ECLI:NL:RBAMS:2025:9415

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
1324585725
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees Aanhoudingsbevel van Roemenië met betrekking tot strafzaak

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 2 december 2025 uitspraak gedaan over een vordering tot overlevering op basis van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door het Botoşani Tribunal in Roemenië. De opgeëiste persoon, geboren in 1992 in Roemenië, is gedetineerd in Nederland en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 18 november 2025 gehouden, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was, bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.A. van Biljouw. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.

Het EAB is uitgevaardigd op 19 mei 2025 en betreft een vrijheidsstraf van 3 jaar en 10 maanden, opgelegd door de Suceava Court of Appeal. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de rechtszittingen in Roemenië en dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de Overleveringswet niet van toepassing is. De rechtbank heeft ook de detentieomstandigheden in Roemenië beoordeeld en geconcludeerd dat er geen reëel gevaar bestaat voor onmenselijke of vernederende behandeling, op basis van de garanties die door de Roemeense autoriteiten zijn verstrekt.

Uiteindelijk heeft de rechtbank geoordeeld dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet en dat er geen weigeringsgronden zijn. De rechtbank heeft daarom de overlevering van de opgeëiste persoon aan Roemenië toegestaan voor de feiten zoals beschreven in het EAB.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-245857-25
Datum uitspraak: 2 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 25 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 mei 2025 door het
Botoşani Tribunal, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 november 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.A. van Biljouw, advocaat in Hilversum, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Botoşani Tribunalvan 16 januari 2025 (ref. 974/40/2024, nr. 5), gewijzigd bij arrest van
the Suceava Court of Appealvan 12 mei 2025 (ref. 974/40/2024, nr. 517).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaar en 10 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Inleiding
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
Op 17 oktober 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit verder de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"(...) At the Suceava Court of Appeal, the case had 3 hearing sessions, and the requested person was present at all of them, including the one during which the debates took place (14.04.2025), being assisted by his chosen lawyer.
(…)
In this case, the Suceava Court of Appeal proceeded to analyze the evidence administered in the case, taking into account the procedural position of the convicted person [opgeëiste persoon] , who partially admitted committing the offenses, carrying out a full analysis of the arguments presented by the requested person.
The Suceava Court of Appeal heard the requested person at the hearing on April 14, 2025, and by the decision pronounced on May 12, 2025 it conducted its own assessment of the guilt/innocence of the convicted person [opgeëiste persoon] and reduced the duration of the sentences imposed by the court of first instance. In this respect, we point out that by the sentence no. 5 of 16.01.2025 pronounced by the Botoșani Tribunal, the requested person had to serve a final sentence of 6 years and 2 months of imprisonment, while by decision no. 517 of 12.05.2025 pronounced by the Suceava Court of Appeal, the requested person's final sentence was set at 3 years and 10 months of imprisonment.
Regarding the manner of filling Section D of the European Arrest Warrant No. 13/2025 issued on May 19, 2025 by the Botoșani Tribunal in respect of the requested person, we inform you that under the Romanian law the judge delegated to the Office for Criminal Enforcement is required to take into account the manner in which the proceedings were conducted during the appellate stage as well.
Consequently, Section D of the European Arrest Warrant No. 13/2025 issued on May 19, 2025 by the Botoșani Tribunal in respect of the requested person [opgeëiste persoon] , takes into account that the requested person was personally present before the panel of judges who ruled on his appeal (being assisted by his chosen lawyer)."
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat het EAB ongenoegzaam is omdat de beslissing in hoger beroep is gewijzigd en de Roemeense autoriteiten onderdeel d) in het EAB niet voor het hoger beroep hebben ingevuld.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan omdat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de procedure in hoger beroep. Dit heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard en wordt bevestigd in het EAB en de aanvullende informatie van 17 oktober 2025.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank toetst daarom het arrest van
the Suceava Court of Appealvan 12 mei 2025 (ref. 974/40/2024, nr. 517) aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt op basis van het EAB en de aanvullende informatie van 17 oktober 2025 vast dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij het proces dat tot het arrest van 12 mei 2025 heeft geleid. Dit is door de opgeëiste persoon ook ter zitting bevestigd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

5.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Roemenië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. [4]
Op 20 oktober 2025 heeft de
Chief Commissioner of Correctional Police [naam] – Director - Directorate for Detention Security and Prison Regime National Administration of Penitentiariesde volgende garantie verstrekt:
“(…) regarding the request of the Dutch authorities on the conditions of detention that [opgeëiste persoon] (born on [geboortedag] .1992, residing in [geboorteplaats] , sentenced to 3 years and 10 months in prison) will benefit from if he is surrendered to Romania, we inform you of the following:
If the person deprived of freedom will be handed over to the Romanian authorities at Henri Coandă Bucharest Airport, he will temporarily housed at Bucuresti-Rahova Penitentiary for the quarantine period, 21 days, in a detention room where he
will benefit from a minimum personal space of 3 sq m.
(...) Each inmate undergoing the quarantine and observation period is ensured the right to a 2-hour daily walk. Moreover, each inmate has a series of activities to choose from, thus creating the opportunity to spend more time outside the detention room, if the inmate wants to. Please be informed that the inmates attend these activities if they want to. Also, in addition to those above, to ensure the rights of the inmates, such as:
(...) Given the length of the punishment to be served, he will most likely serve his punishment in the closed regime at first. Moreover, given the domicile of the sentenced person, at the beginning, he may serve his punishment at Bacau Penitentiary.
(…) The daily schedule of inmates serving their punishments in closed prison
regime includes work, educational, cultural, therapeutic, sports activities,
psychological counseling, social and moral-religious assistance, learning and
vocational training, medical assistance, walk, rest and other activities for stimulating
the interest of the inmates serving their punishment in closed regime to assume
responsibilities. The inmates serving their punishments in closed regime carry out the
activities individually or in groups, under permanent surveillance of the prison staff.
The inmates who, for different reasons, are not selected to work or to attend
learning or vocational training activities, take walks and carry out learning,
psychological, social assistance, sports and religious activities for minimum 4 hours
per day. Also, the inmates who do not work and do not attend other activities have the
right to minimum 3 hours of daily walks, and the ones who work and attend activities
have the right to at least one hour of daily walks.
(…) [opgeëiste persoon] will benefit from a personal space of minimum 3 sq m while serving his punishment, except if he is assigned to the open prison regime, when he will benefit from 4 sq m, including the bed and afferent furniture, without including the toilet. The number of inmates in a room is calculated function of the size of the room. Each inmate has a bed with specific bedding.
(…) the National Administration of Penitentiaries guarantees that, while serving his punishment, he will benefit from the following minimum personal space, including bed and afferent furniture, without including the space for the toilet room:
- 3 sq m during quarantine and observation period
- 3 sq m during pre-trial arrest
- 3 sq m if he serves his punishment in the maximum-security prison regime
- 3 sq m if he serves his punishment in the closed prison regime
- 3 sq m if he serves his punishment in the semi-open prison regime
- 4 sq m if he serves his punishment in the open prison regime (…)”
Standpunt van de raadsman
De raadsman refereert zich ten aanzien van de afgegeven detentiegarantie aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het algemene gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling is weggenomen met de afgegeven detentiegarantie en verwijst daarbij naar verschillende uitspraken van deze rechtbank, waaronder een uitspraak van 9 juli 2025. [5]
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 20 oktober 2025. [6] De rechtbank is, gelet op deze garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor overlevering.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Botoşani Tribunal, Roemenië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463.
6.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.