ECLI:NL:RBAMS:2025:9601

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
13/308171-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

TBS met voorwaarden opgelegd aan verdachte na mishandeling en bedreiging

Op 15 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en bedreiging. De verdachte, geboren in 2002 en thans gedetineerd, werd beschuldigd van meerdere feiten, waaronder het medeplegen van bedreiging, mishandeling en poging tot afdreiging. De rechtbank heeft op basis van het bewijs vastgesteld dat de verdachte op 20 augustus 2024 de benadeelde partij 2 heeft mishandeld door haar in het gezicht te slaan. Daarnaast heeft hij op 4 november 2024 bedreigende berichten naar haar gestuurd via Instagram, waarin hij haar intimideerde en dwong tot afgifte van persoonlijke spullen. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het eerste feit, omdat er onvoldoende bewijs was dat hij de bedreigingen had geuit. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de verdachte tbs met voorwaarden moet ondergaan, gezien zijn psychische problematiek en het risico op recidive. De rechtbank heeft ook een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest, en de verdachte moet zich houden aan verschillende voorwaarden, waaronder het meewerken aan reclasseringstoezicht en behandeling. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn gedeeltelijk toegewezen, waarbij de rechtbank de immateriële schadevergoeding voor benadeelde partij 2 heeft vastgesteld op € 1.300,-. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst, onder voorwaarden, en de verdachte moet zich aan de opgelegde voorwaarden houden om de veiligheid van anderen te waarborgen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/308171-24
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13/102802-22 en 15/226463-23
Datum uitspraak: 15 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] ,
thans gedetineerd te: [P.I.] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Ang, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.R. Mekkes, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1
medeplegen van bedreiging in de periode van 26 februari 2024 tot en met 27 februari 2024 te Amsterdam en/of te Lelystad;
Feit 2
mishandeling op 20 augustus 2024 te Amsterdam;
Feit 3
bedreiging op 4 november 2024 te Amsterdam en/of te Almere en/of Nederland;
Feit 4
poging tot afdreiging op 4 november 2024 te Amsterdam en/of te Almere en/of Nederland.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrij gesproken dient te worden van feit 1. Primair heeft de verdediging hiertoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat er bedreigingen zijn geuit. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte opdracht heeft gegeven om [benadeelde partij 1] te bedreigen.
Ten aanzien van feit 2
De verdediging heeft betoogd dat verdachte ook moet worden vrijgesproken van feit 2. Bij dit feit is het het woord van verdachte tegen het woord van [benadeelde partij 2] . De verklaring van [benadeelde partij 2] kan niet voor het bewijs gebruikt worden om twee redenen.
Allereerst heeft de verdediging geen effectieve ondervragingsmogelijkheid gehad als bedoeld in artikel 6, derde lid, aanhef en onder d van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De rechter-commissaris heeft immers - in de visie van de verdediging ten onrechte - inhoudelijke vragen die betrekking hadden op de toetsing van de betrouwbaarheid van [benadeelde partij 2] belet.
Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde partij 2] onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen gebruiken. Er zijn volgens de verdediging veel aanwijzingen dat [benadeelde partij 2] op meerdere punten in strijd met de waarheid heeft verklaard, dat ze weet hoe het in de strafrechtpraktijk werkt en dat ze bereid is ver te gaan om verdachte in een slecht daglicht te stellen. Zo heeft zij aantoonbaar gelogen en een bom bij het huis van verdachte gelegd, waardoor hij in de problemen is gekomen terwijl ze zelf niet is aangehouden.
Ten slotte acht de raadsvrouw niet bewezen dat [benadeelde partij 2] de levensgezel van verdachte was.
Feit 3 en feit 4
Ten aanzien van de feiten 3 en 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak feit 1
Verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde feit. De rechtbank acht bewezen dat er bedreigingen zijn geuit jegens [benadeelde partij 1] , maar er is onvoldoende bewijs dat de bedreigingen door verdachte zijn geuit of dat hij hiertoe opdracht heeft gegeven.
3.3.2.
Feit 2: ondervragingsrecht en artikel 6 EVRM
Wettelijk kader
Uit vaste rechtspraak volgt dat het belang bij het horen van een getuige moet worden voorondersteld als het gaat om een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige een voor de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het ten laste gelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. In een dergelijk geval geldt dat op grond van artikel 6 EVRM aan de verdachte het recht toekomt om de authenticiteit en de betrouwbaarheid van dat bewijs te betwisten en zich tegen het gebruik ervan te verzetten. Van de verdediging mag in die situatie worden verwacht dat zij het nodige initiatief neemt voor het (doen) verrichten van (nader) onderzoek naar die authenticiteit en betrouwbaarheid. Ingeval de verdediging ondanks dit nodige initiatief, beperkingen heeft ondervonden in de mogelijkheid om de authenticiteit en de betrouwbaarheid van het bewijs te betwisten, moet worden beoordeeld of het gebruik van de belastende verklaring voor het bewijs in overeenstemming is met het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van de 'overall fairness of the trial'. Bij deze beoordeling komt betekenis toe aan onder meer de aard van de verklaring, de door de verdediging verstrekte toelichting op de betwisting daarvan, de reden waarom het door de verdediging verzochte onderzoek niet kan worden uitgevoerd, het gewicht van de uitlatingen voor de bewezenverklaring van het feit en het bestaan van compenserende factoren voor het ontbreken van een mogelijkheid om het betreffende bewijs te kunnen betwisten.
