ECLI:NL:RBAMS:2026:1388

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
13-301214-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 Wetboek van StrafrechtArt. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 2 OverleveringswetArt. 5 Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 5 februari 2026 de vordering van het Openbaar Ministerie tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen. De opgeëiste persoon, geboren in 2001 en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van diefstal door meerdere personen en overtreding van de Opiumwet.

Tijdens de procedure werd het verweer van de raadsman behandeld dat de overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 12 OLW Pro, omdat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig zou zijn geweest bij de Poolse strafprocedure. De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon wel degelijk aanwezig was bij de inhoudelijke zittingen en dat het ontbreken bij de uitspraakzitting niet tot weigering leidt. Het vertrouwensbeginsel in de verstrekte informatie werd bevestigd, ondanks het overgelegde Poolse vervoersticket.

De rechtbank constateerde dat aan de voorwaarden voor overlevering is voldaan, dat er geen concrete aanwijzingen zijn voor schending van het recht op een eerlijk proces, en dat geen weigeringsgronden van toepassing zijn. De overlevering wordt daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe en verwerpt het verweer op grond van artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-301214-25
Datum uitspraak: 5 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 18 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 juli 2025 door
the Regional Court in Kielce,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 13 januari 2026
De behandeling van het EAB heeft eerst plaatsgevonden op de zitting van 13 januari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. van Aken, advocaat in Geertruidenberg, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden om de raadsman in de gelegenheid te stellen een officiële vertaling van het door hem overgelegde Poolse stuk te verstrekken, waarbij het vervolgens het aan het Openbaar Ministerie is om de vervolgstappen te ondernemen die het daartoe nodig acht, zoals het eventueel stellen van vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Zitting 27 januari 2026
De behandeling van het EAB is op deze zitting - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. van Aken, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Local Court in Ostrowiec Świętokrzyskivan 8 mei 2024, met referentie II K 286/23.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon ontkent dat hij in persoon aanwezig is geweest bij de procedure die tot de beslissing heeft geleid, omdat hij toen niet in Polen was. Ter onderbouwing hiervan heeft de opgeëiste persoon een in de Poolse taal gestelde vervoersticket overgelegd en nog een ander stuk in de Poolse taal. In het licht hiervan moet niet op grond van het vertrouwensbeginsel van de door Polen verstrekte informatie worden uitgegaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is. Blijkens de aanvullende informatie van 15 januari 2026 is de opgeëiste persoon in persoon aanwezig geweest op de zittingen van 28 september 2023 en
29 april 2024 waar de zaak inhoudelijk is behandeld. Dat de opgeëiste persoon vervolgens niet op de uitspraak is verschenen, doet daar niet aan af. Ten aanzien van het overgelegde vervoersticket heeft de officier van justitie aangegeven dat hierop de datum van de inhoudelijke behandeling van 29 april 2024 staat vermeld en dat het mogelijk is dat de opgeëiste persoon na het bijwonen van de zitting is vertrokken.
Het oordeel van de rechtbank
Blijkens de aanvullende informatie van 15 januari 2026 van
the Local Court in Ostrowiec Świętokrzyskiis de opgeëiste persoon in persoon verschenen op de zittingen van 28 september 2023 en 29 april 2024, waar de zaak inhoudelijk is behandeld. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing. Dat de opgeëiste persoon niet is verschenen op de
sentencing hearing(de rechtbank begrijpt: de uitspraakzitting) op 8 mei 2024 doet daar niet aan af. Allereerst is blijkens de verstrekte informatie aan de opgeëiste persoon op 29 april 2024 meegedeeld dat de uitspraak op 8 mei 2024 zou volgen. De opgeëiste persoon was daar dus van op de hoogte. Bovendien is op 8 mei 2024 alleen uitspraak gedaan en is de zaak niet meer inhoudelijk behandeld. [4] Anders dan de raadsman gaat de rechtbank op grond van het vertrouwensbeginsel uit van de juistheid van de verstrekte informatie. Wat betreft de door de verdediging overgelegde stukken overweegt de rechtbank dat deze in de Poolse taal zijn opgesteld waardoor de rechtbank daar in beginsel geen acht op slaat. Eén van de stukken is toegelicht op de zitting en het lijkt in dit stuk te gaan om een vervoersticket waarop de datum 29 april 2024 om 12:10 uur vanuit Ostrowiec Świętokrzyski naar Waalwijk staat vermeld. Deze informatie vormt echter geen aanleiding om aan de informatie van de
the Local Court in Ostrowiec Świętokrzyskite twijfelen. Nog daargelaten dat nergens uit blijkt dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op die dag naar Nederland is afgereisd, is op grond van het genoemde vertrektijdstip in dat vervoersticket niet uitgesloten dat de opgeëiste persoon daaraan voorafgaand bij de zitting van 29 april 2024 is geweest. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
  • diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
  • opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Kielce,Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS: 2022:7308.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (