ECLI:NL:RBAMS:2026:1038

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
13-275535-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 6a OLWArt. 22 OLWArt. 27 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en bevel tot tenuitvoerlegging vrijheidsstraffen in Nederland op grond van artikel 6a OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen voor de overlevering van een Poolse veroordeelde die twee vrijheidsstraffen moet ondergaan. De opgeëiste persoon was aanwezig bij de zittingen in Nederland en werd bijgestaan door een raadsman en tolk.

De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de inhoudelijke behandeling van één van de zaken in Polen, wat een weigeringsgrond zou vormen op grond van artikel 12 OLW Pro. De rechtbank oordeelde echter dat de informatie van de Poolse justitiële autoriteit, dat de verdachte wel aanwezig was, prevaleert en dat artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is.

De rechtbank constateerde dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij zijn verblijfsrecht niet verliest door de straf. Op grond van artikel 6a OLW werd de overlevering geweigerd en werd gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland bevolen. De rechtbank achtte de Nederlandse strafrechtelijke kwalificaties passend en de opgelegde straffen niet onverenigbaar met het Nederlandse recht.

De rechtbank beval de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van de straf. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-275535-25 (EAB I)
Datum uitspraak: 3 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 21 oktober 2025, gecorrigeerd op 4 november 2025 en 7 november 2025, van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 april 2023 door de
Sąd Okręgowy w Krakowie Wydział III Karny [District Court in Krakow, Third Criminal Division],Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 10 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 20 januari 2026 om het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ, de originele vonnissen en de antwoorden met betrekking tot artikel 12 OLW Pro af te wachten.
De rechtbank heeft de beslistermijn eveneens verlengd op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de beslistermijn met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 20 januari 2026
De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt:
een
judgement issued at Sąd Okręgowy w Krakowie VI Wydział Karny [District Court in Krakow, Third Criminal Division] on 18 May 2022, which became final on 26 May 2022,met referentie VI K 68/19; en
een
judgement issued at Sąd Rejonowy dla Krakowa-Podgórza w Krakowie Wydział II Karny [Krakow-Podgórze Regional Court in Krakow Second Criminal Division] on 12 December 2019, which became final on 11 February 2020, met referentie II K 1259/19/P.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk twee jaar en vier maanden voor het vonnis met referentie VI K 68/19 en tien maanden voor het vonnis met referentie II K 1259/19/P, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van de straf voor het vonnis met referentie II K 1259/19/P resteren volgens het EAB nog vier maanden en achttien dagen. De straf voor het vonnis met referentie VI K 68/19 resteert volgens het EAB nog volledig. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd voor het vonnis met kenmerk VI K 68/19. De opgeëiste persoon betwist dat hij bij de behandeling van zijn zaak die heeft geleid tot deze veroordeling aanwezig is geweest. Hij was ten tijde van die procedure al in Nederland. In die zaak is ook geen sprake van aftrek van voorarrest. In het op 5 januari 2026 van de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen certificaat staat dat de opgeëiste persoon bij de uitspraak in die zaak op 18 mei 2022 aanwezig is geweest. De raadsman verwijst naar een proces-verbaal van de zitting van 18 mei 2022 dat hij aan de rechtbank heeft verstuurd en waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon niet bij deze uitspraak aanwezig was. Omdat de verstrekte informatie van de Poolse autoriteiten over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de uitspraak tegenstrijdig is, kan ook worden getwijfeld aan de juistheid van de verstrekte informatie dat de opgeëiste persoon bij de inhoudelijke behandeling van deze zaak aanwezig is geweest. Dit geldt temeer omdat de opgeëiste persoon ten stelligste ontkent aanwezig te zijn geweest en er ook niet gebleken is van een beroepsmogelijkheid. Subsidiair verzoekt de raadsman de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit expliciet te vragen of de opgeëiste persoon bij de inhoudelijke behandeling van de zaak met kenmerk VI K 68/19 aanwezig is geweest en dit met stukken te onderbouwen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan. Het enkele feit dat er kennelijk in het certificaat een verkeerd vinkje is gezet, is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie dat de opgeëiste persoon bij de inhoudelijke behandeling van de zaak met kenmerk VI K 68/19 in persoon aanwezig is geweest.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van twee vonnissen.
Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 1259/19/P constateert de rechtbank dat, blijkens het EAB, de opgeëiste persoon bij de behandeling van de zaak die heeft geleid tot deze veroordeling aanwezig is geweest. Er is door de raadsman ook geen verweer gevoerd. Artikel 12 is Pro niet van toepassing op dit vonnis.
Ten aanzien van het vonnis met kenmerk VI K 68/19 is, blijkens het EAB, de verdachte in persoon verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De rechtbank is, met de officier van justitie en anders dan de raadsman, van oordeel dat er geen sprake van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro en wijst eveneens af het subsidiair geformuleerde verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen.
De rechtbank licht dit toe. In het door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte certificaat staat bij de vraag “
Indicate if the judgement was rendered in absentia” aangekruist “
No, it was not”. De rechtbank leest dit zo dat het vonnis niet bij verstek is gewezen, hetgeen de informatie in het EAB bevestigt. Het enkele feit dat de opgeëiste persoon niet bij de uitspraak van het vonnis op 18 mei 2022 aanwezig is geweest, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de uitspraakzitting welke door de raadsman aan de rechtbank is overgelegd, maakt dit niet anders, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon niet bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak aanwezig is geweest.
Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de door de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie, welke door de door de verdediging verstrekte informatie ook niet wordt weerlegd.

5.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is, met de raadsman en de officier van justitie, van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 2 december 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon door de strafrechtelijke feiten niet zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
deelneming aan een organisatie die tot het oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
(poging tot) medeplegen van het opzettelijk onjuist en/of onvolledig verstrekken van gegevens of aanwijzingen, waartoe ingevolge de belastingwet verplicht zijnde, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd;
witwassen, meermalen gepleegd;
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid of naar geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of een ambtenaar af te leggen.
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen.
De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [6] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gewezen in de zaak CJ (C-305/22)
Op 4 september 2025 heeft het HvJ EU arrest gewezen in de zaak CJ. [7] In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Oftewel de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest van het HvJ EU – kort samengevat – volgt dat alvorens de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Het HvJ EU oordeelt dat de weigering op basis van artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ veronderstelt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de voorwaarden
en procedurevan Kaderbesluit 2008/909/JBZ in acht neemt met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die straf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf. Deze procedure houdt – kort gezegd – in dat, voordat de tenuitvoerlegging van een straf kan worden overgenomen, het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van dat Kaderbesluit wordt ingevuld en samen met het vonnis wordt overgelegd door de beslissingsstaat. Met de toezending van het certificaat en het vonnis wordt de toestemming van de beslissingsstaat voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in die staat opgelegde straf uitgedrukt. [8] Een en ander wordt door het HvJ EU herhaald in zijn arrest van 11 september 2025. [9]
De beslissingsstaat heeft in deze zaak toestemming gegeven voor het overnemen van de straffen door Nederland, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het certificaat en de veroordelende vonnissen heeft toegezonden.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47, 140, 141, 225, 285a,en 420bis Wetboek van Strafrecht, de artikelen 68 en 69 Algemene wet inzake Rijksbelastingen en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW.

10.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
Sąd Okręgowy w Krakowie Wydział III Karny [District Court in Krakow, Third Criminal Division],Polen.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland.
HEFT OPde - geschorste -overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (
9.Hof van Justitie van de Europese Unie, 11 september 2025, C-215/24, ECLI:EU:C:2025:695 (