Onderhavige casus
[benadeelde partij 2] heeft belastende verklaringen afgelegd voor verdachte. Uit het dossier blijkt dat [benadeelde partij 2] niet altijd de waarheid heeft verteld en op verschillende momenten van elkaar afwijkende verklaringen heeft afgelegd, onder meer over de identiteit van de dader(s) van op haar toegepast geweld. Dat heeft [benadeelde partij 2] ook bevestigd en ze heeft uitgelegd waarom ze heeft gelogen.
Op 18 juni 2025 is de [benadeelde partij 2] op verzoek van de verdediging als getuige in de strafzaak tegen verdachte gehoord bij de rechter-commissaris. Namens de verdediging was mr. S.J. Römer bij het verhoor aanwezig. Uit het proces-verbaal van verhoor van getuige bij de RC blijkt dat de raadsman 39 vragen aan de getuige heeft gesteld. Twee van die vragen heeft de rechter-commissaris belet ‘omdat dit geen verband houdt met de verdenking’. De overige vragen zijn door [benadeelde partij 2] allemaal beantwoord, ook de volgende vraag over de tenlastegelegde mishandeling (feit 2) op 20 augustus 2024. Vraag:
“Op pagina 45 van het dossier staat dat je tegen de woongroep had gezegd dat je met een vrouw op het station hebt gevochten. Waarom heb je dat gezegd?”Antwoord:
“Ik heb daar inderdaad over gelogen. [verdachte] had mij mishandeld, maar dat wilde ik niet zeggen. Ik hield nog van hem en ik wilde niet dat hij vast kwam te zitten. Ik loog daar ook over tegen agenten en andere hulpverleners. Ik had toen nog hoop dat hij zou veranderen.”Uit het proces-verbaal van het verhoor bij de rechter-commissaris maakt de rechtbank op dat de eerste vraag die door de rechter-commissaris is belet kennelijk ziet op een eerdere onjuiste verklaring van [benadeelde partij 2] over de daders van een geweldpleging waar ze op 30 augustus 2024 slachtoffer van is geworden. Dit feit is niet aan verdachte ten laste gelegd. Datzelfde geldt ten aanzien van de tweede belette vraag: de vraag ziet op een feit dat niet aan verdachte is ten laste gelegd. Beide belette vragen zien echter eveneens op de (on)betrouwbaarheid van getuige, in verband met wisselende verklaringen.
Beperkingen in het ondervragingsrecht
Mede gelet op de ontkennende proceshouding van verdachte en de belastende strekking van de verklaringen van [benadeelde partij 2] , heeft de verdediging verzocht [benadeelde partij 2] als getuige te ondervragen teneinde de betrouwbaarheid van die belastende verklaringen te onderzoeken. De verdediging heeft naar het oordeel van de rechtbank het ondervragingsrecht in grote mate maar niet volledig kunnen uitoefenen, immers heeft het 2 van de 39 geformuleerde vragen niet kunnen stellen. De vraag is vervolgens of hiermee tevens geconcludeerd moet worden dat de verdediging niet effectief haar ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen waardoor de verklaring van de getuige niet kan worden gebezigd voor het bewijs wegens schending van artikel 6 EVRM.
In dat verband acht de rechtbank van belang dat, op de twee vragen die zijn belet na, alle vragen van de verdediging door de getuige zijn beantwoord. Ook de vragen over de betrouwbaarheid van de getuige door te vragen naar de tegenstrijdigheden in haar verklaringen of vragen over haar verklaringen in relatie tot andere bevindingen in het dossier zijn door de getuige beantwoord. De twee belette vragen hadden, zoals door de rechter-commissaris aangegeven, betrekking op de betrouwbaarheid van [benadeelde partij 2] in haar verklaringen betreffende feiten die niet aan verdachte zijn ten laste gelegd. De vragen waren kennelijk bedoeld om getuige (nogmaals) te laten zeggen dat ze eerder niet de waarheid had verteld. Zulks blijkt echter ook reeds uit haar eigen (latere) verklaringen. Hoewel dus ontegenzeggelijk het ondervragingsrecht in concreto is beperkt door het beletten van twee vragen kan naar het oordeel van de rechtbank in onderhavige zaak daarmee niet zonder meer worden geconcludeerd dat het gebruik van de belastende verklaring van [benadeelde partij 2] in strijd is met het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van de ‘overall fairness of the trial’.
Los van het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris biedt het dossier redenen om zeer behoedzaam met de verklaring van [benadeelde partij 2] om te gaan en deze te onderzoeken op betrouwbaarheid. De rechtbank gaat behoedzaam om met de verklaring van de [benadeelde partij 2] en gebruikt deze enkel voor het bewijs als deze in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal.
3.3.3.
Bewezenverklaring feit 2
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Ter terechtzitting van 1 oktober 2025 heeft verdachte verklaard dat hij op 20 augustus 2024 met [benadeelde partij 2] is geweest.
