveel appartementen uiteindelijk niet zijn verkocht. Deze onvolledigheid blijkt uit het feit dat de nummering van de betreffende appartementen die in productie T door eiser zijn aangevoerd niet in zijn geheel overeenkomen met de nummering die verweerder in de procedure [6] heeft ingebracht.
[adres 3]
19.1.
Voor wat betreft de verkoop van het appartement in het project " [naam 3] " komt eiser met tegenstrijdige verklaringen. In een verklaring van [persoon 4] , [adres 4] van 8 september 2022 (productie I) wordt verwezen naar: Gebouw: [adres 5] 6 oppervlakte 63 vierkante meter, nr. 26 vierkante meter. Dit is een ander perceel dan die is genoemd in de verklaring van 28 oktober 2010. Hierin is vermeld dat het gaat om appartement nr. 21 nr. 2 1e blok, met een oppervlakte van 66 vierkante meter. Voor de aanschaf hiervan is een bedrag van 300000 dhs betaald. Volgens een deskundigen verslag van 31 augustus 2017 is de taxatiewaarde van het appartement nummer 21 in het wooncomplex " [naam 3] " blok 1/flat 2 Tanger gestegen tot 600000 dhs.
19.2.
In de verklaring van 8 september 2022, gericht aan eiser, staat dat deze verkoopbelofte door de directie van het bedrijf is geannuleerd, nadat eiser de brief met de herhaalde oproepen van de directie van het bedrijf niet heeft beantwoord, en daarom is de verkoopbelofte in 2017 definitief geannuleerd. In productie T wordt vervolgens een verklaring van dezelfde instantie van 10 september 2024 overgelegd waarin is vermeld dat het project [naam 3] nooit is uitgevoerd en dat er geen bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden.
19.3.
Aan de verklaringen van 8 september 2022 en van 10 september 2024 hecht verweerder niet de waarde, die eiser daaraan wenst te verbinden, omdat in het deskundigen verslag van 31 augustus 2017 foto's van gebouwen zijn gevoegd en in dit deskundigen verslag verder is geconstateerd dat de waarde van [naam 3] is verdubbeld. Ook hierin kan de rechtbank verweerder volgen.
Tussenconclusie
20. De rechtbank stelt vast dat verweerder op alle argumenten van eiser heeft gereageerd. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op bovenstaande, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser onroerend goed heeft of heeft gehad in het buitenland waardoor het recht op bijstand per 1 oktober 2023 niet was vast te stellen. Verweerder mocht om die reden de toegekende bijstand met ingang van 1 oktober 2023 beëindigen.
Ingangsdatum bijstandsuitkering
21.1.
Eiser stelt verder dat hij recht heeft op een bijstandsuitkering vanaf 23 december 2016, zijnde de datum dat zijn bijstandsuitkering eerder was ingetrokken. Eiser stelt dat hij sinds 23 december 2016 in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert en dat hij vanaf die datum geen vermogen en geen inkomsten heeft.
21.2.
De te beoordelen periode loopt van 9 juni 2023, de datum van de aanvraag, tot en met 7 juli 2023, de datum van het besluit op de aanvraag.
21.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bestaat in de regel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – zoals in dit geval - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. [7] Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een aanvraag voor bijstand heeft ingediend. Het is aan eiser om deze bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken.
21.4.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de melding van 9 juni 2023 en het aanvraagformulier van 12 juni 2023 niet blijkt dat eiser met terugwerkende kracht bijstand heeft aangevraagd. Bovendien heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder bijstand zou moeten verlenen met terugwerkende kracht.
21.5.
De rechtbank kent zwaar gewicht toe aan feit dat eiser in zijn aanvraag om bijstand niet heeft aangegeven dat hij dit met terugwerkende kracht wil. Eiser heeft daarom, overeenkomstig de regelgeving, een bijstandsuitkering gekregen vanaf de datum van zijn aanvraag. Eiser heeft vervolgens geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die er toe leiden dat verweerder bijstand alsnog met (meer dan 7 jaar) terugwerkende kracht had moeten toekennen. Bovendien, zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op standpunt heeft gesteld dat er geen recht was om bijstand in die periode, omdat eiser nog steeds over onroerend goed beschikte dan wel heeft beschikt en zijn vermogenssituatie om die reden onduidelijk was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
22.1.
Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan en er sprake is van een onjuiste uitkomst waardoor het bestreden besluit niet goed is gemotiveerd.
22.2.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen volgt rechtbank eiser hier niet in. De rechtbank verwijst naar de overwegingen over de inhoudelijke beoordeling van het recht op bijstand.
Vertrouwensbeginsel
23.1.
De rechtbank begrijpt de stelling van eiser over het vertrouwensbeginsel als volgt. Eiser stelt dat door eerst wel een bijstandsuitkering toe te kennen aan eiser per 9 juni 2023 en vervolgens die uitkering per 1 oktober 2023 in te trekken, verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel.
23.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aangevraagde bijstand nooit aan eiser toegekend had moeten worden. Dat aan hem ingaande 9 juni 2023 bijstand is toegekend berust op een vergissing van verweerders kant. Nu een eenmaal begane vergissing niet hoeft voort te duren, heeft verweerder eisers recht op bijstand per 1 oktober 2023 beëindigd. De reden hiervoor is dat verweerder niet in staat is om de vermogenspositie van eiser vast te stellen.
23.3.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Zoals verweerder terecht stelt, is een bestuursorgaan namelijk niet gehouden een eenmaal gemaakte fout te herhalen. De rechtbank verwijst verder naar hetgeen hiervoor is geoordeeld over de onduidelijke vermogenspositie van eiser en zijn recht op bijstand.
Evenredigheidsbeginsel
24.1.
Eiser doet tot slot een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Op zitting heeft hij zich op het standpunt gesteld dat hij al langer zonder huis en uitkering zit waardoor hij zijn dochters niet kan zien.
24.2.
De rechtbank oordeelt dat eiser zijn standpunt over het evenredigheidsbeginsel niet concreet en verifieerbaar heeft onderbouwd. Aangezien hiervoor is geconcludeerd dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser onroerend goed heeft of heeft gehad in het buitenland, is het niet aannemelijk dat de gevolgen van het bestreden besluit evenredig zwaar zijn voor eiser.

Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van
mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Niet gepubliceerd.
3.Verweerder verwijst naar deze uitspraak in het bestreden besluit en eiser verwijst in zijn beroepsschrift en aanvullende gronden specifiek naar rechtsoverwegingen uit deze uitspraak en komt dan met tegenargumenten.
6.Zie stukken in het proces-verbaal nummer 10.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:416.