[benadeelde partij 2] heeft in haar aangifte verklaard dat zij op 20 augustus 2024 door verdachte in haar gezicht is geslagen. Toen [benadeelde partij 2] terugkeerde naar haar woongroep had zij een kapotte lip en haar rechteroog was blauw. [2]
Verbalisant [verbalisant 1] heeft van [naam 1] van de Jeugdbescherming Amsterdam vernomen dat [benadeelde partij 2] op 20 augustus 2024 de woongroep binnen kwam met een kapotte lip en dikke rode ogen. De woongroep trok de verklaring van [benadeelde partij 2] –dat zij zou hebben gevochten met een vrouw op [station] – in twijfel. Het is de woongroep opgevallen dat [benadeelde partij 2] na 20 augustus 2024 opeens minder contact had met verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] kreeg tijdens de gesprekken met [benadeelde partij 2] sterk de indruk dat [benadeelde partij 2] niet de waarheid sprak over de toedracht van het letsel aan haar lip op 20 augustus 2024. [3]
De rechtbank stelt vast dat verdachte met [benadeelde partij 2] is geweest op 20 augustus 2024 en dat zij die avond bij terugkomst bij de woongroep letsel had aan haar lip. De initiële verklaring die [benadeelde partij 2] gaf voor dit letsel werd direct in twijfel getrokken door de professionals om haar heen. De woongroep heeft bovendien na 20 augustus 2024 een afname in het contact tussen verdachte en [benadeelde partij 2] waargenomen. De aangifte van [benadeelde partij 2] vindt op het punt dat zij op 20 augustus 2024 in haar gezicht is geslagen door verdachte voldoende steun in het dossier en zal als bewijsmiddel worden gebruikt.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte [benadeelde partij 2] heeft mishandeld op 20 augustus 2024. De rechtbank overweegt dat [benadeelde partij 2] niet valt aan te merken als levensgezel van verdachte. Hoewel sprake was van een relatie tussen beide, kan niet worden gesteld dat sprake was van een voldoende nauwe en persoonlijke betrekking om te kunnen spreken van levensgezellen.
3.3.4.
Bewezenverklaring feit 3 en feit 4
Verdachte heeft ter terechtzitting van 1 oktober 2025 een bekennende verklaring afgelegd ten aanzien van feit 3 en feit 4. Uit het de aangifte van [benadeelde partij 2] [4] en het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] [5] blijkt dat verdachte op 4 november 2024 de tenlastegelegde dreigende berichten naar [benadeelde partij 2] heeft verstuurd.
De rechtbank acht de feiten 3 en 4 dan ook bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
Feit 2
op 20 augustus 2024 te Amsterdam, [benadeelde partij 2] , heeft mishandeld door die [benadeelde partij 2]
in het gezicht te slaan;
Feit 3
op 4 november 2024 in Nederland, [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde partij 2] via chatberichten op Instagram de volgende dreigende woorden toe te voegen:
-“Wollah gaat baksteen door die raam” en
-“Kom met iemand ik schiet” en
-“Elke vriendin mattie leiding iemand in de buurt wordt geschoten” en
-“Ik schiet hem gelijk laat hem nu komen Haven dan” en
-“RV is nu onderweg naar je djoen” en
-“Als k je daar zie ga jet het echt krijgen he” en
-“en je gaat pack” en
-“eerst volgende keer dat ik jou zie op alles wat ik lief heb jij ademt niet meer”;
Feit 4
op 4 november 2024 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of openbaring van een geheim, namelijk meerdere naaktfoto’s, erotische filmpjes en seksvideo’s van die [benadeelde partij 2] , en die [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot afgifte van kledingstukken, die aan verdachte toebehoorde, door de volgende (dreigende) chatberichten via Instagram te versturen aan die [benadeelde partij 2] met de volgende inhoud:
“Je pijp videos gaan ook gwn op verhaal nu” en
“Wollah heel jou verleden gaat naar boven komen let op” en
“Wil me kanker kleren voor de deur daar” en
een foto te sturen van een chatconversatie met de volgende inhoud:
“Yo stuur me tikkie van 200 ga naar die djoen van [naam 2] deel haar nudes met iedereen daar, Die boys van der djoen, Airdrop het naar iedereen die langs loopt En airdrop aan heeft”,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Op te leggen maatregelen

7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met voorwaarden wordt opgelegd, die dadelijk uitvoerbaar zou moeten zijn.
Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gevorderd.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat een tbs-maatregel met voorwaarden beschouwd moet worden als ultimum remedium en verzoekt verdachte nog een kans te geven om zijn behandelingen ambulant te volgen binnen het kader van de bijzondere voorwaarden die hem bij een eerdere veroordeling zijn opgelegd.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregelen gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gezien de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting is gebleken. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende overwogen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, bedreiging en een poging tot afdreiging van zijn toenmalige vriendin. Met deze handelingen heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde partij 2] en haar gevoel van veiligheid aangetast.
Verdachte heeft zijn toenmalige (minderjarige) vriendin, [benadeelde partij 2] , mishandeld. Zowel verdachte als [benadeelde partij 2] waren voordat zij een relatie kregen al bij justitie bekend met het gebruiken van geweld en hebben ook samen een geweldsdelict gepleegd. Uit chatgesprekken tussen [benadeelde partij 2] en verdachte in de periode rond de tenlastegelegde feiten komt een beeld naar voren van een onevenwichtige relatie waarbinnen hard taalgebruik jegens elkaar kennelijk normaal was en waarin door verdachte makkelijk over geweld en dreiging met geweld werd gesproken. [benadeelde partij 2] heeft echter, ook in haar aangifte, aangegeven dat zij niet is gediend van tegen haar gericht fysiek geweld door verdachte. Het gegeven van een kennelijk onevenwichtige relatie maakt het gebruik van geweld door verdachte jegens [benadeelde partij 2] niet minder ernstig: binnen een relatie moet je je grenzen kunnen aangeven en je veilig weten.
Niet alleen is [benadeelde partij 2] door verdachte geslagen, ook probeerde hij [benadeelde partij 2] te dwingen iets te doen door te dreigen een intiem filmpje van haar openbaar te maken en/of naar familieleden te sturen. Dit heeft angst bij [benadeelde partij 2] veroorzaakt voor de onvoorzienbare gevolgen die het zien van de beelden door anderen voor haar zou kunnen hebben. Dit dreigement van verdachte is een zeer kwalijke manier om iemand trachten te dwingen iets te doen of laten. Extra kwalijk is het gegeven dat de feiten plaats vonden binnen en vlak na de liefdesrelatie met [benadeelde partij 2] .
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het belaste verleden van verdachte en zijn nog jonge leeftijd ten tijde van het plegen van de feiten. Daarnaast weegt zij het volgende mee.
Strafblad
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 20 januari 2025 gezien blijkt dat verdachte sinds 2017 meerdere malen is veroordeeld voor onder meer geweldsdelicten. Hij liep op het moment dat de bewezenverklaarde feiten werden gepleegd bovendien in een dubbele proeftijd, gekoppeld aan relatief forse voorwaardelijke vrijheidsstraffen van respectievelijk bijna zes maanden en vijf maanden.
Reclasseringsrapporten
Uit het
Reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, opgemaakt op 20 januari 2025, door [reclasseringsmedewerker 1] , blijkt onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende.
Verdachte is al langere tijd in beeld bij de reclassering. Verdachte laat in de Penitentiaire Inrichting prima gedrag zien en in contact met rapporteur is hij coöperatief en zegt hij de juiste dingen. Hij stelt zichzelf dan doelen en laat motivatie zien om te veranderen. In een gestructureerde en gereguleerde omgeving doet hij het dus goed. De reclassering heeft echter inmiddels twee jaar de ervaring dat het buiten anders gaat. Verdachte spreekt dan nog steeds goede bedoelingen uit, maar laat (bij bewezenverklaring) dan helaas ook ander gedrag zien, dat de reclassering als risicovol/gevaarlijk aanmerkt. Verdachte beschikt over beperkte coping mechanismen vanwege de verwaarlozing in zijn jeugd en het langdurig verblijf in instellingen en hij heeft de neiging om conflicten met agressie en geweld op te lossen. Verdachte ziet dit probleem zelf ook en geeft aan dat hij mee wil werken aan behandeling. Het psychosociaal functioneren en de houding ziet de reclassering daarmee als belangrijke criminogene factoren. Een andere criminogene factor is het sociale netwerk. Verdachte maakte in het verleden onderdeel uit van een beruchte drillrapgroep en besloot eruit te stappen, omdat hij inzag dat het hem weinig bracht. De reclassering heeft echter nog weinig zicht op zijn nieuwe sociale netwerk. Aanknopingspunten zijn het feit dat verdachte concrete plannen heeft om naar school te gaan. Daarnaast was hij bezig met muziek maken binnen het reguliere circuit. Met hulp van Credible Messengers (hulpverleners die de straat kennen) weliswaar, maar het is mogelijk iets waar hij op voort kan bouwen. Het zijn aanknopingspunten, maar nog geen beschermende factoren. Verdachte spreekt uit zijn gedrag te willen veranderen, zo snel mogelijk wil beginnen met een behandeling bij bijvoorbeeld De Waag en samen te willen werken met de reclassering. Hij toont zich daarbij ontvankelijk voor behandeling bij de GGZ. De reclassering heeft echter de ervaring dat een reclasseringstoezicht tot heden onvoldoende of niet bijdraagt aan de gewenste gedragsverandering. Er is behoefte aan een team van begeleiders dat op een intensieve manier met verdachte aan de slag gaat. Een reclasseringstoezicht in een voorwaardelijk kader lijkt een te licht middel te zijn.
Ui het
Reclasseringsadvies tbs met voorwaarden, van 25 september 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker 2] , wordt -kort en zakelijk weergegeven- blijkt onder meer het volgende.
De reclassering heeft verdachte leren kennen als een vriendelijke jongeman die zich verbaal goed weet uit te drukken. Hierdoor kan verdachte rapporteur goed meenemen in zijn verhaal, keuzemomenten en gemaakte afwegingen. Tevens beschikt hij ook over een zekere kwetsbaarheid. Verdachte spreekt pro-sociale doelen met oprechtheid uit en wegens zijn belaste voorgeschiedenis hoop je ook dat verdachte deze doelen haalt. Dit is verdachte tot op heden echter niet gelukt, ook niet met de hem geboden interventies. Opvallend is dat verdachte zichzelf dit niet verwijt. De scheefgroei in verdachte zijn ontwikkeling dient middels interventies bij te worden gestuurd, zodat verdachte gezonde delen van zichzelf kan ontwikkelen. Hij lijkt zich zogezegd op een kruispunt te bevinden, waarbij hij met het ene been in zijn belaste puberteit staat en met zijn andere been in de onzekere volwassenheid. Om zich te kunnen ontwikkelen tot een ‘gezonde’ volwassene die op adequate wijze met emoties en problemen om kan gaan en zijn pro-sociale doelen behaalt, heeft hij meer begeleiding en ondersteuning nodig dan hij tot nu toe heeft mogen ontvangen. Verdachte geeft aan zich hiervoor in te willen zetten, ook als hij klinisch geplaatst moet worden. Onder verwijzing naar de pro Justitia rapportage van 2 juni 2025, acht de reclassering het noodzakelijk dat verdachte wordt behandeld voor de door de deskundigen aanwezig geachte psychopathologie. Gesteld kan worden dat verdachte zich in vorige samenwerkingen met de reclassering niet heeft weten te verhouden wegens de aanwezige psychopathologie, gebrek aan stabiliteit en adequate copingsvaardigheden. De reclassering heeft enige twijfel over de responsiviteit van verdachte maar ziet voldoende mogelijkheden om uitvoering te geven aan een tbs met voorwaarden. Ze adviseert positief over een tbs-maatregel met voorwaarden om het hoog ingeschatte risico op recidive te verminderen.
Bij een veroordeling tot tbs of (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert de reclassering een GVM op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs of gevangenisstraf. Onderhavige verdenking betreft immers een ernstig delict. Daarnaast brengt de gestelde diagnostische stoornis risico’s met zich mee die naar verwachting nog steeds aanwezig zullen zijn na de tbs of gevangenisstraf. Een GVM zou dan alsnog langdurig toezicht mogelijk kunnen maken.
De rechtbank neemt de bevindingen en adviezen van de reclassering over en maakt die tot de hare.
Pro Justitia rapportage
GZ-psycholoog E.C. Wendt en psychiater M.B.F. van Berkel hebben een onderzoek ingesteld naar de persoon van verdachte. Uit hun
multidisciplinair pro Justitiarapport betreffende verdachte van 2 juni 2025komt onder meer het volgende naar voren.
Verdachte is eerder, in 2022 ook onderzocht door de psycholoog Wendt. Er werd toen een beschadigde, verwaarloosde en eenzame jongeman gezien, die al op jonge leeftijd heeft geleerd dat de ander niet voor hem en zijn emoties wil of kan zorgen en daarmee een fundamenteel wantrouwen richting zijn omgeving heeft. Er werd een ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis vastgesteld en daarnaast werd er gesproken van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale persoonlijkheidstrekken.
De psycholoograpporteert thans, op basis van onderzoek in 2025, dat duidelijk is geworden dat verdachte in de afgelopen jaren niet heeft weten te profiteren van de ingezette begeleiding en toezicht. De zorgelijke ontwikkeling die werd gezien tijdens de eerdere rapportage is niet ten goede gekeerd en er is sprake van verharding. De verbale vaardigheid van verdachte stelt hem in staat om situaties overtuigend te analyseren en te verwoorden. Tegelijkertijd lijkt deze spreekvaardigheid ook een manier om controle te behouden in het gesprek. Zelfreflectie blijft op een oppervlakkig en voornamelijk cognitief niveau en verdachte staat zeer beperkt in contact met zijn gevoelsleven. De beschreven bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling heeft zich inmiddels tot een persoonlijkheidsstoornis uitgebreid. Verdachte heeft een zeer kwetsbaar zelfgevoel, waarbij gevoelens van afwijzing, falen of tekortschieten worden ontkend en vermeden. Hij is krenkbaar en heeft -vanuit genoemde angst voor afwijzing of falen- de neiging zich groter te maken. Het erkennen van zijn eigen kwetsbaarheid, van de mogelijkheid dat hij zelf tekortschiet, gebeurt niet. Verdachte is gevoelig voor kritiek en afwijzing. Verdachte heeft -vanuit zijn kwetsbare zelfgevoel- instabiele relaties. Op het moment dat hij wordt geraakt, weet hij niet om te gaan met zijn emoties en kan hij boos reageren. Verdachte is daarnaast niet in staat zich te conformeren aan de gestelde normen, hij handelt impulsief, is prikkelbaar en agressief, is roekeloos en onverantwoordelijk. Hij is beperkt in staat zich in te leven, toont weinig compassie en/of medeleven en heeft nauwelijks berouw heeft van zijn daden. Hij heeft de neiging om zijn gedrag te externaliseren en weinig verantwoordelijkheid daarvoor te nemen. Concluderend wordt een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline kenmerken vastgesteld. Daarnaast wordt een stoornis in het gebruik van cannabis gesteld. De ernst is niet te specificeren, vanwege het gebrek aan informatie over het precieze gebruik en de functie ervan.
Uit het
psychiatrisch onderzoekkomt onder meer het volgende naar voren. Met betrekking tot de persoonlijkheid van verdachte kan worden gesteld dat hij van jongs af aan een patroon laat zien van politiecontacten en veroordelingen voor geweldsdelicten. Verdachte liet -en laat nog steeds maar in mindere mate- impulsief, beïnvloedbaar, agressief en onverschillig gedrag met betrekking tot zichzelf en anderen zien. Zijn gewetensfunctie is beperkt. Hij betuigt spijt over (sommige van) zijn daden, echter heeft het hem er in het verleden niet van weerhouden om keer op keer strafbare feiten te plegen. Zijn voorkomen en presentatie tijdens het onderhavige onderzoek (beleefd, beheerst, vriendelijk, open, charmant) staan in schril contrast tot hetgeen wat erover verdachte in de politiedossiers staat (dominant, agressief, onbetrouwbaar). Ondanks dat verdachte zich verhard toont in zijn emotie, voelt hij voor onderzoeker niet louter aan als een kille of harde jongeman. Verdachte heeft een vervormd zelfbeeld, beperkte emotieregulatie en zelfreflectie. Zijn empathisch en mentaliserend vermogen zijn louter aanwezig op cognitief niveau. Verdachte heeft weliswaar behoefte om relaties aan te gaan in het persoonlijke en maatschappelijke leven, maar is significant beperkt in het vermogen tot positieve en duurzame verbondenheid. Relaties zijn gebaseerd op de verwachting om verlaten of misbruikt te zullen worden. Gevoelens van intieme betrokkenheid bij anderen wisselen sterk tussen angst/afwijzing en een wanhopig verlangen naar verbondenheid. Verdachte is krenkbaar, hij heeft een geringe frustratietolerantie en kan prikkelbaar zijn. Dit staat in de onderzoeksgesprekken overigens niet op de voorgrond. De afweer van verdachte bestaat hoofdzakelijk uit externaliseren, bagatelliseren en loochenen. Bij verdachte is inmiddels een star en duurzaam patroon ontstaan van innerlijke ervaringen en gedragingen die duidelijk afwijken van wat binnen de cultuur van verdachte wordt verwacht en heeft geresulteerd in zowel een significante lijdensdruk als disfunctioneren op verschillende levensgebieden. Anders gezegd: de door Wendt beschreven bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in het pro Justitia onderzoek uit 2022 heeft zich inmiddels tot een persoonlijkheidsstoornis uitgebreid. Het pervasieve patroon voor zijn vijftiende jaar bestaat uit een gebrek aan respect voor en schending van de rechten van anderen, maakt dat hij stelselmatig de wet overtreedt, impulsief handelt, agressie toont en nauwelijks berouw heeft van zijn daden. Hij heeft de neiging om zijn gedrag te externaliseren en weinig verantwoordelijkheid daarvoor te nemen. Verdachte doet daarnaast verwoede pogingen om vermeende verlating te voorkomen, heeft instabiele relaties en heeft moeite om zijn (inadequate, intense) boosheid te beheersen. Tot slot heeft Verdachte een opgeblazen gevoel van belangrijkheid en een excessieve behoefte aan bewondering. Tezamen stelt onderzoeker concluderend een antisociale persoonlijkheidsstoornis vast met tevens borderline en narcistische trekken. Daarnaast is sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis.
Conclusie en advies.
Op basis van het thans verrichte onderzoek is de conclusie van zowel de psycholoog als de psychiater dat bij verdachte is sprake van een antisociale-persoonlijkheidsstoornis met trekken van borderline en narcisme, en een stoornis in het gebruik van cannabis. Verdachte is ernstig beperkt door zijn stoornissen, met daaruit voortvloeiende gestoorde impulscontrole en agressieregulatie, emotieregulatie problemen, gebrek aan copingsvaardigheden, verminderde frustratietolerantie, krenkbaarheid en angst voor verlating. Hij heeft weinig probleeminzicht.
Geadviseerd wordt om de tenlastegelegde feiten, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen. Er zijn onvoldoende indicaties om het toepassen van het minderjarigenstrafrecht te adviseren.
Door de pathologie en daaruit voortvloeiende ernstige beperkingen kan verdachte een gevaar vormen voor de algemene veiligheid van personen. Het risico op herhaling wordt als hoog ingeschat en kan naar verwachting onvoldoende worden afgewend door het stellen van voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Onderzoekers hebben uitvoerig nagedacht over de haalbaarheid van een voorwaardelijk kader. Er is naar mening van onderzoekers geen sprake van onwil ten aanzien van het zich kunnen houden aan voorwaarden. Als verdachte echter geen stringent juridisch kader toegewezen krijgt, achten onderzoekers de kans klein dat een (langdurige) behandeling effectief van de grond komt. De problemen in het leven van verdachte zijn, ondanks zijn jonge leeftijd, hardnekkig, diepgeworteld en chronisch, en de noodzakelijke behandeling zal naar verwachting langdurig zijn. De therapie die verdachte nodig heeft, betreft doorgaans meerdere jaren. Verdachte toont zich gemotiveerd tot intensieve behandeling en begeleiding. Als de reclassering mogelijkheid ziet voor begeleiding, wordt geadviseerd tot een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. In dat geval wordt in beginsel een klinische plaatsing binnen een gesloten setting geadviseerd (beveiligingsniveau 3), gevolgd door een langdurige ambulante fase met strikte voorwaarden en intensieve begeleiding. Onderzoekers realiseren zich terdege dat dit een ingrijpende maatregel betreft. Anderzijds is bij een bewezenverklaring vast te stellen dat er sprake is van een patroon van geweldsdelicten met gevaar voor derden, voortkomend uit meervoudige, complexe psychopathologie bij een kwetsbare jongeman met slechts partieel probleeminzicht, die bescherming behoeft — zowel van zichzelf als van anderen. Een tbs-maatregel met voorwaarden wordt derhalve geadviseerd.
De rechtbank neemt de bevindingen, conclusies en adviezen van de deskundigen over en maakt die tot de hare.
Motivering van de tbs-maatregel met voorwaarden
De rechtbank stelt op grond van voornoemde rapporten vast dat er bij verdachte sprake is van groot gevaar voor herhaling van geweldsdelicten. Ter vermindering van het recidivegevaar bij verdachte, gelet op de conclusies en adviezen in de hiervoor genoemde rapportages, is een intensief en langdurig behandeltraject voor verdachte noodzakelijk.
Verdachte pleegt sinds zijn vijftiende strafbare feiten en is meerdere malen veroordeeld voor onder meer -ook ernstige- geweldsdelicten. Ondanks eerdere begeleiding en ondersteuning van verdachte en ondanks twee voorwaardelijke straffen die boven zijn hoofd hingen heeft verachte opnieuw (gewelds) delicten gepleegd. Vastgesteld is dat bij verdachte sprake is van diepgewortelde en chronische psychische problematiek, waarvoor een langdurige behandeling nodig is. De rechtbank komt tot de conclusie dat slechts een tbs-maatregel met voorwaarden een toereikend kader biedt om deze noodzakelijke en langdurige behandeling te bewerkstelligen.
De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke eisen die worden gesteld aan oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden is voldaan. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van het bewezen geachte feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De bewezen geachte feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van deze maatregel. De rechtbank zal aan verdachte dan ook de tbs-maatregel opleggen. De rechtbank is van oordeel dat kan worden volstaan met het stellen van de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd en dat een bevel tot dwangverpleging niet noodzakelijk is. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden.
De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten mishandeling. Dit betreft het onder feit 2 bewezen geachte feit. De maatregel kan daarom bij omzetting naar tbs met dwangverpleging langer duren dan vier jaar.
GVM
Op basis van de pro Justitia rapportage, het reclasseringsrapport en het strafblad is er naar het oordeel van de rechtbank een gegronde vrees voor herhaling. De rapporteurs spreken over diepgewortelde problematiek bij verdachte en een langdurige behandeling. De rechtbank acht het daarom van belang dat er een mogelijkheid bestaat om na de tbs-maatregel langdurig toezicht op verdachte te kunnen houden en hem eventueel te behandelen en te begeleiden, ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal daarom, naast de tbs-maatregel met voorwaarden, ook de GVM opleggen.
Voorlopige hechtenis
Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte wordt opgenomen in de beoogde kliniek (of een plek voor overbruggingszorg). Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als die aan de tbs-maatregel worden verbonden.
Deze schorsing van de voorlopige hechtenis acht de rechtbank noodzakelijk, omdat omzetting van de tbs-maatregel met voorwaarden in een tbs-maatregel met dwangverpleging (bij overtreding van de voorwaarden van de tbs-maatregel) niet mogelijk is zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. De rechtbank zal daarom bepalen dat de schorsing van de voorlopige hechtenis in duur beperkt is tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden. Als de verdachte dan de in het kader van de tbs-maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situaties de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.
Dadelijke uitvoerbaarheid tbs-maatregel met voorwaarden
Gelet op de noodzaak van de behandeling en het gevaar voor recidive en het uit te oefenen toezicht, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van artikel 38, eerste lid Sr te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Motivering straf
De rechtbank vindt dat naast de opgelegde maatregel, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd.
Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de bewezenverklaarde strafbare feiten en omstandigheden waaronder die zijn gepleegd, zoals die onder 7.3 (p. 8 van dit vonnis) bij ernst van de feiten zijn vermeld. Verdachte liep bovendien in nota bene twee proeftijden tijdens het plegen van deze feiten.
Verder houdt de rechtbank bij het bepalen van de duur van de straf rekening met de omstandigheid dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt beschouwd.
De rechtbank komt, alles afwegende, tot een andere bewezenverklaring en een lagere straf dan de straf die door de officier van justitie is gevorderd.
Alles in aanmerking genomen acht de rechtbank voor het bewezenverklaarde een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, passend.

8.Vorderingen benadeelde partijen

8.1.
Vordering [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , vordert € 1260,24 aan vergoeding van materiële schade en € 815,71 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering te matigen.
8.1.3.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
8.2
Vordering [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , vordert € 7.100,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de het moment van indienen van de vordering – de avond voor de zitting – een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en in strijd is met artikel 6 eerste lid EVRM. De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk verklaard te worden in haar vordering. De raadsvrouw verwijst in dit verband naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1258. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering te matigen.
8.2.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de vordering van de benadeelde partij de avond voor de zitting is ontvangen. In de door de raadsvrouw aangehaalde uitspraak van rechtbank Amsterdam ging het om een vordering van bijna 200 pagina’s. Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderliggende zaak sprake van een beduidend minder complexe onderbouwing van de vordering (de onderbouwing van de vordering in onderliggende zaak bedraagt 2 pagina’s), zodat niet zonder meer blijkt dat de verdediging onvoldoende tijd heeft gehad om zich daarop te kunnen voorbereiden. Uit de wet volgt bovendien dat het de benadeelde partij is toegestaan tot aan het requisitoir ter zitting een vordering in te dienen. De raadsvrouw heeft ter zitting niet verzocht om een schorsing om de vordering te bestuderen. Uit het pleidooi van de raadsvrouw blijkt overigens dat zij zich kennelijk voldoende op de vordering heeft kunnen beraden.
Gelet op vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de benadeelde partij reeds enkel vanwege de late indiening van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren in haar gehele vordering.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van de strafbare feiten lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en de Rotterdamse schaal, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 1.300,-.
De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.
Verdachte wordt verder veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt. Deze kosten begroot de rechtbank tot op heden op nihil.
De schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 augustus 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan haar, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op 23 dagen.

9.Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Van groot belang bij het beoordelen van de vorderingen van de officier van justitie is het gegeven dat de rechtbank aan verdachte de maatregel tbs met voorwaarden oplegt. De rechtbank acht, gezien de nog jonge leeftijd van verdachte en zijn bereidheid om zich in te zetten om aan gedragsverandering te werken, het van belang dat uitvoering van de maatregel zo snel mogelijk een aanvang kan nemen.
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een eerder opgelegd voorwaardelijk strafdeel van vijf maanden gevangenisstraf en van een eerder opgelegd voorwaardelijk strafdeel van 179 dagen jeugddetentie (bijna zes maanden). Beide veroordelingen zien op onder meer geweldsdelicten. Uitgangspunt is dat verdachte dient te worden geconfronteerd met de consequentie van het plegen van strafbare feiten tijdens een (dubbele) proeftijd, al helemaal omdat de rechtbank thans wederom voorwaarden verbindt aan een voorwaardelijke maatregel. Omdat een (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering(en) echter zou betekenen dat deze eerst nog moeten worden tenuitvoergelegd voordat de maatregel gaat lopen, zou dat betekenen dat verdachte pas (veel) later met de beoogde behandeling in het kader van de tbs met voorwaarden kan beginnen. Dat acht de rechtbank onwenselijk en weegt zij zwaar.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 13/102802-22 en 15/226463-23 dienen te worden afgewezen, omdat tenuitvoerlegging, gezien de oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden aan verdachte en de dadelijke uitvoerbaarverklaring daarvan, niet opportuun wordt geacht.

10.Beslag

Onder verdachte is een telefoon (G65780870) in beslag genomen. Op de telefoon bevinden zich naaktfoto’s en -video’s van [benadeelde partij 2] , die op het moment van het maken daarvan minderjarig was. Nu het beeldmateriaal op dit voorwerp van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 45, 57, 300, 285 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 2:
mishandeling
Feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling
Feit 4:
poging tot afdreiging
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gestelden stelt daarbij de volgende voorwaarden:
1.
Geen strafbaar feit plegen
Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
- Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
- Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen.
- Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
- Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
- Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.
- Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
- Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
- Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
3.
Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
4.
Niet naar het buitenland
Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5.
Opname in een zorginstelling
Verdachte laat zich opnemen in een forensisch psychiatrische instelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start bij aanvang van de maatregel. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6.
Ambulante behandeling
Verdachte laat zich behandelen door een in de toekomst te bepaling instelling of zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
7.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
8.
Drugsverbod
Verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak Verdachte wordt gecontroleerd.
9.
Alcoholverbod
Verdachte gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak Verdachte wordt gecontroleerd.
10.
Contactverbod
Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [benadeelde partij 2] geboren op [geboortedatum] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
11.
Locatieverbod
Verdachte bevindt zich niet op of bij door de reclassering nader te bepalen locaties zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
12.
Dagbesteding
Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag en verwerven van stabiliteit.
13.
Meewerken aan schuldhulpverlening
Verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt de
dadelijke uitvoerbaarheidvan de terbeschikkingstelling met voorwaarden.
Legt aan verdachte op de
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
6 maanden gevangenisstraf.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart[benadeelde partij 1]
niet-ontvankelijkin haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Wijst de vorderingvan de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
toetot een bedrag van € 1.300,- (duizend driehonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 augustus 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het meerdere af.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat een bedrag van € 1.300,- (duizend driehonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 augustus 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 23 (drieëntwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/102802-22 af.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/226463-23 af.
Verklaart onttrokken aan het verkeerde telefoon (G65780870).
Schorst de voorlopige hechtenisvan verdachte met ingang van het moment dat verdachte in het kader van de klinische behandeling zoals omschreven in voorwaarde 5 zal worden opgenomen in de kliniek, dan wel een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in de kliniek. De schorsing van de voorlopige hechtenis duurt tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 13 genoemde voorwaarden verbonden en de voorwaarden dat:
  • de verdachte, indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;
  • de verdachte, in het geval zij wegens een feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot een andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,
mrs. L.F. Bögemann en J.H.C. Roest, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.S. Kamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2025.
[… 2]
;

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024206421-4 p. 37, eerste alinea.
3.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024206421-3 p. 47, laatste twee alinea’s.
4.Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024264577-3 p. 87.
5.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024264577-4 p. 104.